Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC8197

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
16-602216-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 6 Wegenverkeerswet, negeren rood licht, hoge snelheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/602216-06

Datum uitspraak: 19 maart 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken bij verstek gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld.

Primair

hij op 19 september 2006 te Loenersloot, in de gemeente Loenen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Provincialeweg N 201 ter hoogte van de kruising met de oprit naar de Rijksweg A2,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, met het door hem bestuurde motorrijtuig niet te stoppen voor het in zijn richting rood licht uitstralende verkeerslicht en vervolgens met hoge snelheid in botsing te komen met een personenauto die, komende uit tegenovergestelde richting, bij groen verkeerslicht linksaf sloeg, teneinde de Rijksweg A2 op te rijden, waardoor [aangever], de bestuurster van laatstgenoemde auto, zwaar lichamelijk letsel, te weten een open onderbeenfractuur, een polsfactuur en een sleutelbeenfractuur werd toegebracht;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Het Proces-verbaal Verkeersongevals Analyse .

Uit het proces-verbaal blijkt, volgens het bijgevoegde fasediagram van de verkeerslichten op de kruising van het ongeval, dat wanneer het verkeerslicht bestemd voor het slachtoffer op groen springt, het verkeerslicht bestemd voor verdachte daaraan voorafgaand drie seconden geel licht geeft.

Voorts blijkt uit het fasediagram dat beide bedoelde verkeerslichten nooit op hetzelfde moment groen licht kunnen uitstralen.

De verklaring van het slachtoffer [aangever]

[aangever] heeft verklaard dat zij op 19 september 2006 in haar auto over de Provinciale weg N 201 reed. Zij sorteerde voor om links af te slaan en de rijksweg A2 op te rijden in de richting van Amsterdam. Zij stopte voor het rode verkeerslicht . Zij zag dat het verkeerslicht op groen sprong en zij trok op en reed de links naast haar gelegen rijbaan op om de oprit naar de A2 op te rijden. Op het moment dat zij die rijbaan opdraaide werd haar auto geraakt door de auto van verdachte.

De medische verklaring betreffende [aangever].

Uit de verklaring blijkt dat het slachtoffer ten gevolge van het ongeval een open beenbreuk aan het linker onderbeen heeft opgelopen, een gebroken linker sleutelbeen en een gebroken linkerpols. De duur van de ziekte of verhindering van de uitoefening van normale bezigheden ten gevolge van het letsel is moeilijk te beoordelen. [aangever] is langzaam aan het mobiliseren.

De aanvullende – telefonisch afgelegde – verklaring van [aangever] .

Getuige heeft aangegeven dat zij heden (14 augustus 2007) nog steeds hinder en pijn ondervindt ten gevolge van het ongeval. In haar linkerbeen is een pen gelaatst. De pen veroorzaakt pijn in haar knie en zal verwijderd moeten worden. Het slachtoffer geeft aan dat zij niet zo veel meer kan lopen als zij voor het ongeval kon.

De verklaring van [getuige 1] .

Getuige heeft verklaard dat hij, komende vanuit de richting Hilversum, op 19 september 2006 over de Provinciale weg N 201 reed in de richting van de verkeerslichten vlak voor het viaduct van de rijksweg A2. Voor hem reed de auto van verdachte. Op ongeveer 400 meter voor de verkeerslichten reed getuige ongeveer 80 km/u en zag hij dat de afstand tussen zijn auto en de auto van verdachte groter werd, terwijl hij, getuige, op dat moment niet afremde. Een fractie later sprong het verkeerslicht voor rechtdoorgaand verkeer op oranje. Getuige zag dat het verkeerslicht zeker al enkele seconden rood was toen de auto van verdachte door rood reed.

Getuige zag vervolgens dat de auto van verdachte in botsing kwam met de auto van het slachtoffer die uit tegenovergestelde richting kwam en op dat moment links af sloeg.

De verklaring van [getuige 2] .

Getuige heeft verklaard dat hij op 19 september 2006 over de Provinciale weg N 201 reed in de richting van de rijksweg A2. Getuige reed de uitrijstrook naar de rijksweg A2 op en werd op dat moment, terwijl hij ongeveer 70 km/u reed links ingehaald door de auto van verdachte die op de rijstrook voor rechtdoorgaand verkeer in de richting van Vinkeveen reed. Getuige zag dat het verkeerslicht voor rechtdoor in de richting zeker 5 seconden op rood stond op het moment dat verdachte door rood reed.

De verklaring van verdachte .

Verdachte heeft verklaard dat hij op 19 september 2006 in zijn auto over de Provinciale Weg N 210 reed in de richting van Vinkeveen en dat hij in zijn hoofd bezig was met een aantal dingen die hij die dag moest doen. Op het moment dat hij de kruising met de A2 naderde reed de auto voor hem het sorteervak voor rechtsaf op, deze auto had groen licht. Verdachte verklaart dat hij gewend is bij de verkeerslichten rechtsaf te slaan, maar dat hij op 19 september 2006 rechtdoor ging en dat hij vermoedelijk naar het verkeerslicht voor de rijstrook naar rechts heeft gekeken en dacht dat hij groen had. Op dat moment reed hij 80 tot 90 km/u en zag voor zich een auto uit tegenovergestelde richting optrekken om de toerit naar de A2 op te rijden. Op dat moment zag verdachte dat het voor hem bestemde verkeerslicht op rood stond en was hij het verkeerslicht al gepasseerd. Vervolgens is hij op de auto van het slachtoffer gebotst.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een zeer ernstig verkeersongeluk veroorzaakt waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit de verklaring van verdachte en verklaringen van getuigen blijkt dat verdachte met een aanzienlijke snelheid de kruising is opgereden en door rood is gereden. De rechtbank is van oordeel dat de snelheid van verdachte op het moment dat hij door rood reed, gelet op de verkeerssituatie ter plaatse en het feit dat verdachte daar bekend was, aanmerkelijk te hoog was.

Voorts blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij in zijn hoofd met andere dingen bezig was en zijn aandacht niet geheel bij het verkeer had.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het beroepsverleden van verdachte. Hoewel verdachte niet ter zitting is verschenen blijkt uit het dossier dat verdachte sinds hij zijn rijbewijs heeft, hij hiervan grotendeels afhankelijk is geweest voor wat betreft zijn werk. Verdachte had ten tijde van het ongeval zijn rijbewijs 6 jaar en was op dat moment werkzaam als vertegenwoordiger en was daaraan voorafgaand gedurende 4 jaar werkzaam als taxichauffeur;

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 7 februari 2008, waaruit blijkt dat de verdachte nooit eerder is veroordeeld. De rechtbank overweegt daarbij voorts dat verdachte, gelet op zijn beroepsverleden, een betrekkelijke geringe documentatie heeft op het gebied van verkeersdelicten.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het onder primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een werkstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis;

- ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid als na te melden passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die afwijkt van die door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte, gelet op zijn beroepsverleden, voor wat betreft zijn werk kennelijk afhankelijk is van zijn rijbewijs en dat een onvoorwaardelijke rijontzegging om die reden thans niet op zijn plaats is. De rechtbank is echter wel van oordeel dat nu aan verdachte geen onvoorwaardelijke rijontzegging zal worden opgelegd, een hogere werkstraf passend is.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het reeds vermelde wetsartikel zijn de op te leggen straffen voorts gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Veroordeelt de verdachte wegens het onder primair bewezen verklaarde feit voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.J.G. van Osta, M.J. Veldhuijzen en R.P.G.L.M. Verbunt , bijgestaan door G. van Engelenburg als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2008.