Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC8158

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
130571 / HA ZA 01-1025
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Renvooiprocedure, proceskosten of boedelschuld, arbitrageclausule. Toepasselijk recht op beroep op verrekening uit hoofde van rekening courant, verificatie in buitenlandse valuta, uitvoerbaar bij voorraad.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 122
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2008/179

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 130571 / HA ZA 01-1025

Vonnis van 2 april 2008

in de zaak van

de rechtspersoon naar Nigeriaans recht

LADGROUP LIMITED,

gevestigd en kantoorhoudende te Lagos (Nigeria),

eiseres tot verificatie,

verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,

procureur mr. P.J. Soede,

tegen

MR. B. TEN DOESSCHATE,

opvolger van mr. H. du Pon,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid G.W.L. Kersten & Co B.V., gevestigd te Baarn,

kantoorhoudende te Utrecht,

verweerder tot verificatie,

eiser in (voorwaardelijke) reconventie,

procureur mr. B. ten Doesschate.

Partijen zullen hierna Ladgroup en de curator genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 5 april 2006

- de conclusie van dupliek in de hoofdzaak tot verificatie, tevens conclusie van repliek in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak tot verificatie

- de conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak tot verificatie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

in conventie en (voorwaardelijke) reconventie

2.1. Ladgroup en de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid G.W.L. Kersten & Co B.V., hierna te noemen: de vennootschap, hebben meerdere contracten met elkaar gesloten met betrekking tot de levering van cacao. Op deze contracten hebben zij de zogenaamde Rules and Regulations van de Cocoa Association of London Limited (hierna te noemen: de CAL-Rules) van toepassing verklaard.

2.2. De CAL-Rules luiden - voor zover relevant - als volgt:

“(…)

14.5 Interest shall be payable on any sums which become due in respect of all contracts written under the rules and regulations of the Association, whether by debt or damages from the date on which such sums fall due to the date of payment, whether such payment is made before or after the commencement of proceedings.

(…)

21.2 All disputes shall be settled according to the law of England, whatever the domicile, residence or place of business of the parties to the contract may be or become. (…)

21.4 Any dispute arising out of or under contract shall be settled in London by arbitration in accordance with the rules and regulations of the Association. No party to any contract nor any person claiming through or under such party shall bring any action or other legal proceedings against the other party in respect of any such dispute until such dispute shall first have been heard and determined by the aribtrators or Board of Appeal; in accordance with the rules relating to arbitration in force on the date when arbitration is claimed. The obtaining of an award from the arbitrators or the Board of Appeal shall be a condition precedent to the right of any party to a contract or any person claiming through or under such party to bring any action or other legal proceedings against the other party in respect of any such dispute.

(…)”

2.3. Bij fax van 6 oktober 1994 (door de curator overgelegd als productie 1 bij de conclusie van antwoord in het eerste bevoegdheidsincident) heeft Ladgroup aan de vennootschap het volgende meegedeeld:

“ (…) We will not be able to pay £ 754,151.68 in two (2) years if we are to be competitive in buying locally. As a compromise we propose a repayment period of 3 years which will mean payment of £ 250,000 per year and assuming that at least we do 10,000 tons per season, that would mean additional discount of £ 25. (…)”

2.4. Bij fax van 27 februari 1996 (door de curator overlegd als productie 2a bij de conclusie van antwoord in het eerste bevoegdheidsincident) heeft de vennootschap - voor zover relevant - het volgende aan Ladgroup meegedeeld:

“ (…) In October 1993 you confirmed to us an outstanding debt amounting to

£ 1,059,000.00. On the 17th of August you conformed having decreased this debt to an amount of £ 754,151.68. Since then we have extended to you positive co-operation and assistance for the repayment of the debt, including a repayment scheme over a limited period. It was intended that this repayment scheme would remain in place only until such time as you had been able to repay the whole of your outstanding debt to us. (…)

We acknowledge the fact that a sum representing the value of 1,169 mton of cargo which was shipped under bills of lading 1 to 4 all dated Lagos, 6th January 1996 will be payable by us to you. This sum will probably be about £ 873,657.00 but the precise figure will not be known until after inspection results of quality and weight. The fact that this sum is owing to you means that you are now in a position to repay the whole of your outstanding debt to us.

We accordingly give you notice that we are now exercising our right to set off and deduct the amount of both the crystallised and the uncrystallised debt owing by you, in full satisfaction of your accumulated debt.

In addition to the aforementioned schedule we maintain our right under C.A.L. Market Rule 14.5 to claim interest on all debts and damages from the date on which such sums fall due to the date of payment. (…)”

2.5. Ladgroup heeft bij brief van 6 maart 1996 (door Ladgroup overgelegd als productie 6 sectie 4 nummer 63 bij de eerste incidentele conclusie tot onbevoegdheid) op de onder 2.4 bedoelde fax van de vennootschap gereageerd, en wel - voor zover relevant - als volgt:

“ (…) Specifically, in our letter of 17th August 1994 we set out various figures in respect of balances due on goods shipped and washouts on goods unshipped, resulting in the figure of 754,151.68PDS which you mention.(…) Agreement was subsequently reached with you that our outstanding liability on these contracts would be settled for the sum of 750,000PDS over a period of three years on the basis that you would be credited with 250,000PDS per season during the seasons 1994/95, 1995/96 and 1996/97 by means of a 25PDS per mt discount against goods shipped. In the event that less than 250,00PDS were credited to you in any season by this method, a credit of the balance of the 250,000PDS outstanding would become due to you at the end of the season in question. No interest was payable under this agreement. (…)”

2.6. Bij fax van 22 maart 1996 (door Ladgroup overgelegd als productie 6 sectie 4 nummer 72 bij de eerste incidentele conclusie tot onbevoegdheid) heeft de vennootschap op de brief van 6 maart 196 gereageerd. In deze fax deelt de vennootschap het volgende mee:

“(…) Whereas we agree there was an initial understanding that you would be paying back the outstanding debt of GBP 754,151.68 within a maximum period of 3 cocoa seasons, by way of a discount of GBP 25 per mton additional to prevailing contractprices, which would roughly mean contracts for 10,000 mtons per season, we must correct your statements because no agreement was reached on the following 4 items:

(…)

Interest not being payable on any of your debts. As a matter of fact our contracts, and agreements deriving form these contracts, have always been governed by the CAL rules and regulations, including Market Rule 14.5. (…)”

2.7. Bij vonnis van deze rechtbank van 5 juni 1996 is de vennootschap in staat van faillissement verklaard en mr. H. Du Pon benoemd tot curator.

2.8. Partijen hebben een tussen hen gerezen geschil met betrekking tot de zogenaamde levering “Mikolaj Rej” en “washout contracts” voorgelegd aan de arbiters van de CAL. De arbiters hebben vervolgens op 6 juni 2003 en 29 april 2004 vonnis gewezen. Partijen zijn van deze vonnissen in hoger beroep gegaan bij het Board of Appeal van de CAL.

2.9. Op 19 maart 2004 heeft het Board of Appeal in de zaak “Mikolaj Rej” geoordeeld dat de vennootschap aan Ladgroup een bedrag aan hoofdsom verschuldigd is van

£ 876,406.68, vermeerderd met rente en kosten. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen:

“The Buyer [de vennootschap; toevoeging rechtbank] contends that “set-off also consitutes (a form) of payment - that it is “consistent with the procedure as mentioned in CAL rule 15.7” and that it is “a custom of the trade”. The arbitrators unreservedly reject the view that a set-off is a custom of the trade. A set-off is acceptable only in the case where both parties have agreed and defined its terms and conditions. The Board of Appeal has not found such an agreement within the documents submitted by both parties. The Buyer refers to rule 15.7 of the Cal erroneously. (…)

The Buyer calls for the Board of Appeal to reconsider the award of interest “in the light of their liquidation under Dutch law and the current account balance more specific”. (…)

With regard to the “current account balance” the Board of Appeal notes that it is not part of the agreed contractual terms and cannot therefore constitute a mitigating or compensating factor for the calculation of interest. (..)”

2.10. Op 21 december 2004 heeft het Board of Appeal terzake van het geschil over de “washout contracts” geoordeeld dat de vennootschap aan Ladgroup een bedrag aan hoofdsom verschuldigd is van £ 537,243.77, vermeerderd met rente en kosten.

3. De vordering en het verweer

in conventie

3.1. De vordering van Ladgroup strekt tot verificatie van haar vordering in het faillissement van de vennootschap tot een bedrag van £ 1.445.629,04 en tot voorwaardelijke verificatie van een bedrag van £ 23.786,20 (onder de voorwaarde dat de curator dit bedrag niet als boedelschuld erkent), of de tegenwaarde van deze bedragen in Nederlands courant, alsmede tot betaling door de curator van de proceskosten.

3.2. De curator voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.3. In reconventie vordert de curator voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat de rechtbank van oordeel is dat de tegenvordering van de boedel zich niet leent voor verrekening, dat Ladgroup veroordeeld wordt tot betaling aan de vennootschap van een bedrag van EUR 681.264,00, alsmede veroordeeld wordt tot betaling van de proceskosten.

3.4. Ladgroup voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De vordering waarvan Ladgroup in deze procedure de verificatie vordert, bestaat uit de volgende onderdelen:

- op grond van de arbitrale vonnissen in de zaak Mikolaj Rej:

hoofdsom £ 876.406,68

rente tot 5 juni 1996 £ 17.288,02

kosten ‘arbitration award’ tot 5 juni 1996 £ 1.500,00

- op grond van de arbitrale vonnissen betreffende ‘washout contracts’:

hoofdsom £ 537.243,77

rente tot 5 juni 1996 £ 11.690,57

kosten ‘arbitration award’ tot 5 juni 1996 £ 1.500,00

- voorwaardelijk (onder de voorwaarde dat de curator de arbitrage- en hoger beroepskosten na faillietverklaring niet als boedelschuld aanmerkt): een bedrag van £ 23.786,20 aan arbitrage- en hoger beroepskosten.

4.2. In zijn conclusie van antwoord, tevens van eis in voorwaardelijke reconventie heeft de curator erkend dat de gevorderde hoofdsommen op grond van de arbitrale vonnissen geverifieerd dienen te worden. Bij conclusie van dupliek, tevens van repliek in voorwaardelijke reconventie heeft de curator voorts de verifieerbaarheid van de opgevoerde bedragen aan rente erkend. De vordering is in ieder geval in zoverre toewijsbaar.

4.3. Bij voormelde conclusie heeft de curator de vordering terzake van de arbitrage- en hoger beroepskosten na faillietverklaring als boedelschuld erkend, waarna Ladgroup de vordering terzake (bij conclusie van repliek, tevens van antwoord in reconventie) heeft ingetrokken. Op de vordering behoeft dan ook in zoverre niet meer te worden beslist.

4.4. De curator heeft wel (eveneens in voormelde conclusie van antwoord) de opgenomen bedragen aan ‘arbitration award’ betwist, met de stelling dat aangenomen moet worden dat deze bedragen inbegrepen zijn in de proceskostenveroordeling die de arbiters in hun arbitrale vonnissen hebben uitgesproken. Uit hetgeen onder punt 17 van de akte tot het formuleren van een eis tot verificatie door Ladgroup is gesteld, volgt dat Ladgroup dezelfde mening is toegedaan. Het bedrag van £ 3.000,00 is door haar immers in mindering gebracht op de totale bedragen aan arbitragekosten die op grond van de arbitrale vonnissen voor rekening van de curator zijn. Ladgroup heeft dit bedrag separaat opgevoerd, zo begrijpt de rechtbank, aangezien alleen arbitrage- en hoger beroepskosten die na faillietverklaring zijn gemaakt, als boedelschuld kunnen worden beschouwd, en vorenbedoelde £ 3.000,-- vóór faillissement door haar aan de arbiters is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de verplichting van de curator om de proceskosten van Ladgroup te voldoen, waaronder deze

£ 3.000,--, pas ontstaan na faillissement, namelijk vanaf de data van de betreffende arbitrale vonnissen. Deze data zijn gelegen ruim na faillissement, zodat de hier bedoelde £ 3.000,-- aangemerkt dient te worden als een boedelschuld en de vordering zich in zoverre derhalve niet leent voor verificatie.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van Ladgroup in het faillissement van de vennootschap in beginsel geverifieerd kan worden tot een bedrag van £ 1.442.629,04.

4.6. De curator heeft zich evenwel terzake van deze vordering beroepen op verrekening met een door hem gestelde tegenvordering van de vennootschap op Ladgroup ten bedrage van EUR 681.264,-- als tegenwaarde in euro’s van het bedrag van £ 566.852,08. De rechtbank begrijpt dat deze tegenvordering is gebaseerd op de erkenning door Ladgroup van de verschuldigdheid van het bedrag van £ 754.151,68 aan de vennootschap in haar brief van 6 oktober 1994, verminderd met de betalingen op dit bedrag door Ladgroup middels door deze verstrekte kortingen. Volgens de curator vloeit dit erkende bedrag voort uit een tussen partijen bestaande rekening-courantverhouding. Subsidiair heeft de curator zijn tegenvordering gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking.

4.7. Voordat aan een inhoudelijke beoordeling van het bestaan van deze tegenvordering kan worden toegekomen, moet - in het licht van het internationale karakter van deze tegenvordering (Ladgroup is een vennootschap naar Nigeriaans recht) - beoordeeld worden welk recht van toepassing is op de vraag of verrekening in het onderhavige geval rechtens toegestaan is.

4.8. De bepaling van het toepasselijke recht dient plaats te vinden aan de hand van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO-verdrag), nu Nederland bij dit verdrag partij is en de vordering betrekking heeft op door het verdrag bestreken onderwerpen. Ingevolge artikel 10 beheerst het recht dat ingevolge de artikelen 3 tot en met 6 en artikel 12 van het verdrag op de overeenkomst toepasselijk is onder meer de verschillende wijzen waarop verbintenissen tenietgaan. Verrekening vormt een vorm van voldoening van een verbintenis en is derhalve aan te merken als een wijze waarop een verbintenis tenietgaat. Het op de (toelaatbaarheid van) verrekening toepasselijke recht wordt derhalve bepaald door het recht dat van toepassing is op de (verbintenissen uit de) overeenkomst ten aanzien waarvan een beroep op verrekening is gedaan. Het onderhavige beroep op verrekening is door de curator gedaan met betrekking tot de in de arbitrage aan de orde gestelde overeenkomsten waarvan vaststaat dat daarop de door partijen gemaakte rechtskeuze (voor toepasselijkheid van de zogenaamde CAL Rules and Regulations (hierna: de CAL Rules) en - op grond van artikel 21.2 van deze CAL Rules - Engels recht) van toepassing is. Het bepaalde in artikel 3 van het EVO-verdrag brengt mee dat een dergelijke rechtskeuze wordt gerespecteerd. De conclusie van het voorgaande is dat op de vraag of in het onderhavige geval verrekening is toegestaan, de CAL Rules en Engels recht van toepassing zijn.

4.9. De arbiters hebben in hun uitspraak in hoger beroep een oordeel gegeven over het door de curator in de arbitrageprocedure gedane beroep op verrekening, en daarbij toepassing gegeven aan de CAL Rules en Engels recht. Anders dan de curator meent, hebben de arbiters deze mogelijkheid niet afgewezen, omdat een beroep op verrekening terzake van de aan de orde zijnde overeenkomsten niet mogelijk was, maar omdat verrekening alleen aanvaardbaar is, indien partijen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden waaronder verrekening zou kunnen plaatsvinden (zie onder 2.9). De arbiters hebben een dergelijke overeenstemming niet aangetroffen in de overgelegde stukken.

De curator heeft weliswaar gesteld dat het in de arbitrageprocedure gedane beroep op verrekening zag op een andere tegenvordering dan de onderhavige, maar hij heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. In het licht van het feit dat hij dat beroep tot verrekening zelf heeft gedaan, mocht worden verwacht dat hij nader zou aangeven op welke wijze en in welke mate het in de arbitrageprocedure gedane beroep op verrekening afweek van het in deze procedure gedane beroep op verrekening. Het oordeel van de arbiters (waaronder die over het verrekeningsberoep van de curator) is op grond van de CAL Rules bindend voor partijen, zodat tussen partijen vaststaat dat de curator geen beroep op verrekening toekomt. Het beroep op verrekening dient dan ook te worden afgewezen.

4.10. Ladgroup vordert primair verificatie van haar vordering in Engelse ponden, en subsidiair in euro’s. Zij stelt dat zij aan artikel 6:123 BW het recht kan ontlenen om een geldvordering in buitenlandse valuta toegewezen te krijgen. De rechtbank volgt Ladgroup niet in dit betoog. Voormelde bepaling ziet immers op rechtsvorderingen tot verkrijging van een geldsom, en niet op (zoals het onderhavige geval) een vordering tot verificatie. Een vordering tot verificatie kan daarmee ook niet gelijkgesteld worden, omdat het daarbij gaat om de vaststelling van de hoogte van een vordering op een specifiek moment: namelijk op de datum van het faillissement. Ten behoeve van een correcte afwikkeling van het faillissement is het noodzakelijk dat volstrekte duidelijkheid bestaat over de omvang van deze vordering. Verificatie van een bedrag in buitenlandse valuta brengt die duidelijkheid niet vanwege de mogelijke koersverschillen met de euro. De rechtbank zal de vordering tot verificatie dan ook toewijzen in euro’s tegen de koers van de Engelse pond die gold op de datum van het faillissement van de vennootschap. Zoals de curator onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft gesteld, was de koers op de faillissementsdatum £ 1,00 = NLG 2,6485, zodat (uitgaande van NLG 2,20371 = EUR 1,00) de vordering van Ladgroup verifieerbaar is in het faillissement van de vennootschap tot een bedrag van

EUR 1.733.804,82.

4.11. Een vonnis strekkende tot verificatie van een vordering in een faillissement van een vennootschap is een declaratoir vonnis, en kan derhalve niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De vordering zal dan ook in zoverre worden afgewezen.

4.12. De curator zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ladgroup worden begroot op:

- dagvaarding EUR 0,00

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 181,51

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.130,00 (2,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.311,51

in (voorwaardelijke) reconventie

4.13. De rechtbank heeft in conventie het beroep op verrekening van de curator niet gehonoreerd, zodat de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld is vervuld.

4.14. De curator baseert zijn tegenvordering - zoals gezegd - primair op de erkenning door Ladgroup van de verschuldigdheid van het bedrag van £ 754.151,68 als resultante van de over en weer bestaande vorderingen uit hoofde van de rekening-courantverhouding, en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking.

De primaire grondslag

4.15. Voordat aan een inhoudelijke beoordeling van het bestaan van de tegenvordering kan worden toegekomen, moet - in het licht van het internationale karakter van deze tegenvordering (Ladgroup is zijn vennootschap naar Nigeriaans recht) - beoordeeld worden welk recht van toepassing is op de (primaire grondslag van) deze tegenvordering.

4.16. De bepaling van het toepasselijke recht dient plaats te vinden aan de hand van het EVO-verdrag, nu Nederland bij dit verdrag partij is en de vordering betrekking heeft op door het verdrag bestreken onderwerpen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de omstandigheden van het onderhavige geval in voldoende mate dat partijen ook terzake van het bestaan van de onderhavige vordering voor zover deze is gebaseerd op een schuldig erkend bedrag uit hoofde van een rekening-courantverhouding, een rechtskeuze hebben gedaan overeenkomstig artikel 3 van het verdrag, en wel voor toepasselijkheid van de CAL Rules en Engels recht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.17. De rechtbank stelt voorop dat de CAL Rules op zichzelf niet uitsluiten dat geschillen die niet rechtstreeks zijn gebaseerd op contracten waarop de CAL Rules expliciet van toepassing zijn verklaard, maar die uit dergelijke contracten voortkomen, onder de werking van de CAL Rules vallen. De rechtbank wijst in dit verband op de formulering in artikel 21.4: “dispute arising out of or under contract”.

4.18. Uit de overgelegde correspondentie moet ook worden afgeleid dat partijen hebben beoogd de rechtskeuze voor de CAL Rules en Engels recht ook te doen uitstrekken over afspraken die voortkomen uit de contracten waarin de rechtskeuze expliciet is gemaakt, waaronder de door de curator gestelde afspraak tot betaling door Ladgroup van de erkende schuld van £ 754.151,68 uit hoofde van een rekening-courantverhouding. In de fax van 27 februari 1996 heeft de vennootschap in het kader van de correspondentie tussen partijen over een uitstaande schuld van Ladgroup van £ 754.151,68 tegenover Ladgroup aangegeven dat zij op grond van artikel 14.5 van de CAL Rules recht heeft op rente op alle schulden en schade. In haar fax van 20 maart 1996 heeft de vennootschap ten aanzien van dezelfde kwestie aangegeven dat de tussen partijen gesloten contracten en afspraken die uit de contracten zouden voortkomen, altijd geregeerd zouden worden door de CAL Rules waaronder artikel 14.5 van de CAL Rules. Nu voormelde correspondentie werd gevoerd in het kader van een discussie over de door Ladgroup erkende schuld van £ 754.151,68, moet de conclusie zijn dat de vennootschap daarmee heeft aangegeven deze schuld te zien als een dergelijke uit de contracten voortvloeiende overeenkomst die viel onder de toepasselijkheid van de CAL- Rules. Ladgroup heeft gesteld dat zij deze schuld ook altijd heeft beschouwd als een onderdeel van de tussen partijen gesloten contracten en er daarmee tevens vanuit is gegaan dat daarop de CAL Rules van toepassing zouden zijn.

4.19. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat de rechtskeuze voor de CAL Rules en Engels recht zich ook uitstrekt over afspraken die voortkomen uit de contracten waarin de rechtskeuze expliciet is gemaakt, waaronder moet worden begrepen de door de curator gestelde afspraak tot betaling door Ladgroup van de erkende schuld van

£ 754.151,68 uit hoofde van een rekening-courantverhouding.

4.20. Ook over het bestaan van een rekening-courantverhouding tussen partijen hebben de arbiters zich uitgesproken en geoordeeld dat daarvan geen sprake is geweest. Dit oordeel betreft - blijkens de inhoud van het vonnis in hoger beroep - evenwel niet een oordeel over het bestaan van een vordering uit hoofde van een rekening-courantverhouding, maar over de (bij wijze van verweer opgeworpen) vraag of het bestaan van een dergelijke vordering gevolgen kan hebben voor de rente die verschuldigd is door de vennootschap uit hoofde van de overeenkomsten die onderwerp waren van de arbitrageprocedure. In zoverre komt aan dat oordeel geen bindende kracht toe in het kader van de beoordeling door de rechtbank van de reconventionele vordering.

4.21. De curator heeft zijn vordering primair gebaseerd op de erkenning van de verschuldigdheid van het bedrag van £ 754.151,68. Daarbij stelt hij zich op het standpunt dat dit voortvloeit uit een rekening-courantverhouding die tussen partijen heeft bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de toewijsbaarheid van de vordering van de curator echter niet van doorslaggevende betekenis of er een rekening-courantverhouding tussen partijen bestaat dan wel heeft bestaan, maar of er een rechtsverhouding bestaat (of heeft bestaan) tussen partijen op grond waarvan Ladgroup het gevorderde bedrag aan de vennootschap verschuldigd is.

4.22. Ook indien zou komen vast te staan dat een dergelijke rekening-courantverhouding niet heeft bestaan, betekent dit, anders dan Ladgroup meent, evenmin dat de rechtbank niet meer bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Het vonnis in incident van 5 april 2005 rechtvaardigt een dergelijke conclusie in ieder geval niet. In dat vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbiters niet bevoegd zijn om van geschillen met betrekking tot de vaststelling van het saldo van een rekening-courantverhouding kennis te nemen. Met een dergelijke situatie is gelijk te stellen het geval waarin een vordering weliswaar niet voorkomt uit een rekening-courantverhouding in strikt formele zin (omdat niet is voldaan aan de eis dat over en weer op regelmatige basis vorderingen automatisch - zonder aparte verrekeningsverklaring - met elkaar werden verrekend en administratief werden bijgehouden), maar uit een op enig moment erkend saldo van over weer bestaande schulden en vorderingen.

Overigens zijn de arbiters van de CAL op grond van artikel 21.4 van de CAL Rules ook pas exclusief bevoegd, indien sprake is van een “dispute” tussen partijen. De reconventionele vordering is (primair) gebaseerd op de erkenning door Ladgroup bij brief van 6 oktober 1994 van de verschuldigdheid van het saldo van over en weer bestaande schulden en vorderingen tot een bedrag van £ 754.151,68. Niet gesteld of gebleken is dat Ladgroup deze verschuldigdheid in de daarop volgende correspondentie tot het moment van het instellen van de huidige reconventionele vordering ter discussie heeft gesteld. Daarmee is onvoldoende komen vast te staan dat op het moment van het instellen van de vordering in reconventie sprake was van een “dispute” in voormelde zin.

4.23. Een rechtsverhouding als bedoeld onder 4.21 op grond waarvan Ladgroup het door de curator gevorderde bedrag verschuldigd is, is aanwezig. Uit de brief van 6 oktober 1994 van Ladgroup kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat zij daarmee een bedrag van £ 754.151,68 heeft verklaard schuldig te zijn aan de vennootschap. Naar Engels recht is een persoon die aan een ander verklaart een bedrag schuldig te zijn, in beginsel gehouden dit bedrag aan die ander te betalen.

4.24. Ladgroup verweert zich - zo begrijpt de rechtbank - met de stelling dat deze vordering thans niet opeisbaar is, omdat partijen zijn overeengekomen dat Ladgroup dat bedrag zou mogen betalen door toepassing van een korting op door de vennootschap bij haar geplaatste bestellingen. Zij baseert zich daarvoor op het vervolg van haar brief van 6 oktober 1994. De curator meent dat deze brief niet de gevolgtrekking wettigt die Ladgroup daaruit maakt, althans dat deze uitleg naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is aangezien het faillissement een onvoorziene omstandigheid vormt.

4.25. De rechtbank constateert dat Ladgroup in haar brief van 6 oktober 1994 voorstelt het bedrag van £ 754.151,68 te betalen binnen een periode van drie jaar, derhalve

£ 250.000,-- per jaar, en - uitgaande van tenminste 10.000 ton aan bestellingen cacao door de vennootschap per seizoen - in de vorm van een korting van £ 25,-- per ton geleverde cacao. Uit de brief van 27 februari 1996 moet, in combinatie met de brief van 22 maart 1996, worden afgeleid dat de vennootschap dit voorstel van Ladgroup heeft geaccepteerd. Overigens blijkt dit ook reeds uit het feit dat - zoals Ladgroup heeft gesteld en de curator onvoldoende gemotiveerd heeft betwist - uitvoering aan deze afspraak is gegeven door het daadwerkelijk verlenen van deze korting door Ladgroup op sindsdien door de vennootschap bij haar geplaatste bestellingen.

4.26. De brief van 6 oktober 1994 van Ladgroup bevat evenwel geen afspraak tussen partijen over wat tussen hen zou gelden in de situatie waarin in een bepaald seizoen het uitgangspunt van £ 250.000,-- aan bestellingen niet zou worden gehaald. Bij brief van 6 maart 1996 heeft Ladgroup gereageerd op voormelde brief van de vennootschap van 27 februari 1996 en heeft zij het ‘statement of account’ toegezonden dat de curator als productie 2c bij conclusie van antwoord in het eerste incident heeft overgelegd. In deze brief heeft Ladgroup wel aangegeven wat in een dergelijk geval zou gelden, namelijk dat het in het seizoen nog uitstaande deel van de bedoelde £ 250.000,-- alsdan verschuldigd zou zijn tegen het einde van het betreffende seizoen. Deze brief lijkt de juistheid van de stelling van Ladgroup dat de betalingsafspraak aan de opeisbaarheid van de vordering van de curator in de weg staat, te ondergraven. Echter, geen van partijen heeft zich op deze brief beroepen. Teneinde een verrassingsbeslissing te voorkomen, zal de rechtbank beide partijen in de gelegenheid stellen zich over de betekenis van deze brief uit te laten.

4.27. Indien de rechtbank na vorenbedoelde aktewisseling van oordeel zou zijn, dat de vordering van de curator wel opeisbaar is, zal zij moeten beoordelen of de curator alle kortingen die Ladgroup aan de vennootschap op grond van voormelde betalingsafspraak heeft verstrekt, in mindering heeft gebracht op het door hem gevorderde bedrag. Ladgroup heeft zulks bij conclusie van dupliek in reconventie voldoende gemotiveerd betwist. De curator heeft zich daarover nog niet kunnen uitlaten. De rechtbank zal de curator daartoe alsnog in de gelegenheid stellen.

4.28. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de zaak in reconventie naar de rol zal verwijzen voor het nemen van een akte door Ladgroup over de betekenis van de brief van 6 maart 1996 voor de opeisbaarheid van de vordering van de curator.

4.29. Vervolgens zal de curator in de gelegenheid gesteld worden om bij antwoordakte op deze akte van Ladgroup te reageren, alsmede om te reageren op de door Ladgroup in haar conclusie van dupliek in reconventie ingenomen stelling dat hij heeft nagelaten alle kortingen die Ladgroup aan de vennootschap op grond van voormelde betalingsafspraak heeft verstrekt, in mindering te brengen op het gevorderde bedrag.

4.30. De rechtbank wijst er nadrukkelijk op dat partijen zich in hun aktes dienen te beperken tot het onderwerp waarover zij een akte mogen nemen. Indien zij daar buiten treden, zal de rechtbank dat deel van de akte buiten beschouwing laten.

4.31. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. erkent de vordering van Ladgroup in het faillissement van de vennootschap tot een bedrag van EUR 1.733.804,82,

5.2. veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van Ladgroup tot op heden begroot op EUR 1.311,51,

5.3. verklaart onderdeel 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde,

in (voorwaardelijke) reconventie

5.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 mei 2008 voor het nemen van een akte door Ladgroup over hetgeen is vermeld onder 4.26,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2008.

w.g. griffier w.g. rechter?