Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC8153

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
204765 / HA ZA 05-2456 + 204766/ HA ZA 05-2457 + 204767/ HA ZA 05-2458
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kredietovereenkomst voor investeren in termijnhandel tulpenbollen. Zorgplicht bank. Causaal verband.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2008/166
RF 2008, 82
JE 2008, 265
JOR 2008/166

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Vonnis van 2 april 2008

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 204765 / HA ZA 05-2456 van

de naamloze vennootschap

HOLLANDSCHE BANK-UNIE N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.M. van Noort,

tegen

[gedaagde rolnr 204765],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. M.P. Hilhorst,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 204766 / HA ZA 05-2457 van

de naamloze vennootschap

HOLLANDSCHE BANK-UNIE N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.M. van Noort,

tegen

[gedaagde rolnr 204766],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. M.P. Hilhorst.

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 204767 / HA ZA 05-2458 van

de naamloze vennootschap

HOLLANDSCHE BANK-UNIE N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.M. van Noort,

tegen

[gedaagde rolnr 204767],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. M.P. Hilhorst.

Partijen zullen hierna HBU, [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] worden genoemd.

1. De procedures in alle zaken

1.1. Het verloop van de procedures blijkt uit:

- de dagvaardingen van 8 november 2005;

- de conclusies van antwoord in conventie, eis in voorwaardelijke reconventie;

- de conclusies van repliek in conventie, antwoord in voorwaardelijke reconventie;

- de conclusies van dupliek in conventie, akte verzoek en incidentele conclusie ex atikel 843a Rv in conventie, repliek en akte vermeerdering eis in deels voorwaardelijke reconventie;

- de conclusies van dupliek in voorwaardelijke reconventie, tevens houdende antwoordakte in het schorsingsincident, tevens houdende conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv;

- producties 18 tot en met 39 aan de zijde van gedaagden, overgelegd bij brief van 17 september 2007;

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is in alle zaken vonnis bepaald.

2. De feiten in alle zaken

2.1. Het beleggingsfonds NovaCap Floralis Termijnfonds 2004 C.V. (hierna: “het Fonds”) belegde in vorderingen uit de termijnhandel in nieuwe tulpenbollenrassen. Het Fonds stond onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (verder: “de AFM”). Het Fonds beschikte over een prospectus voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, afgegeven door het accountantskantoor Deloitte & Touche. De vorderingen waarin het Fonds belegde liepen via Sierteelt Bemiddelingscentrum B.V. (hierna: “SBC”) en de aan deze onderneming gelieerde Stichting derdengelden SBC. SBC trad in dat kader op als bemiddelaar tussen kopers en verkopers van tulpenbollen. De koopprijs van in de loop van een jaar gekochte bollen moest voor een bepaalde datum, in casu 31 oktober van een jaar, aan de Stichting derdengelden SBC worden betaald. Deze Stichting diende vervolgens op 12 november van hetzelfde jaar de koopprijs door te betalen aan de verkoper van de bollen. Uitgangspunt daarbij was dat deze doorbetaling aan de verkopende partij uitsluitend zou geschieden in de situatie dat de daartegenover staande koopprijs door de kopende wederpartij(en) daadwerkelijk was voldaan (het zogenaamde “één op één systeem”). Het verschil tussen de aan- en verkoopprijs van de tulpenbollen zou via een salderingsysteem ten goede komen aan de handelaren in die bollen, in het onderhavige geval het Fonds. De participanten in het Fonds zouden vervolgens de met deze termijnhandel te behalen winsten uitgekeerd krijgen.

2.2. HBU heeft krediet verstrekt aan particulieren en branchepartijen om in het Fonds te participeren. De beoordeling en beslissing tot het verstrekken van krediet vond op individuele basis plaats.

2.3. HBU heeft aan [gedaagde rolnr 204765] bij kredietovereenkomst van 4 juni 2003, krediet in rekening- courant verstrekt ter hoogte van EUR 222.969,88. Op de overeenkomst zijn de algemene bankvoorwaarden van HBU van toepassing. Het krediet van EUR 222.969,88 is door HBU aan [gedaagde rolnr 204765] verstrekt om met dat bedrag te kunnen participeren in het fonds, hetgeen [gedaagde rolnr 204765] ook heeft gedaan. Bij brieven 27 april 2005 en 23 september 2005 is het bedrag door HBU tegen 30 september 2005 opgeëist.

2.4. HBU heeft aan [gedaagde rolnr 204766] bij kredietovereenkomst van 4 juni 2003, krediet in rekening- courant verstrekt ter hoogte van EUR 955.988,59. Op de overeenkomst zijn de algemene bankvoorwaarden van HBU van toepassing. Het krediet van EUR 955.988,59 is door HBU aan Klinstra verstrekt om met dat bedrag te kunnen participeren in het fonds, hetgeen [gedaagde rolnr 204766] ook heeft gedaan. Bij brieven 27 april 2005 en 23 september 2005 is het bedrag door HBU tegen 30 september 2005 opgeëist.

2.5. HBU heeft aan [gedaagde rolnr 204767] bij kredietovereenkomst van 5 juni 2003, krediet in rekening- courant verstrekt ter hoogte van EUR 242.880,34. Op de overeenkomst zijn de algemene bankvoorwaarden van HBU van toepassing. Het krediet van EUR 242.880,34 is door HBU aan [gedaagde rolnr 204767] verstrekt om met dat bedrag te kunnen participeren in het fonds, hetgeen [gedaagde rolnr 204767] ook heeft gedaan. Bij brieven 27 april 2005 en 23 september 2005 is het bedrag door HBU tegen 30 september 2005 opgeëist.

2.6. SBC is op 3 december 2003 in staat van faillissement verklaard. In 2006 is het Fonds in staat van faillissement komen te verkeren.

2.7. HBU heeft tot verhaal van haar vorderingen uit hoofde van de respectievelijke kredietovereenkomsten, na daartoe verkregen verlof op 26 oktober 2005, ten laste van [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] conservatoir beslag doen leggen.

3. Het geschil

Vorderingen HBU in conventie

in de zaak met zaak/rolnummer 204765 / HA ZA 05-2456

3.1. HBU vordert - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [gedaagde rolnr 204765] tot betaling van EUR 222.969,88, vermeerderd met de overeengekomen rente van 5,5% per jaar vanaf 7 oktober 2005 tot aan de dag van algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde rolnr 204765] in de kosten van de procedure, de beslagkosten daaronder begrepen.

3.2. [gedaagde rolnr 204765] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak met zaak/rolnummer 204766 / HA ZA 05-2457

3.3. HBU vordert - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [gedaagde rolnr 204766] tot betaling van EUR 955.988,59, vermeerderd met de overeengekomen rente van 5,5% per jaar vanaf 7 oktober 2005 tot aan de dag van algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde rolnr 204766] in de kosten van de procedure, de beslagkosten daaronder begrepen.

3.4. [gedaagde rolnr 204766] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak met zaak/rolnummer 204767 / HA ZA 05-2458

3.5. HBU vordert - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [gedaagde rolnr 204767] tot betaling van EUR 242.880,34, vermeerderd met de overeengekomen rente van 5,5% per jaar vanaf 7 oktober 2005 tot aan de dag van algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde rolnr 204767] in de kosten van de procedure, de beslagkosten daaronder begrepen.

3.6. [gedaagde rolnr 204767] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Incidentele vorderingen [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] in conventie

3.7. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] hebben ieder voor zich twee incidentele vorderingen ingesteld, inhoudende:

1. de procedures te schorsen in afwachting van een vonnis in een procedure, die loopt bij de rechtbank te Amsterdam tegen onder andere HBU en waarin [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] een verzoek tot voeging hebben gedaan;

2. met het oog op het bepaalde in artikel 843a Rv HBU te veroordelen tot het verstrekken van inzage in/afschrift van de in de procedure met rekestnummer R06/11 bij het Hof ’s-Gravenhage aan de orde zijnde en op hen betrekking hebbende gegevens.

3.8. Tegen deze incidentele vorderingen heeft HBU verweer gevoerd. Op de door partijen ingenomen stellingen met betrekking tot de incidentele vorderingen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Vorderingen [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] in (voorwaardelijke) reconventie

3.9. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] vorderen ieder voor zich, na vermeerdering van eis en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. HBU te veroordelen om aan hen te voldoen het bedrag van betreffende kredietverlening, vermeerderd met de betaalde rente en kosten en verminderd met hetgeen in conventie mocht worden afgewezen;

2. veroordeling van HBU in de proceskosten, waaronder begrepen die van de door HBU gelegde beslagen en het nasalaris van de procureur van EUR 131,- indien betekening van het vonnis achterwege blijft en van EUR 199,- indien het vonnis wel wordt betekend.

3.10. HBU voert verweer. Op de stellingen van partijen in reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en reconventie in alle zaken en van de incidentele vorderingen

Incidentele vorderingen

De vordering tot schorsing

4.1. Bij pleidooi hebben [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] hun respectievelijke vorderingen tot schorsing van de procedure ingetrokken. Met het oog hierop verstaat de rechtbank dat zij op het verzoek tot schorsing in alle drie de zaken niet hoeft te beslissen.

De vordering ex artikel 843a Rv

4.2. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] vorderen op grond van artikel 843a Rv inzage in de omstandigheden waaronder en de wijze waarop HBU haar beslissingen heeft genomen om aan hen krediet te verschaffen. Zij verwijzen ter onderbouwing van deze vordering naar de procedure bij het gerechtshof ‘s-Gravenhage waarin andere participanten op grond van artikel 843a Rv inzage in deze gegevens van HBU hebben gevorderd en verkregen. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] stellen dat hun positie, belang en het soort gegevens waarin zij inzage wensen te verkrijgen gelijk is.

4.3. HBU voert verweer en wijst er op dat de vordering niet voldoet aan de eisen van artikel 843a Rv. Zo ontbreekt er een toelichting op het rechtmatig belang bij toewijzing, evenmin is inzichtelijk gemaakt om welke gegevens het gaat en op grond van welke rechtsbetrekking inzage/afschrift wordt gevorderd. HBU wijst er voorts op dat uit de toelichting bij artikel 843a Rv blijkt dat de in het artikel geformuleerde waarborgen en vereisten juist bedoeld zijn om een algemene exhibitieplicht uit te sluiten. Het artikel is, aldus HBU, uitdrukkelijk beperkt tot het individueel bepaalbare geval. Pas als aan elk van de in het artikel genoemde voorwaarden is voldaan kan aan toewijzing van de vordering worden toegekomen. Het ontbreken hiervan staat aldus HBU reeds aan toewijzing van de vordering in de weg.

Subsidiair wijst HBU op lid 4 van artikel 843a Rv waarin is bepaald dat onderzocht moet worden of de gevraagde bescheiden ook op een andere wijze kunnen worden verkregen, of de bescheiden voor het nemen van een beslissing relevant zijn en of een partij een onredelijk nadeel lijdt indien dat bepaalde stuk in de procedure niet als bewijsmiddel beschikbaar komt. Enkel interesse van een partij in de gegevens is onvoldoende.

4.4. Met HBU is de rechtbank van oordeel dat de vordering niet kan worden toegewezen. Artikel 843a lid 1 Rv geeft expliciet aan waar een vordering op grond van dit artikel aan dient te voldoen. Hieraan is door [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] niet voldaan. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] hebben niet aangegeven in welke bescheiden zij inzage wensen, evenmin is duidelijk op welke rechtsbetrekking zij hun vordering baseren of wat het belang is dat zij hebben bij inzage in deze gegevens. Het enkel verwijzen naar een bij een andere instantie lopende procedure van andere participanten in het Fonds is onvoldoende. Dit geldt te meer nu door HBU onbetwist is gesteld dat de (financiële) achtergrond van de diverse participanten in het Fonds verschillend was en dat haar beoordeling op individuele basis plaatsvond. Aan een belangenafweging in de zin van lid 4 van artikel 843a Rv komt de rechtbank gelet op het vorenstaande dan ook niet toe.

4.5. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen en ieder voor zich, in de kosten van het incident ex artikel 843a Rv worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HBU worden per zaak begroot op EUR 452,00 (1,0 punt x tarief EUR 452,00).

Vorderingen in conventie

Inleiding

4.6. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] hebben gezamenlijk verweer gevoerd tegen de door HBU (afzonderlijk tegen hen) ingestelde vorderingen. De door hen ingenomen stellingen in conventie zijn gelijkluidend. Met het oog hierop zal de rechtbank de vorderingen in conventie in alle zaken alsmede de daaraan door HBU ten grondslag gelegde stellingen en het door [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] daartegen gevoerde verweer, gezamenlijk beoordelen.

Stellingen partijen

4.7. HBU stelt - sterk samengevat - dat zij aan [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] een krediet heeft verstrekt waarmee door betrokkenen participaties zijn aangekocht in het Fonds. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] zijn via SBC bij HBU geïntroduceerd voor het verkrijgen van dat krediet. Zij waren, aldus HBU, al actief als beleggers in de termijnhandel in (nieuwe) tulpenbollenrassen. Voorafgaand aan de kredietverlening is door HBU de vermogenspositie van ieder van hen onderzocht en beoordeeld. Hierbij is onder andere gekeken naar de hoogte van het inkomen, de waarde van de in bezit zijnde onroerende zaken en overige vermogensbestanddelen, waaronder beleggingen. Voorts heeft HBU nog zekerheden bedongen in de vorm van een pandrecht op de met het krediet te verwerven participaties in het Fonds alsmede een pandrecht op de door [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] reeds verworven positieve posities bij SBC. Op grond van het vorenstaande stelt HBU dat de kredietovereenkomsten op zorgvuldige wijze en in overeenstemming met de bancaire zorgplicht tot stand zijn gekomen.

4.8. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] voeren als verweer onder meer aan dat de overeenkomst tot kredietverlening geplaatst moet worden in het kader van een vermogensbeheerrelatie. HBU heeft niet voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van een dergelijke relatie. Zo heeft HBU geen beleggingsprofiel van hen opgesteld, geen toezicht gehouden op de verpande saldi bij SBC en de Stichting Derdengelden SBC, heeft HBU hen niet gewaarschuwd dan wel geïnformeerd dat het een risicovol beleggingsproduct betrof en is door HBU zonder deugdelijk financieel onderzoek krediet verstrekt aan de participanten, waaronder [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767]. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] wijzen er voorts op dat er sprake was van belangenverstrengeling tussen HBU en het Fonds. Zo was een ex-werknemer van HBU bij het Fonds werkzaam, betaalde HBU provisie aan het Fonds voor het aanbrengen van kredietnemers/participanten en zouden bestuurders van het Fonds (hoge) posities bij ABN-AMRO, de aandeelhouder van HBU, hebben. De conclusie is dat de vordering van HBU dient te worden afgewezen primair op grond van de stelling dat HBU met het verschaffen van krediet in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen als bedoeld in artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden en meer in het bijzonder in strijd met de bancaire zorgplicht. Subsidiair moeten de vorderingen worden afgewezen omdat HBU in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid. Het opeisen van de kredieten zal namelijk leiden tot ruïnering en/of faillissement van [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767].

Zorgplicht

4.9. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of HBU ten aanzien van de gesloten kredietovereenkomsten een op haar rustende, jegens [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] in acht te nemen bancaire zorgplicht heeft geschonden. Voorop gesteld kan worden dat uit de jurisprudentie rond de bancaire zorgplicht is af te leiden dat op een bank jegens een particuliere cliënt een (bijzondere) zorgplicht rust. Deze zorgplicht vloeit voort uit de bijzondere maatschappelijke functie van banken. De reikwijdte van de zorgplicht wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van overeenkomst alsmede de mate van deskundigheid van een cliënt.

4.10. Als omstandigheden die in de onderhavige zaken mede van invloed zijn op de reikwijdte van de zorgplicht van HBU jegens [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] zijn - sterk samengevat - de volgende te noemen. HBU wenste, zoals zij het zelf omschrijft, vaste grond te krijgen in de actieve internationale markt van de handel in tulpenbollen. Met dat doel heeft HBU zich actief opgesteld in het verstrekken van leningen aan particulieren en branchepartijen, met welke leningen deze partijen konden participeren in het Fonds. HBU heeft (naar eigen zeggen) op deze wijze in het totaal 58% van de investeringen in het Fonds gefinancierd. Tot meerdere zekerheid van terugbetaling van de verstrekte kredieten bedong HBU per investeerder een pandrecht op de door die investeerder te verkrijgen participaties in het Fonds.

4.11. Bovenstaande omstandigheden in samenhang bezien brengen mee dat HBU wist (en dat ook als doel stelde) dat de door haar verstrekte kredieten door de kredietnemers, waaronder [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagdee rolnr 204767], werden aangewend voor het doen van beleggingen in de termijnhandel van tulpenbollen. Met het oog op deze wetenschap en gegeven de actieve rol die HBU in de financiering van het gehele Fonds speelde, is de rechtbank van oordeel dat de contractuele verhouding tussen HBU enerzijds en [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] anderzijds meer om het lijf had dan het enkel verstrekken van krediet. Deze conclusie leidt ertoe dat HBU in haar (pre-)contractuele relatie tot gedaagden niet heeft kunnen volstaan met het enkel uitvoeren van een (beperkt) onderzoek naar de kredietwaardigheid van [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagdee rolnr 204767]. Gezien het feit dat de kredieten door HBU werden verstrekt louter ten behoeve van de financiering van beleggingen in het Fonds, die naar hun aard risicovol kunnen zijn, omvatte de zorgplicht van HBU in elk geval het doen van een onderzoek naar het Fonds en naar de omvang van de risico’s van de voorgenomen beleggingen, een en ander in relatie tot de individuele, financiële omstandigheden van de beoogde kredietnemer. Ook rustte op HBU een informatieplicht en waarschuwingsplicht ten aanzien van risico’s van deze beleggingen, voor zover die risico’s aanwezig en te voorzien waren. De omvang van deze informatie- en waarschuwingsplicht werd mede bepaald door de ervaring van de specifieke klant met het product waarin werd belegd (termijnhandel tulpenbollen).

Causaal verband en schade

4.12. Of HBU in haar contractuele relatie met [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] tekort is geschoten in de door haar jegens ieder van hen in acht te nemen zorgplicht, kan in het midden blijven. Hiertoe wordt overwogen dat [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] ter onderbouwing van het causale verband tussen de gestelde schending van de zorgplicht en de door hen geleden schade onvoldoende hebben gesteld. Meer specifiek wordt hierover het volgende worden opgemerkt.

4.13. Als door HBU gesteld en niet, althans onvoldoende, weersproken is de ondergang van SBC en later het Fonds ontstaan door het loslaten van het onder 2.1. omschreven één op één betalingssysteem van aan- en verkoop van tulpenbollen. Het loslaten van dit betalingssysteem heeft tot gevolg gehad dat verkopers van bollen zijn betaald, terwijl de betaling van de koopsom door kopende wederpartijen (nog) niet was voldaan. SBC en de Stichting derdengelden SBC kwamen daardoor in betalingsmoeilijkheden te verkeren wat uiteindelijk heeft geleid tot het faillissement van SBC en deze stichting. Dit heeft er vervolgens toe geleid dat de participaties van [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] in het Fonds niet voldoende hebben opgebracht om de kredieten bij HBU af te lossen. Dat [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] schade hebben geleden ten gevolge van een eventuele schending van de bancaire zorgplicht van HBU kan niet worden aangenomen. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] hebben immers geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat een ruimer onderzoek van HBU naar het Fonds, los van het reeds door Deloitte & Touche gedane onderzoek en los van het toezicht van AFM op het Fonds, ertoe zouden hebben geleid dat zij geen kredietovereenkomst met HBU zouden hebben gesloten.

4.14. De rechtbank komt tot dezelfde conclusie met betrekking tot de stelling van [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] dat HBU niet, althans onvoldoende, onderzoek naar hun kredietwaardigheid heeft gedaan en/of geen beleggingsprofiel van hen heeft gemaakt. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] hebben namelijk onvoldoende gemotiveerd en niet onderbouwd gesteld dat zij zouden hebben afgezien van het doen van investeringen in het Fonds als HBU haar zorgplicht op dit onderdeel, in de door [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] verdedigde omvang, zou zijn nagekomen. In het licht hiervan kan het antwoord op de vraag of het opmaken van een beleggingsprofiel in de (pre-)contractuele relatie van HBU kon worden gevergd, in het midden blijven.

4.15. Ten slotte geldt ook met betrekking tot de gestelde schending van de informatie- respectievelijk waarschuwingsplicht dat uit niets is gebleken dat [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] niet met behulp van geleend geld tot belegging in de termijnhandel in tulpenbollen zouden zijn overgegaan als HBU dit onderdeel van de zorgplicht wel zou zijn nagekomen. Immers niet, althans onvoldoende weersproken, is de stelling van HBU dat [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] al actief waren in de termijnhandel in (nieuwe) tulpenbollen en dat zij uit hoofde daarvan al aanzienlijke posities hadden opgebouwd bij SBC voordat zij met HBU de onderhavige kredietovereenkomsten aangingen. Voorts is gesteld noch gebleken dat [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] tot deelname zijn bewogen naar aanleiding van de informatiebijeenkomsten waar HBU bij aanwezig was. Sterker nog, HBU heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] zelf dan wel via SBC in contact zijn getreden met HBU tot verkrijging van financiering voor participatie in het Fonds. Het initiatief tot het aangaan van de kredieten ging dus niet uit van HBU, maar van [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767]. Feiten en omstandigheden op grond waarvan aanvullende informatie over het Fonds dan wel waarschuwing over de risico’s van deze beleggingen, [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] zouden hebben weerhouden verder en in financiële zin omvangrijker - en dus risicovoller - in tulpenbollen te investeren, zijn door hen niet gesteld.

4.16. De door [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] gestelde belangenverstrengeling tussen HBU en het Fonds en de aan deze stelling ten grondslag - onder 4.8. omschreven - omstandigheden brengen in het vorenstaande oordeel geen verandering. Ook hiervoor geldt namelijk dat het causale verband tussen de gestelde belangenverstrengeling en de door [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] geleden schade ontbreekt, althans dat zij ter onderbouwing van dat causale verband onvoldoende hebben gesteld.

Redelijkheid en billijkheid

4.17. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] stellen nog dat toewijzing van de vorderingen van HBU hun faillissement en/of ruinering tot gevolg zal hebben en dat toewijzing van de vorderingen om die reden - naar de rechtbank begrijpt - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en daarom dienen te worden afgewezen. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] hebben echter op geen enkele wijze hun stellingen op dit punt onderbouwd. Elk inzicht in hun vermogenspositie en persoonlijke financiële omstandigheden ontbreekt, ondanks de specifieke betwisting van HBU op deze punten. Het verweer wordt reeds daarom als onvoldoende gemotiveerd en niet onderbouwd gepasseerd.

Conclusie in conventie

4.18. De niet nader onderbouwde stelling van [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] dat de door HBU gevorderde bedragen onjuist zijn, omdat het hun aan de mogelijkheid ontbreekt om de boeken van HBU op dit punt te controleren, brengt hierin geen verandering. In artikel 11 van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden is immers bepaald dat een door HBU getekend uittreksel uit haar administratie tot volledig bewijs strekt, behoudens door [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] geleverd tegenbewijs. Voor dit tegenbewijs hebben [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] onvoldoende stellingen aangedragen die daarvoor de noodzakelijke aanknopingspunten zouden bieden. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen van HBU op [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] worden toegewezen. [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] hebben immers de verschuldigdheid van de vorderingen overigens niet weersproken.

Proceskostenveroordeling in alle zaken in conventie

in de zaak met zaak/rolnummer 204765 / HA ZA 05-2456

4.19. HBU vordert [gedaagde rolnr 204765] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op EUR 321,38 voor verschotten en EUR 2.000,00 voor salaris procureur (1 rekest x EUR 2.000,00).

4.20. [gedaagde rolnr 204765] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HBU worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,60

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 4.584,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 8.000,00 (4,0 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 12.669,00

in de zaak met zaak/rolnummer 204766 / HA ZA 05-2457

4.21. HBU vordert [gedaagde rolnr 204766] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op EUR 321,38 voor verschotten en EUR 2.580,00 voor salaris procureur (1 rekest x EUR 2.580,00).

4.22. [gedaagde rolnr 204766] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HBU worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,60

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 4.584,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 10.320,00 (4,0 punten × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 14.989,60

in de zaak met zaak/rolnummer 204767 / HA ZA 05-2458

4.23. HBU vordert [gedaagde rolnr 204767] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op EUR 321,38 voor verschotten en EUR 2.000,00 voor salaris procureur (1 rekest x EUR 2.000,00).

4.24. [gedaagde rolnr 204767] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HBU worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,60

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 4.584,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 8.000,00 (4,0 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 12.669,00

Vorderingen in reconventie

4.25. De onderbouwing door [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] van de vorderingen in reconventie is gelijk aan hetgeen door hen als verweer in conventie is gevoerd. Ook de reconventionele vorderingen zijn gegrond op de stelling dat [gedaagde rolnr 204765], [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] schade hebben geleden doordat HBU haar bancaire zorgplicht jegens hen heeft geschonden door hen krediet te verstrekken. In conventie is ten aanzien daarvan overwogen dat het causaal verband tussen het handelen van HBU en de gestelde schade door Andriesssen, [gedaagde rolnr 204766] en [gedaagde rolnr 204767] ontbreekt. Dit leidt er toe dat ook de vorderingen in reconventie niet kunnen slagen, en dus zullen worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling in alle zaken in reconventie

in de zaak met zaak/rolnummer 204765 / HA ZA 05-2456

4.26. [gedaagde rolnr 204765] zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HBU worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 4.000,00 (4,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 4.000,00

in de zaak met zaak/rolnummer 204766 / HA ZA 05-2457

4.27. [gedaagde rolnr 204766] zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HBU worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 5.160,00 (4,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 5.160,00

in de zaak met zaak/rolnummer 204767 / HA ZA 05-2458

4.28. [gedaagde rolnr 204767] zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HBU worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 4.000,00 (4,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 4.000,00

5. De beslissing

De rechtbank

in de zaak met zaak/rolnummer 204765 / HA ZA 05-2456

In de incidenten

5.1. verstaat dat op het verzoek tot schorsing van de procedure niet behoeft te worden beslist,

5.2. wijst de vordering ex artikel 843a Rv af,

5.3. veroordeelt [gedaagde rolnr 204765] in de proceskosten in het incident, aan de zijde van HBU tot op heden begroot op EUR 452,00,

5.4. verklaart dit vonnis in het incident wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

In conventie

5.5. veroordeelt [gedaagde rolnr 204765] om aan HBU te betalen een bedrag van EUR 222.969,88 (tweehonderdtweeëntwintig duizendnegenhonderdnegenenzestig euro en achtentachtig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 5,5% per jaar over het toegewezen bedrag vanaf 7 oktober 2005 tot de dag van volledige betaling,

5.6. veroordeelt [gedaagde rolnr 204765] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 2.321,38,

5.7. veroordeelt [gedaagde rolnr 204765] in de proceskosten, aan de zijde van HBU tot op heden begroot op EUR 12.669,00,

5.8. verklaart de veroordelingen onder 5.5. tot en met 5.7. uitvoerbaar bij voorraad,

5.9. wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie

5.10. wijst de vorderingen af,

5.11. veroordeelt Andreissen in de proceskosten, aan de zijde van HBU tot op heden begroot op EUR 4.000,00,

5.12. verklaart de veroordeling onder 5.11. uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak met zaak/rolnummer 204766 / HA ZA 05-2457

In de incidenten

5.13. verstaat dat op het verzoek tot schorsing van de procedure niet behoeft te worden beslist,

5.14. wijst de vordering ex artikel 843a Rv af,

5.15. veroordeelt [gedaagde rolnr 204766] in de proceskosten in het incident, aan de zijde van HBU tot op heden begroot op EUR 452,00,

5.16. verklaart dit vonnis in het incident wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

In conventie

5.17. veroordeelt [gedaagde rolnr 204766] om aan HBU te betalen een bedrag van EUR 955.988,59 (negenhonderdvijfenvijftig duizendnegenhonderdachtentachtig euro en negenenvijftig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 5,5% per jaar over het toegewezen bedrag vanaf 7 oktober 2005 tot de dag van volledige betaling,

5.18. veroordeelt [gedaagde rolnr 204766] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 2.901,38,

5.19. veroordeelt [gedaagde rolnr 204766] in de proceskosten, aan de zijde van HBU tot op heden begroot op EUR 14.989,60,

5.20. verklaart de veroordelingen onder 5.17. tot en met 5.19. uitvoerbaar bij voorraad,

5.21. wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie

5.22. wijst de vorderingen af,

5.23. veroordeelt [gedaagde rolnr 204766] in de proceskosten, aan de zijde van HBU tot op heden begroot op EUR 5.160,00.

5.24. verklaart de veroordeling onder 5.23. uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak met zaak/rolnummer 204767 / HA ZA 05-2458

In de incidenten

5.25. verstaat dat op het verzoek tot schorsing van de procedure niet behoeft te worden beslist,

5.26. wijst de vordering ex artikel 843a Rv af,

5.27. veroordeelt [gedaagde rolnr 204767] in de proceskosten in het incident, aan de zijde van HBU tot op heden begroot op EUR 452,00,

5.28. verklaart dit vonnis in het incident wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

In conventie

5.29. veroordeelt [gedaagde rolnr 204767] om aan HBU te betalen een bedrag van EUR 242.880,59 (tweehonderdtweeënveertig duizendachthonderdtachtig euro en negenenvijftig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 5,5% per jaar over het toegewezen bedrag vanaf 7 oktober 2005 tot de dag van volledige betaling,

5.30. veroordeelt [gedaagde rolnr 204767] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 2.321,38,

5.31. veroordeelt [gedaagde rolnr 204767] in de proceskosten, aan de zijde van HBU tot op heden begroot op EUR 12.669,00,

5.32. verklaart de veroordelingen onder 5.29. tot en met 5.31. uitvoerbaar bij voorraad,

5.33. wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie

5.34. wijst de vorderingen af,

5.35. veroordeelt [gedaagde rolnr 204767] in de proceskosten, aan de zijde van HBU tot op heden begroot op EUR 4.000,00.

5.36. verklaart de veroordeling onder 5.35. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Schoorl, mr. J.M. Willems en mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2008

w.g. griffier w.g. rechter