Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC8059

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
28-03-2008
Zaaknummer
16/601368-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van verdachte voor ontucht en stalking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/601368-07

Datum uitspraak: 28 maart 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

Thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht te Nieuwegein.

Raadsvrouwe: mr. H.S.K. Jap-A-Joe.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten ter terechtzitting toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 en 4 ten laste gelegde is er in het dossier een aantal verklaringen aanwezig van beide aangeefsters, [1] en [2], afgelegd bij de politie. Beide meisjes zijn ook nog bij de rechter-commissaris in strafzaken in deze rechtbank als getuige gehoord. De rechtbank heeft hun diverse verklaringen nauwkeurig naast elkaar gelegd. In zaken als deze luistert het nauw het bewijs goed te waarderen, nu verdachte het hem tenlastegelegde stellig ontkent. Verdachte ontkent niet dat beide meisjes bij hem in huis hebben geslapen, maar ontkent dat er door hem bij hen ontuchtige handelingen zijn verricht.

De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat de verklaringen van beide aangeefsters [1] en [2] innerlijk tegenstrijdig zijn en op onderdelen van elkaar verschillen, niet consistent zijn en dat zij hun verklaringen in de loop van de tijd hebben veranderd. Om die reden acht de rechtbank deze verklaringen onvoldoende geloofwaardig en onvoldoende betrouwbaar. Er is geen aanvullend bewijs. De verklaringen van de familieleden van beide meisjes zijn gebaseerd op de verklaringen van [aangeefster 1] en [aangeefster 2] en bieden onvoldoende aanknopingspunten om daar zelfstandige bewijskracht aan te ontlenen. Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 4 tenlastegelegde te kunnen komen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde acht de rechtbank aannemelijk dat één incident, waarover [aangeefster 3], de stiefdochter van verdachte, heeft verklaard, daadwerkelijk is voorgevallen. Dit betreft een incident in een nacht in de periode na een inbraak in de woning van verdachte, toen [aangeefster 3] bij verdachte (haar stiefvader) en haar moeder in bed was gekropen. Verdachte had daarover al direct na het incident tegen de moeder van [aangeefster 3] verklaard dat hij mogelijk in zijn slaap een hand op de buik van [aangeefster 3] had gelegd omdat hij dacht dat niet [aangeefster 3], maar zijn partner daar lag. Dit incident heeft zich voorgedaan toen [aangeefster 3] ongeveer acht jaar oud was. Dat moet dan in 2003 of 2004 zijn geweest. In die periode is hiervan geen aangifte gedaan.

De rechtbank vindt gelet op deze omstandigheden onvoldoende bewijs aanwezig voor het opzettelijk verrichten van ontuchtige handelingen door verdachte bij zijn stiefdochter [aangeefster 3].

De moeder van [aangeefster 3], mevrouw […], thans ex-echtgenote van verdachte, is op 14 mei 2007 bij de politie geweest voor een gesprek over vermoeden van seksueel misbruik van [aangeefster 3]. Zij heeft toen geen aangifte gedaan. Die aangifte volgde pas eind oktober 2007. [Aangeefster 3] zelf is op 8 november 2007 door de politie gehoord. De moeder van [aangeefster 3] is in april 2007 bij verdachte weggegaan na een periode van veel ruzie.

Gelet op deze omstandigheden is niet uit te sluiten dat [aangeefster 3] in deze is beïnvloed door haar moeder, die ten tijde van het doen van aangifte van bedoelde ontuchtige handelingen, met verdachte in echtscheiding lag.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de aangifte door de moeder van [aangeefster 3] en de verklaring van [aangeefster 3] zelf onvoldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren om tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit te kunnen komen.

Voor wat betreft de onder 3 ten laste gelegde stalking van mevrouw [aangeefster 4] de ex-echtgenote van verdachte, heeft verdachte aangegeven dat er inderdaad contacten met mevrouw [aangeefster 4] zijn geweest, maar die contacten betroffen de verdeling van goederen na de echtscheiding en zakelijke afwikkelingen. De sms-berichten die zijn uitgelezen van de telefoon van aangeefster [aangeefster 4] ondersteunen die stelling van verdachte. Die sms-berichten bevatten ook geen dreigementen zoals [aangeefster 4] in de aangifte had verklaard. Van telefoontjes van dreigende aard is geen ondersteunend bewijs in het dossier aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs aanwezig is om te kunnen spreken van wederrechtelijk stelselmatig handelen van verdachte met het opzet aangeefster te dwingen iets te doen, te dulden en/of haar vrees aan te jagen, zodat niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1, 2, 3 en 4 is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster 4] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden immateriële schade ten gevolge van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [aangeefster 4] niet ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mrs S.C. Hagedoorn, E.C. Ruinaard en J.D.E. Brouwer-Poederbach, bijgestaan door H.J. Nieboer als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 maart 2008.

Mr S.C. Hagedoorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.