Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC7548

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
16/600989-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht voorwaardelijk opzet aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/600989-07 en 16/444226-07 (t.t.z. gevoegd)

Datum uitspraak: 31 januari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de gevoegde zaken tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht, Huis van Bewaring Nieuwegein te Nieuwegein.

Raadsvrouwe: mr. E.I. Robert.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2008. De zaak met parketnummer 16/600989-07 is door de Politierechter ter zitting van 5 december 2007 verwezen naar de meervoudige kamer.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaardingen is omschreven. Een kopie van die dagvaardingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

Ten aanzien van parketnummer 16/600989-07:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de navolgende bewijsoverwegingen, verwijzen naar de paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0913/07-014262.

Overweging ten aanzien van de feiten 1 en 2:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 september 2007 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een Playstation III (met toebehoren), geheel toebehorende aan de firma Bart Smit, heeft weggenomen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld (feit 1).

De rechtbank acht daarnaast wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 september 2007 te Utrecht een winkelruit, toebehorende aan Hans Anders, wederrechtelijk heeft vernield door een fles tegen die winkelruit te gooien (feit 2).

De rechtbank leidt dit af uit de volgende feiten en omstandigheden.

Aangever [aangever 1], die namens Bart Smit aangifte heeft gedaan, heeft –zakelijk weergegeven- het volgende verklaard:

“Ik ben bedrijfsleider bij het filiaal van Bart Smit aan het Samargdplein te Utrecht. Op 4 september 2007 kwam een man mij in de Bart Smit om informatie vragen omtrent de aanschaf van een playstation III. Uiteindelijk heb ik met de man een pakket samengesteld. Op het moment dat ik met hem wilde afrekenen, zag ik dat de man alle spullen onder zijn arm pakte en plotseling een fles in zijn handen had. Ik zag dat hij de fles omhoog hield en riep: “Ik neem het mee anders maak ik je kapot”. Hierdoor voelde ik mij bedreigd. Ik zag dat hij met deze fles een slaande beweging maakte. Ik zag dat hij met alle spullen de winkel uitliep. Ik liep achter verdachte aan. De man van de Hubo kwam mij helpen. De verdachte gooide met grote kracht de fles naar de man van de Hubo. Deze kon maar net de fles ontwijken. Hierdoor sneuvelde het raam van de Hans Anders. Verdachte werd beetgepakt door onder meer een man van het Kruidvat. Ik hoorde verdachte tegen de man van het Kruidvat zeggen: “Jou zoek ik op, ik maak je dood”.

Het voorgaande vindt ondersteuning in de beschrijving van een verbalisant van de beelden die zijn gemaakt door een in de winkel hangende camera.

De verklaring van getuige [getuige 1] ziet op de situatie dat verdachte de Bart Smit heeft verlaten met de Playstation III met toebehoren onder zijn arm. Getuige heeft het volgende –zakelijk weergegeven- verklaard:

“Ik ben eigenaar van de Hubo. Ik hoorde op 4 september 2007 [aangever 1], bedrijfsleider van de Bart Smit, roepen: “Hij steelt, bel de politie”. Ik zag op dat moment een forse man van de Bart Smit weglopen. Ik zag dat de man een Playstation III en wat andere spullen bij zich had. Ik kon goed zien dat de man ook een fles bij zich had. Ik liep achter de man aan en ter hoogte van de Hans Anders sprak ik hem aan. Ik vroeg de man om met mij mee te lopen omdat ik dacht dat hij wat had gestolen. Verdachte riep hierop “Waar bemoei je je mee”. De man zwaaide de fles met kracht richting mijn hoofd. De fles ging rakelings over mijn hoofd. Ik hoorde achter mij een klap. De ruit van Hans Anders was hierdoor kapot gegaan. Er was een man met een stok die af en toe bij de Kruidvat werkt. We probeerden de verdachte op de grond te krijgen. Ik hoorde dat de verdachte zinnen riep als: “Ik weet precies wie jullie zijn”, “Ik maak jullie dood” en “Ik steek jullie overhoop”.

Ook getuige [getuige 2] heeft, in aansluiting op bovengenoemde verklaringen, het volgende –zakelijk weergegeven- verklaard:

“Ik haalde op 4 september 2007 met een stok de vlag van de gevel van het Kruidvat aan het Smaragdplein te Utrecht af. Ik hoorde een medewerker van de Bart Smit roepen dat iemand de politie moest bellen. Ik zag dat een man met een doos wegrende. Ik zag dat een medewerker van de Hubo achter deze man aanliep. Ik zag dat verdachte een fles gooide in de richting van de medewerker van de Hubo. Ik hoorde direct hierna glasgerinkel. Hierop ben ik naar de verdachte gelopen. Er ontstond een worsteling waardoor verdachte uiteindelijk op de grond terecht kwam en wij op hem zijn gaan zitten in afwachting van de politie.”

De rechtbank is ten aanzien van feit 1 van oordeel dat het een voltooide diefstal betreft. Verdachte heeft wederrechtelijk als heer en meester over de playstation III met toebehoren beschikt toen hij deze goederen onder zijn arm heeft genomen en de winkel is uitgelopen. Op dat moment waren deze goederen aan de feitelijke heerschappij van de Bart Smit onttrokken en was er sprake van een voltooide diefstal.

Dat verdachte opzet op de diefstal en het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft gehad, leidt de rechtbank af uit het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank op17 januari 2008 verklaard dat hij zich niets meer van die dag kan herinneren behalve dat hij onder invloed was van alcohol en medicijnen en later op de dag bij kwam in zijn cel.

Bij de politie kon verdachte zich echter nog wel het een en ander herinneren. Verdachte heeft daar –zakelijk weergegeven- verklaard:

“Ik heb op 4 september 2007 veel pillen ingenomen en heb daarbij een halve liter wodka gedronken. Ik ben naar het Smaragdplein te Utrecht gelopen. Ik zit altijd op de bankjes achter de supermarkt Plus. Ik kan me nog herinneren dat er markt was en dat ik met een marktkoopman heb staan praten. Ik heb toen bedacht om een playstation III te gaan stelen.”

“Op de een of andere manier ben ik bij de Bart Smit verzeild geraakt. Ik beken dat ik geprobeerd heb hier een playstation weg te nemen. Dit is niet gelukt. Het klopt dat ik een fles bij me had.”

De rechtbank leidt de opzet en voornoemd oogmerk af uit het feit dat verdachte het voornemen had om een Playstation III zich wederrechtelijk toe te eigenen en dit voornemen heeft uitgevoerd.

Het gebruik van medicijnen en alcohol staat slechts dan aan het bewijs van het opzet in de weg indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Nu verdachte zich bij de politie zijn intentie en handelen kon herinneren, blijkt hieruit naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte voldoende inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft gehad. Gezien bovenstaande moet dan ook worden geoordeeld dat verdachte willens en wetens heeft gehandeld.

De rechtbank is ten aanzien van feit 2 van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de winkelruit zou kunnen vernielen. Door een fles te gooien richting een persoon met vlak daarachter een ruit aanvaardde verdachte de aanmerkelijke kans dat dit gevolg kon intreden.

Overweging ten aanzien van feit 3:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 29 augustus 2007 te [adres], gemeente [M], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening € 1000,- geheel toebehorende aan Stichting […], heeft weggenomen.

De rechtbank leidt de bewezenverklaring af uit een geschrift, zijnde een uitdraai uit Blue View registratie met daarin onder meer opgenomen een niet ondertekend proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] namens Stichting […] , en uit de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 17 januari 2008 .

Ten aanzien van parketnummer 16/444226-07:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De rechtbank leidt de bewezenverklaring af uit het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] en uit de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 17 januari 2008 alwaar hij heeft bekend aangever bij zijn keel te hebben vastgepakt.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van 16/600989-07:

Feit 1:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken danwel het bezit van het gestolene te verzekeren.

Feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.

Feit 3:

Diefstal.

Ten aanzien van 16/444226-07:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een paar maanden tijd een aantal strafbare feiten gepleegd waarbij geweld of bedreiging daarmee niet werd geschuwd.

Verdachte heeft op 4 september 2007 veel medicijnen ingenomen en daarbij alcohol gedronken, terwijl hij zich er van bewust was dat dit geen goede combinatie is en zijn gedrag negatief beïnvloedt. Ondanks deze wetenschap heeft verdachte zich in deze situatie gebracht. Het kom hem niets meer schelen. Verdachte nam zich voor om een Playstation III te stelen bij Bart Smit en is daar naar toe gegaan. Verdachte heeft geweld gebruikt en daarmee gedreigd om de diefstal mogelijk te maken en zijn vlucht te verzekeren. Hij heeft daartoe met een fles gedreigd, bedreigende woorden geuit en een fles naar een man gegooid die hem de vlucht trachtte te beletten. De fles miste de man net, maar vernielde wel een winkelruit.

De rechtbank acht deze feiten zeer ernstig. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte schade en overlast berokkend aan de eigenaren van de winkels, maar ook veel angst aangejaagd hetgeen- zo is algemeen bekend- het functioneren in het dagelijkse leven in negatieve zin zeer kan beïnvloeden.

Verdachte heeft daarnaast op 29 augustus 2007 € 1000,- gestolen van de instelling waar hij op dat moment woonde. Nadat verdachte al een keer betrapt was en het geld terug had moeten leggen, is hij doelbewust teruggegaan om dit geldbedrag alsnog te stelen. Dit geld heeft hij besteed aan het kopen van drank. De rechtbank neemt verdachte dit gedrag kwalijk nu verdachte enkel aan eigen genot heeft gedacht en het door de instelling aan hem geschonken vertrouwen heeft beschaamd.

Verdachte heeft op 3 juni 2007 een bekende van hem bedreigd omdat hij boos op hem was. De door verdachte geuite verbale bedreigingen zijn in niet mis te verstane woorden gesteld. Verdachte heeft zijn woorden kracht bij gezet door de keel van het slachtoffer met kracht dicht te knijpen. Het slachtoffer voelde zich hierdoor ernstig bedreigd. Verdachte heeft zijn boosheid afgereageerd en heeft zich geen enkele rekenschap gegeven van de gevoelens van het slachtoffer. De rechtbank neemt verdachte dit gedrag zeer kwalijk.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van het Leger des Heils, Jeugdzorg en Reclassering, unit Utrecht, d.d. 14 januari 2008, opgemaakt door R. Jacobs, reclasseringswerker, onder meer – zakelijk weergegeven – inhoudende als advies:

De reclassering adviseert om aan verdachte, indien hij schuldig wordt bevonden, de maatregel ISD op te leggen. Zij acht het wenselijk dat betrokkene binnen de maatregel zo spoedig mogelijk wordt doorgeplaatst naar de Piet Roorda Klinkiek of FPA De Roosenburg en uitstroomt in een vorm van beschermd wonen.

- een pro justitia rapport betreffende de verdachte d.d. 10 januari 2008, opgemaakt door A.C. Bruins, psychiater, inhoudende onder meer als beantwoording van de vraagstelling –zakelijk weergegeven- :

Er is sprake van zowel een ziekelijke stoornis in de vorm van middelenafhankelijkheid en van aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD), als van een gebrekkige ontwikkeling, in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis. De stoornissen zijn van chronische aard en waren ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Bij de huidige ten laste gelegde feiten, indien bewezen, springen de gestoorde impulsregulatie en gestuwde agressiehouding in het oog. Op basis van de persoonlijkheidsstoornis is hij minder goed in staat zijn agressieve impulsen te reguleren. De invloed van alcohol en wellicht andere middelen, versterkt deze problematiek. Ook komen de lacunaire gewetensfuncties en het gebrekkige inlevingsvermogen in zijn gedrag bij de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, tot uiting. Ik adviseer de rechtbank verdachte voor de ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De klinische inschatting van de kans op herhaling van soortgelijke delicten is, bij het uitblijven van een adequate behandeling, groot. Teneinde het recidivegevaar te beperken, acht ik een intensieve behandeling noodzakelijk. Mijn advies is om betrokkene, in het kader van een ISD-maatregel, psychiatrisch te laten opnemen, waarbij het doel van de opname gericht zou moeten zijn op de voorbereiding naar een verblijf in een instelling voor beschermd wonen. Mijn voorkeur gaat uit naar een opname in een Forensisch Psychiatrische Afdeling van De Roosenburg te Den Dolder.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

-de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 6 september 2007, waaruit blijkt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld voor misdrijven en dat hij in de periode van 5 jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten diverse keren onherroepelijk is veroordeeld wegens misdrijven, laatstelijk te weten op:

- 13 juni 2007 tot 15 uren werkstraf,

- 17 april 2007 tot 5 maanden gevangenisstraf waarvan 1 maand gevangenisstraf

voorwaardelijk,

- 9 juli 2004 tot 2 weken gevangenisstraf.

Deze straffen zijn blijkens een schriftelijk overzicht ten uitvoer gelegd. De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn nadien begaan.

Uit het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. Voorts heeft de officier van justitie ter zitting medegedeeld dat er geen gevangenisstraffen meer open staan, hetgeen door verdachte ter zitting is bevestigd.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zelf graag de ISD-maatregel opgelegd wil krijgen, dat hij sterk gemotiveerd is voor behandeling en dat hij een voorkeur heeft voor plaatsing in De Roosenburg.

De bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

De rechtbank zal de gevorderde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen, aangezien de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist. De maatregel strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van de specifieke problematiek van verdachte waarmee het plegen van strafbare feiten samenhangt.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat de officier van justitie binnen 12 maanden bericht over de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de op te leggen maatregel.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38s, 57, 285, 310, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/600989-07 bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze zoals is vermeld in bijlage II van dit vonnis.

Verklaart ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/444226-07 bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze zoals is vermeld in bijlage III van dit vonnis.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 12 maanden bericht over de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel.

Beveelt de oproeping van de veroordeelde, diens raadsvrouwe en een deskundige verbonden aan de inrichting voor een zitting van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank tegen een nog nader te bepalen tijdstip omstreeks januari / februari 2009.

Dit vonnis is gewezen door mrs J.K.J. van den Boom, P. Bender en L.M.G. de Weerd, bijgestaan door mr. M.C. Grotenhuis als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 januari 2008.