Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC7248

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
SBR 08-0669
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot opgelegde bouwstop. Geen werkzaamheden van niet - ingrijpende aard. Gelet op aard en doel bevoegdheid geen onderzoek naar legalisatie vereist. Mondelinge uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/0669

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak

van de voorzieningenrechter van 19 maart 2008

inzake

[verzoekster],

gevestigd te Utrecht,

verzoekster,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 28 januari 2008 waarbij verweerder onder andere de bouwwerkzaamheden voor het wijzigen van de indeling van de woning Justus van Effenstraat 34bis te Utrecht in zes studio’s heeft stilgelegd omdat voor deze werkzaamheden geen bouwvergunning is verleend.

1.2 Het verzoek is op 19 maart 2008 ter zitting behandeld, waar namens verzoekster zijn verschenen S.N.F. Kock en M. O’Connor, bijgestaan door mr. F. van der Brug, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P. de Keijzer, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Beslissing

2.1 Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan en het verzoek afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de volgende motivering gegeven.

Gronden

3.1 Aan de orde is het stilleggen van de bouwwerkzaamheden aan het pand Justus van Effenstraat 34bis te Utrecht. Tussen partijen is niet in geschil dat voor deze werkzaamheden geen bouwvergunning is verleend.

De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar betoog dat, omdat de werkzaamheden niet van ingrijpende aard zijn, voor de onderhavige werkzaamheden geen bouwvergunning is vereist. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat de onderhavige werkzaamheden niet kunnen worden getypeerd als van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c van de Woningwet.

3.2 De term 'van niet-ingrijpende aard' moet immers in bouwkundige en in stedenbouwkundige zin worden opgevat. Bij dat laatste aspect spelen zowel het planologische als het feitelijke effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft een rol.

3.3 Het pand is een eengezinswoning. De bouwwerkzaamheden worden verricht om in het pand zes units te creëren met een elk een douche en wasgelegenheid en een keuken. De indeling maakt elke units geschikt voor zelfstandige bewoning waarbij alleen het gebruik van het toilet en de opgang gedeeld hoeft te worden met de andere bewoners.

Hoewel het pand zijn woonfunctie blijft behouden, wijzigen door voormelde verbouwing het karakter van het pand en de ruimtelijke en planologische uitstraling daarvan zodanig dat geen sprake is van een wijziging van niet-ingrijpende aard.

Anders dan verzoekster stelt, zijn er onvoldoende aanwijzingen voor gezamenlijke bewoning die vergelijkbaar is met de bewoning door een gezin, reeds omdat in bouwplan niet is voorzien in enige gezamenlijke ruimte (buiten de toiletten en de opgang). Dat een vereniging eigenaar is van het pand acht de rechtbank niet van doorslaggevend belang.

3.4 Nu de bouwwerkzaamheden niet zonder bouwvergunning kunnen worden uitgevoerd en geen bouwvergunning was verleend, was verweerder bevoegd handhavend op te treden.

Gelet op de aard en het beoogde doel van het stilleggen van de bouwwerkzaamheden heeft verweerder zich niet de vraag hoeven te stellen of zich de mogelijkheid van legalisatie voordeed.

3.5 Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

De mondelinge uitspraak is gewezen door mr. H.J.H. van Meegen, op 19 maart 2008.

Aldus opgemaakt door de griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. drs. H. Maaijen mr. H.J.H. van Meegen

Afschrift verzonden op: