Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC6527

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-01-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
16-613010-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval waarbij een motorrijder zwaar gewond is geraakt.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/613010-06

Datum uitspraak: 21 januari 2007

Raadsvrouwe: mr. B. Mor-Yazir

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende te [woonadres], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 januari 2008.

De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 03 oktober 2006, te Achterberg, gemeente Rhenen,

althans in het arrondissement Utrecht,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(bestelauto), daarmede rijdende over de weg, de Veenweg, zich zodanig heeft

gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend,

geen voorrang te verlenen aan een hem tegemoet komende motor doch

linksaf te slaan, teneinde de Zuidelijke Meentsteeg in te rijden, op het moment

dat de bestuurder van genoemde motor zó dicht was genaderd, dat er

een aanrijding/botsing is ontstaan tussen hem, verdachte, en die tegemoet

komende motor,

waardoor de motorrijder, genaamd [aangever], zwaar lichamelijk letsel, te

weten een fractuur van de linker knieschijf en fracturen van 2 vingers van de

linker hand, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij op of omstreeks 03 oktober 2006 te Achterberg, gemeente Rhenen, althans in

het arrondissement Utrecht,

als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmee rijdende op de weg,

de Veenweg,

geen voorrang heeft verleend aan een hem tegemoetkomende motor doch

linksaf is geslagen, teneinde de Zuidelijke Meentsteeg in te rijden, op het

moment dat de bestuurder van genoemde motor zó dicht was genaderd, dat er een

aanrijding/botsing is ontstaan tussen hem, verdachte, en die tegemoet

komende motor,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als hierna vermeld, te weten:

Primair

hij op 03 oktober 2006, te Achterberg, gemeente Rhenen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de Veenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

geen voorrang te verlenen aan een hem tegemoet komende motor doch

linksaf te slaan, teneinde de Zuidelijke Meentsteeg in te rijden, op het moment

dat de bestuurder van genoemde motor zó dicht was genaderd, dat er

een aanrijding is ontstaan tussen hem, verdachte, en die tegemoet

komende motor, waardoor de motorrijder, genaamd [aangever], zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van de linker knieschijf en fracturen van 2 vingers van de

linker hand werd toegebracht.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

[aangever] heeft verklaard dat hij op 03 oktober 2006 op zijn motorfiets over de Maatsteeg in Achterberg in de richting van Veenendaal reed. Toen hij de T-kruising met de Zuidelijke Meentsteeg naderde, zag hij dat een bestelbus op de kruising uit tegenovergestelde richting reed. [aangever] zag ineens dat de bestuurder van de bestelbus linksaf sloeg in de richting van de Zuidelijke Meentsteeg en dat de bestelbus op zijn rijbaan terecht kwam. Hij heeft zich schrap gezet omdat hij wist dat hij een aanrijding met de bestelauto niet meer kon voorkomen. Hierop volgde een gigantische klap en vloog hij over de bestelauto door de lucht en kwam in de berm terecht .

Door getuige [getuige] is verklaard dat hij op 03 oktober 2006 in zijn personenauto over de Zuidelijke Meentsteeg te Achterberg reed en dat hij, op het moment dat hij de T-kruising met de Maatsteeg en de Veenweg naderde, links van hem, over de Maatsteeg een motorfiets aan zag komen rijden. Op het moment dat de bestuurder van de motorfiets de

T-kruising bijna was genaderd, zag de getuige ineens een blauwe bestelbus aan komen rijden over de Veenweg. Hij zag dat de bestuurder van deze bestelbus linksaf de Zuidelijke Meentsteeg instuurde en dat de motorrijder de bestelbus niet meer kon ontwijken en frontaal tegen de bestelbus reed waarna de bestuurder door de lucht vloog en naast de weg terechtkwam .

[aangever] heeft verder verklaard dat hij door de aanrijding een gebroken linker knie en twee gebroken vingers in zijn linkerhand heeft opgelopen. Hij moet minimaal zes weken in het gips zitten en daarna moet hij revalideren . Dat [aangever] voornoemd letsel heeft opgelopen blijkt ook uit de zich in het dossier bevindende medische informatie .

Uit een proces-verbaal van politie blijkt dat een verbalisant op 02 maart 2007 telefonisch contact heeft gehad met [aangever] en dat door [aangever] is verklaard dat hij na 8 weken revalidatie weer met werken is begonnen. [aangever] werkte vanaf 15 januari 2007 tot heden (de rechtbank begrijpt dat met heden wordt bedoeld 02 maart 2007) voor 75 procent en heeft nog dagelijks last van beide polsen .

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de bestuurder van de bestelbus was, dat hij inderdaad op de Veenweg linksaf is geslagen en daar een ongeluk met een motorrijder heeft gehad. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij de motorrijder niet had gezien en dat

het een voor hem vermoeiende dag was vanwege de Ramadan. De verdachte heeft erkend dat hij het slachtoffer had kunnen en moeten zien .

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 03 oktober 2006 te Achterberg, gemeente Rhenen, als bestuurder van een bestelauto rijdende over de Veenweg zich schuldig heeft gemaakt aan een aan zijn schuld te wijten ongeval, waarbij aan motorrijder [aangever] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Immers is de verdachte op bovengenoemde T-kruising zonder goed uit te kijken linksaf geslagen en heeft hij geen voorrang verleend aan [aangever] voornoemd die zich op dat moment reeds op de kruising bevond.

De verdachte heeft zich aldus aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Ten aanzien van primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In het bovenstaande van dit vonnis zijn reeds de omstandigheden genoemd waaronder de botsing tussen het voertuig van de verdachte en de motor van het slachtoffer [aangever] is ontstaan.

Deelnemers aan het verkeer moeten in dergelijke situaties, bij het voornemen linksaf te slaan, extra opletten, omdat zij aan al het hen tegemoetkomend verkeer voorrang dienen te verlenen en zich er van dienen te vergewissen dat het linksaf slaan op een voor iedere verkeersdeelnemer veilige wijze kan geschieden. Verdachte heeft zulks nagelaten waardoor het ongeval heeft kunnen plaatsvinden.

Door de gevolgen van dit aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen, heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Gebleken is dat het slachtoffer nog geruime tijd dagelijks last heeft gehad van de lichamelijke gevolgen die dit ongeval voor hem heeft gehad.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 november 2008, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest;

- een brief van de werkgever van verdachte, Nieuwe Start, onderaannemersbedrijf, d.d. 15 januari 2008, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven- dat als het rijbewijs van de verdachte wordt ingevorderd de kans bestaat dat zij niet meer met hem verder willen werken omdat het werk op verschillende locaties wordt uitgevoerd en er tot op heden geen ander personeel in de buurt van verdachtes woonplaats verblijft met wie de verdachte mee kan reizen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het onder primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

• een werkstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis;

• een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank acht, alles afwegende, de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog en is van oordeel dat een taakstraf van na te melden duur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid als na te melden passend en geboden. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte het slachtoffer in het ziekenhuis heeft opgezocht en daarna nog eens thuis en dat het om een relatief oude zaak gaat. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van voornoemde brief van de werkgever van de verdachte.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 60 (ZESTIG) UREN, te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 (DERTIG) DAGEN indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Veroordeelt de verdachte wegens het onder primair bewezen verklaarde feit voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

4 (vier) MAANDEN.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Krol, S.C. Hagedoorn en R.S.B. Kool, bijgestaan door mr. K.D.M. Buitenweg als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2008.