Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC6452

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
236627/ HA ZA 07-1731
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidskwestie o.g.v. art. 2.5 lid 3 en art. 6 lid 1 EEX-Vo. Hoofdzaak gebasseerd op onrechtmatige daad/produktaansprakelijkheid. Vrijwaring toegestaan en tussentijds hoger beroep afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 236627 / HA ZA 07-1731

Vonnis in incident van 12 maart 2008

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

2. de vennootschap onder firma

[eiser sub 2],

gevestigd te [plaats],

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

procureur mr. J.J.W. Remme,

tegen

1. de naar buitenlands recht opgerichte vennootschap

M.A.N. NUTZFAHRZEUGE AKTIENGESELLSCHAFT,

gevestigd en kantoorhoudende te 80995 München, Duitsland,

gedaagde,

eiseres in het incident tot onbevoegdheid,

procureur mr. L.J. Böhmer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOMMERAUER TRUCKS WESTERBROEK B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Westerbroek,

gedaagde,

eiseres in het incident tot vrijwaring,

procureur mr. P.J. Soede,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PON EQUIPMENT RENTAL & LEASE B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Vianen,

gedaagde,

procureur mr. L.J. Böhmer,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M.A.N. TRUCK & BUS B.V.,

gevestigd te Vianen,

gedaagde,

procureur mr. L.J. Böhmer.

Eiseressen in de hoofdzaak zullen hierna Delta Lloyd en [eiser sub 2] worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak zullen hierna respectievelijk M.A.N. Nutzfahrzeuge, Sommerauer Trucks, Pon Equipment en M.A.N. Truck & Bus genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van M.A.N. Nutzfahrzeuge

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van Sommerauer Trucks

- de antwoordconclusie in het incident tot oproeping in vrijwaring

- de antwoordconclusie in het onbevoegdheidsincident.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2. De beoordeling in het incident van de vordering tot onbevoegdheid

2.1. M.A.N. Nutzfahrzeuge vordert primair dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart, althans Delta Lloyd en [eiser sub 2] niet ontvankelijk verklaart in hun vorderingen, een en ander met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Delta Lloyd en [eiser sub 2] in de kosten van dit geding. Subsidiair vordert M.A.N. Nutzfahrzeuge dat de rechtbank zich (relatief) onbevoegd verklaart, althans Delta Lloyd en [eiser sub 2] niet ontvankelijk verklaart in hun vorderingen, en, overeenkomstig art. 110 lid 2 Rv, de zaak verwijst naar de bevoegde rechter van de rechtbank Groningen, een en ander met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Delta Lloyd en [eiser sub 2] in de kosten van dit geding.

2.2. M.A.N. Nutzfahrzeuge legt primair aan haar vordering tot onbevoegdverklaring ten grondslag dat deze rechtbank, op grond van de artikelen 2, 5 lid 3 en 6 lid 1 van de Verordening 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo.) niet de bevoegdheid heeft kennis te nemen van de vermeende vordering van Delta Lloyd en [eiser sub 2] op haar.

Subsidiair stelt M.A.N. Nutzfahrzeuge dat deze rechtbank relatief niet bevoegd is om van de vermeende vordering van Delta Lloyd en [eiser sub 2] op haar kennis te nemen.

2.3. M.A.N. Nutzfahrzeuge stelt dat uit artikel 2 lid 1 jo. art. 60 EEX-Vo volgt dat, nu zij haar statutaire zetel in München heeft, zij in beginsel opgeroepen moet worden voor de bevoegde rechter te München en niet voor de Nederlandse rechter.

Voorts stelt M.A.N. Nutzfahrzeuge dat de artikelen 5 en 6 EEX-Vo weliswaar een aantal alternatieve bevoegdheidsregels bevatten, maar dat die alternatieve regels de hoofdregel van artikel 2 lid 1 EEX-Vo niet uitsluiten, maar de aanlegger van de procedure de mogelijkheid bieden, in de gevallen en onder de voorwaarden als in de artikelen 5 en 6 EEX-Vo aangegeven, de vordering te zijner keuze bij een andere rechter aan te brengen dan die welke krachtens art. 2 EEX-Vo bevoegd is. De vorderingen van Delta Lloyd en [eiser sub 2] voldoen volgens M.A.N. Nutzfahrzeuge niet aan de vereisten van de artikelen 5 en 6 EEX-Vo. Volgens het Hof van Justitie moeten, aldus M.A.N. Nutzfahrzeuge, de alternatieve bevoegdheidsregels restrictief worden uitgelegd.

Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad stelt M.A.N. Nutzfahrzeuge dat artikel 5 sub 3 EEX-Vo (alternatief) bevoegd verklaart het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Volgens M.A.N. Nutzfahrzeuge moeten verbintenissen uit onrechtmatige daad, blijkens de uitspraak Kalfelis/Schröder, autonoom worden uitgelegd en wel aldus dat daaronder elke rechtsvordering valt die beoogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5 sub 1 EEX-Vo. M.A.N. Nutzfahrzeuge is van mening dat uit artikel 5 lid 3 EEX-Vo niet kan worden afgeleid dat de Nederlandse rechter (alternatief) bevoegd is om in het onderhavige geval van de vermeende vordering van Delta Lloyd en [eiser sub 2] op haar kennis te nemen. Volgens M.A.N. Nutzfahrzeuge komt aan artikel 5 sub 3 EEX-Vo in het onderhavige geval geen werking toe, nu de litigieuze vrachtwagen van het merk MAN niet in Nederland in het verkeer is gebracht. M.A.N. Nutzfahrzeuge stelt dat zij de vrachtwagen in München in het verkeer heeft gebracht toen de vrachtwagen de fabriek aldaar verliet. In verband hiermede moet, aldus M.A.N. Nutzfahrzeuge, worden aangenomen dat het schadebrengende feit ex artikel 5 lid 3 EEX-Vo heeft plaatsgevonden in Duitsland, zodat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de vermeende vordering van Delta Lloyd en [eiser sub 2] op haar kennis te nemen.

M.A.N. Nutzfahrzeuge is voorts van mening dat het zogenoemde Kalimijnenarrest (HvJ EG, 30 november 1976, NJ 1977/494) op het onderhavige geschil niet van toepassing is en dat toepassing van artikel 5 lid 3 EEX-Vo derhalve niet tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan leiden.

Voorts stelt M.A.N. Nutzfahrzeuge dat het beroep van Delta Lloyd en [eiser sub 2] op artikel 6 lid 1 EEX-Vo strandt op het feit dat er ten aanzien van de verschillende rechtsvorderingen geen gevaar bestaat dat bij afzonderlijke behandeling onverenigbare beslissingen worden gegeven. Blijkens de dagvaarding berusten de vermeende vorderingen van Delta Lloyd en [eiser sub 2], volgens M.A.N. Nutzfahrzeuge, immers op verschillende rechtsgrondslagen. M.A.N. Nutzfahrzeuge stelt dat nu geconstateerd kan worden dat ten aanzien van de vermeende rechtsvorderingen op gedaagden verschillende rechtstelsels van toepassing zijn, van afzonderlijke beslissingen die betrekking hebben op rechtens een zelfde situatie geen sprake kan zijn. Derhalve dient het beroep van Delta Lloyd en [eiser sub 2] op artikel 6 lid 1 EEX-Vo volgens M.A.N. Nutzfahrzeuge te worden afgewezen.

2.4. Delta Lloyd en [eiser sub 2] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.5. Delta Lloyd en [eiser sub 2] baseren hun vordering in de hoofdprocedure op een vermeende onrechtmatige daad (produktenaansprakelijkheid) van M.A.N. Nutzfahrzeuge, bestaande uit het in het verkeer brengen van een schadeveroorzakende vrachtwagen. Aangezien in het onderhavige geval de vrachtwagen op 24 februari 2001, zijnde binnen negen maanden na ingebruikname, tijdens een gewone rit op de snelweg A7 ter hoogte van Winschoten spontaan in brand is gevlogen en onderzoek heeft uitgewezen dat de oorzaak van de brand is terug te leiden op een gebrek in de vrachtwagen dat reeds ten tijde van de in gebruik name in de vrachtwagen aanwezig was, zijn Delta Lloyd en [eiser sub 2] van oordeel dat M.A.N. Nutzfahrzeuge als producent aansprakelijk is voor de onderhavige schade die ten gevolge van de brand is ontstaan.

2.6. Op grond van artikel 2 lid 1 EEX-Vo vormt de woon-of vestigingsplaats van verweerder in beginsel aanknopingspunt voor het bepalen van de bevoegde rechter. Een alternatieve mogelijkheid wordt geboden in artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Vo., luidende:

“Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere

lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

(…)

3. ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats

waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.”

In het Kalimijnennarrest (HvJ 30 november 1976, NJ 1977,494) heeft het Europese Hof een beslissing gegeven over de uitleg van artikel 5 sub 3 EEX-Vo. Het Hof van Justitie overweegt in voormeld arrest onder meer:

“ dat ingeval de plaats waar zich een feit heeft voorgedaan dat een aansprakelijkheid uit

onrechtmatige daad kan meebrengen, en de plaats waar door dit feit schade is ontstaan,

niet samenvallen, de uitdrukking ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft

voorgedaan’ in artikel 5, sub 3 van het Verdrag aldus moet worden verstaan dat zowel de

plaats waar de schade is ingetreden als de plaats van de veroorzakende gebeurtenis is

bedoeld;

dat hieruit volgt dat de verweerder ter keuze van de verzoeker kan worden opgeroepen

voor de rechter hetzij van de plaats waar de schade is ingetreden, hetzij van de plaats van

de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt.”

2.7. De rechtbank is van oordeel dat uit voormeld arrest duidelijk volgt dat in geval van een vordering uit onrechtmatige daad ook ‘de plaats waar de schade is ingetreden’ bevoegdheidsscheppend is in het kader van artikel 5 lid 3 EEX-Vo. Het Hof van Justitie heeft dit vervolgens nog verschillende malen bevestigd onder meer HvJ 7 maart 1995, NJ 1996, 269 (Shevill).

2.8. M.A.N. Nutzfahrzeuge heeft, onder verwijzing naar de uitspraak Kalfelis/Schröder (HvJ 27 september 1988, NJ 1990, 425), gesteld dat de alternatieve bevoegdheidsregels van de artikelen 5 en 6 EEX-Vo restrictief moeten worden uitgelegd. Uit voormelde uitspraak volgt, naar het oordeel van de rechtbank, echter niet dat in een situatie als de onderhavige de Nederlandse rechter niet bevoegd zou zijn om over de vordering op grond van onrechtmatige daad tegen de producent, in casu M.A.N. Nutzfahrzeuge, kennis te nemen.

In de uitspraak is bepaald dat de rechter die zich op grond van artikel 5 lid 3 EEX-Vo bevoegd acht om te oordelen over de vordering uit onrechtmatige daad, niet zonder meer bevoegd is om kennis te nemen van andere onderdelen van de vordering (tegen dezelfde gedaagde), die een andere grondslag hebben dan onrechtmatige daad. In de onderhavige zaak is de vordering tegen M.A.N. Nutzfahrzeuge op onrechtmatige daad gebaseerd. Het Hof van Justitie heeft in het Kalimijnenarrest juist aangegeven dat een te restrictieve interpretatie van artikel 5 lid 3 EEX-Vo (toen nog: EEG-Executieverdrag) de alternatieve bevoegdheidsbepaling, in gevallen van onrechtmatige daad, tot een lege huls zou maken. Evenmin volgt uit het Kalimijnen-arrest dat het belang van dit arrest, zoals M.A.N. Nutzfahrzeuge stelt, beperkt zou zijn tot geschillen terzake grensoverschrijdende milieuschade. (Zie ook Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, Deventer 2005, nr. 239).

2.9. Op grond van het betoog van M.A.N. Nutzfahrzeuge dat de bevoegdheidsregel van artikel 5 lid 3 EEX-Vo geen bevoegdheid schept voor rechters in landen waar partijen gevestigd zijn die indirecte vermogensschade lijden naar aanleiding van onrechtmatige daad, is de incidentele vordering van M.A.N. Nutzfahrzeuge evenmin toewijsbaar. Weliswaar heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de plaats waar indirect vermogensschade is geleden niet zonder meer kan worden aangemerkt als “plaats waar de schade is ingetreden” in de zin van het Kalimijnenarrest, maar nu vast staat dat Delta Lloyd door de subrogatie volledig is getreden in de rechten van haar verzekerde en [eiser sub 2] in deze zaak opkomt als partij die rechtstreeks schade heeft geleden, is van een vordering van indirecte vermogensschade geen sprake.

2.10. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval “de plaats waar de schade is ingetreden” bevoegdheidscheppend is. Voor het onderhavige geschil maakt het niet uit of de plaats waar de brand heeft gewoed als “plaats waar de schade is ingetreden” moet worden aangemerkt, of dat dit de vestigingsplaats is van de direct schadelijdende partij. Tussen partijen is niet in geschil dat de brand zich op Nederlands grondgebied heeft voorgedaan en dat [eiser sub 2] in Nederland gevestigd is.

2.11. M.A.N. Nutzfahrzeuge heeft voorts aangevoerd dat artikel 6 sub 1 EEX-Vo in deze zaak niet bevoegdheidscheppend is en zij heeft daarbij een beroep gedaan op de Kafelis/Schröder uitspraak (NJ 1990,425). De rechtbank is van oordeel dat tussen de door Delta Lloyd en [eiser sub 2] jegens de vier gedaagden ingestelde vorderingen een zodanig nauwe band bestaat dat sprake is van samenhang van vorderingen in de zin van artikel 6 EEX-Vo. Voor alle vorderingen vormt het gebrek in de vrachtwagen de (feitelijke) grondslag. Verder zijn de levering van de producent aan het Nederlandse Man-concern (waarvan de importeur en de financieringsmaatschappij deel uitmaken, de levering door de importeur aan de dealer, de levering door de dealer aan de financieringsmaatschappij en het ter beschikking stellen van de vrachtwagen door de financieringsmaatschappij aan [eiser sub 2], dusdanig nauw met elkaar verbonden en wordt voorts hoofdelijke veroordeling gevorderd dat dit geheel een gezamenlijke behandeling van de vorderingen rechtvaardigt. Het beroep van M.A.N. Nutzfahrzeuge op de uitspraak Roche/Primus (HvJ 13 juli 2006, RvdW 2006,759) maakt dit niet anders, nu voormeld arrest een zeer specifieke casus in het octrooirecht betreft.

2.12. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van Delta Lloyd en [eiser sub 2] kennis te nemen. Uit de door Delta Lloyd en [eiser sub 2] als productie 1 bij antwoordconclusie in het onbevoegdheidsincident overgelegde e-mailwisseling tussen de raadslieden van partijen blijkt dat M.A.N. Nutzfahrzeuge haar beroep op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank laat varen. In verband hiermede acht deze rechtbank zich bevoegd van de vordering van Delta Lloyd en [eiser sub 2] kennis te nemen.

2.13. De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande volgt dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

2.14. M.A.N. Nutzfahrzeuge zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

In de hoofdzaak

2.15. Delta Lloyd en [eiser sub 2] enerzijds en M.A.N. Nutzfahrzeuge anderzijds verschillen voorts van mening over het op de onderhavige vordering toepasselijk recht. M.A.N. Nutzfahrzeuge stelt zich op het standpunt dat op grond van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD) Duits recht op de onderhavige vordering van toepassing is. Delta Lloyd en [eiser sub 2] daarentegen zijn van mening dat Nederlands recht van toepassing is.

2.16. De rechtbank is van oordeel dat op het onderhavige geschil tussen partijen het op 1 september 1979 voor Nederland in werking getreden Haags Productenaansprakelijkheids-verdrag 1973 van toepassing is. Dit Verdrag heeft een universeel formeel toepassingsgebied, wat betekent dat het Verdrag ook van toepassing kan zijn indien het een producent betreft uit een niet-Verdragsstaat. De hoofdregel van het Verdrag voor het toepasselijk recht is de lex locus delicti (artikel 4) Verder is in artikel 5 van het Verdrag bepaald dat het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van de benadeelde van toepassing is, indien die Staat tevens is de Staat op wiens grondgebied het product is verkregen door de persoon die rechtstreeks schade lijdt. Dit laatste betekent dat de vordering van Delta Lloyd en [eiser sub 2] dient te worden beoordeeld naar Nederlands recht.

2.17. Nu gedaagden in de hoofdzaak nog niet van antwoord hebben geconcludeerd, zal de rechtbank de zaak hiervoor naar de rol verwijzen.

tussentijds hoger beroep

2.18. M.A.N. Nutzfahrzeuge heeft, voor het geval de rechtbank zich bevoegd zou achten om van het onderhavige geschil kennis te nemen, voorts verzocht te bepalen dat van het incidenteel vonnis tussentijds appel mogelijk is (art. 337 lid 2 Rv.). Tussentijds hoger beroep tegen de bevoegdheidsbeslissing zou de procedure, volgens Delta Lloyd en [eiser sub 2], onnodig vertragen. Delta Lloyd en [eiser sub 2] verzoekt de rechtbank dan ook geen hoger beroep open te stellen.

2.19. Een uitspraak in een incident waarin de rechter een beroep op zijn (internationale) onbevoegdheid verwerpt, is een tussenuitspraak. Op grond van artikel 337 lid 2 Rv is tussentijds beroep daarvan uitgesloten, tenzij de rechter die uitspraak heeft gedaan anders bepaald. De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden, mede gelet op de vertraging die door het instellen van hoger beroep zal ontstaan, geen aanleiding hoger beroep open te stellen.

3. De beoordeling in het incident tot vrijwaring

3.1. Sommerauer Trucks vordert dat haar wordt toegestaan de vennootschap naar Duits recht M.A.N. Nutzfahrzeuge in vrijwaring op te roepen. Delta Lloyd en [eiser sub 2].

hebben er in beginsel geen bezwaar tegen dat Sommerauer Trucks de fabrikant van de trekker/vrachtauto, M.A.N. Nutzfahrzeuge, in vrijwaring oproept. Zij plaatsen hierbij wel een voorwaardelijke kanttekening in deze zin dat zij niet kunnen uitsluiten dat M.A.N. Nutzfahrzeuge ook in de vrijwaringsprocedure de onbevoegdheid van de rechtbank zal inroepen dat tot de nodige vertraging in de vrijwaringsprocedure kan leiden. Ook indien M.A.N. Nutzfahrzeuge geen onbevoegdheidsincident zou opwerpen in de vrijwaringszaak, zal het oproepen in vrijwaring enige tijd in beslag nemen omdat M.A.N. Nutzfahrzeuge in Duitsland gevestigd is en voor betekening van de vrijwaringsdagvaarding in Duitsland de nodige termijnen in acht moeten worden genomen. Tegen deze achtergrond hebben Delta Lloyd en [eiser sub 2] er geen bezwaar tegen mits het vrijwaringsverzoek en de hoofdzaak niet parallel maar separaat worden behandeld in die zin dat het verloop van beide procedures niet op elkaar wordt afgestemd. Mocht de rechtbank dit laatste niet volgen, dan maken Delta Lloyd en [eiser sub 2] bezwaar tegen het vrijwaringsincident omdat anders toewijzing van het vrijwaringsincident de hoofdprocedure nodeloos en ernstig zou (kunnen) vertragen.

3.2. De vraag of in casu de oproeping in vrijwaring toelaatbaar is, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Uit een oogpunt van een efficiënte rechtshandhaving heeft de gezamenlijke behandeling van de zaken de voorkeur, nu aannemelijk is dat de feiten, zoals die zullen blijken in de hoofdzaak, van direct belang zijn voor de beslissing in de vrijwaringszaak, terwijl in beide zaken door dezelfde rechter kan worden beslist. Niet aannemelijk is dat de hoofdzaak onredelijk of onnodig vertraagd wordt door de gezamenlijke behandeling. Het vaststellen van de feitelijke gang van zaken, naar te verwachten het meest tijdrovende onderdeel van een procedure, zal in ieder geval in de hoofdzaak dienen plaats te vinden. Zonodig kan in de hoofdzaak daarna afzonderlijk worden beslist. Het is de taak van de rolrechter hierbij toezicht op de procesvoering te houden en onnodig vertragingen te verhinderen.

3.3. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

in het onbevoegdheidsincident

4.1. wijst het gevorderde af,

4.2. verklaart zich bevoegd van de vordering van Delta Lloyd en [eiser sub 2] kennis te nemen,

4.3. veroordeelt M.A.N. Nutzfahrzeuge in de kosten van het incident, aan de zijde van Delta Lloyd en [eiser sub 2] tot op heden begroot op EUR 2.000,00,

in het incident tot vrijwaring

4.4. staat toe dat de vennootschap naar Duits recht M.A.N. Nutzfahrzeuge AG door Sommerauer Trucks wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 21 mei 2008,

4.5. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

4.6. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 mei 2008 voor conclusie van antwoord,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2008.

w.g. griffier w.g. rechter