Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC5897

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
SBR 07/1142
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Plichtsverzuim. Inhouding van 36 verlofuren en 1% van het jaarsalaris bij wijze van disciplinaire straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/1142

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 5 februari 2008

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 maart 2007 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen de besluiten van 31 augustus 2006 en 8 september 2006 ongegrond heeft verklaard. Bij het besluit van 31 augustus 2006 is het salaris van eiser ingevolge artikel 3:14, eerste lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (ARU) ingehouden. Bij het besluit van 8 september 2006 zijn, wegens vermeend plichtsverzuim, bij wijze van disciplinaire straf 36 verlofuren en 1% van het jaarsalaris van eiser ingehouden.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 9 november 2007, waar eiser - daartoe ambtshalve opgeroepen - in persoon is verschenen. Namens verweerder zijn - eveneens na ambtshalve oproeping - verschenen mr. G.P.M. van der Sprong en E.J. van Kuilenburg, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Feiten

2.1 De rechtbank gaat uit van de navolgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden welke door partijen zijn erkend, althans niet of onvoldoende door hen zijn weersproken.

2.2 Eiser is gedurende de periode van 1 oktober 1984 tot 16 augustus 2007 bij verweerder in dienst geweest, laatstelijk in de functie van hoofdinspecteur bouwtoezicht op de afdeling Bouwbeheer, Bouwkundige Unit Noord-Zuid (BUNZ), van de Dienst Stadsontwikkeling.

2.3 In een functioneringsgesprek op 30 augustus 2005 is eiser er door verweerder op aangesproken dat hij zes weken verlof heeft opgenomen zonder dat tevoren aan te vragen. Volgens het van dat functioneringsgesprek opgemaakte verslag heeft eiser daarop gereageerd met de mededeling dat hij het verlof middels een briefje op zijn bureau had aangekondigd, terwijl hij een en ander ook aan een collega zou hebben doorgegeven. Verweerder heeft met eiser afgesproken dat hij verlof, ziekte en dergelijke in het vervolg direct meldt bij zijn leidinggevende [G], hoofd BUNZ.

2.4 Op 19 oktober 2005 heeft wederom een functioneringsgesprek plaatsgevonden waarvan eveneens een verslag door verweerder is overgelegd. Tijdens het functioneringsgesprek is eiser gevraagd waarom hij de eerder gemaakte afspraak ten aanzien van het opnemen van verlof, het melden van ziekte en dergelijke niet is nagekomen. Eiser heeft daarop geantwoord dat hij bij afwezigheid altijd een melding in het elektronische mailsysteem aanmaakt waardoor afzenders van elektronische mail weten dat hij afwezig is. Voorts heeft eiser opgemerkt zich er niet van bewust te zijn dat hij ook andere vormen van verlof, zoals doktersbezoek, moet melden bij zijn leidinggevende. De eerder gemaakte afspraak is nogmaals bevestigd, waarbij is afgesproken dat eiser bij afwezigheid van [G] een bericht zal inspreken op zijn mobiele telefoon zodat hij kan worden teruggebeld. Het nummer van de mobiele telefoon is in het verslag van het functioneringsgesprek vermeld.

2.5 Op 15 november 2005 is door [G] een e-mail verzonden aan eiser waarin eerstgenoemde er onder meer zijn teleurstelling over uitspreekt dat eiser hem eerst op maandag, 14 november 2005 om ongeveer 18.00 uur op de hoogte heeft gebracht van het feit dat hij een medische ingreep moest ondergaan ten gevolge waarvan hij vanaf 15 november 2005 naar verwachting gedurende twee weken niet aanwezig zou kunnen zijn. Dit terwijl eiser daarvan al enkele weken op de hoogte was.

2.6 Bij brief van 12 december 2005 heeft verweerder eiser opdracht gegeven zich in het vervolg te houden aan de gebruiken van de afdeling BUNZ en de aanwijzingen van zijn leidinggevende stipt en adequaat uit te voeren. Eiser is erop gewezen dat het niet opvolgen van aanwijzingen onvermijdelijk zal leiden tot disciplinaire maatregelen.

2.7 Eiser is gedurende de periode van 3 juli 2006 tot 4 augustus 2006 (14.00 uur) niet op het werk aanwezig geweest. Bij brief van 5 juli 2006 heeft verweerder eiser er op gewezen dat hij zonder enig overleg, en zonder melding vooraf aan zijn leidinggevende, voor vijf weken met vakantie is gegaan. Eiser is gesommeerd om zich uiterlijk de volgende dag (6 juli 2006) te melden bij de directeur van de Dienst Stadsontwikkeling, [K] om te worden gehoord met betrekking tot zijn afwezigheid, teneinde te kunnen vaststellen of eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Verweerder heeft gesteld dat aan eiser op 5 juli 2006 tevens een sms-bericht is gezonden en een bericht is ingesproken op de voice-mail van de mobiele telefoon die hem door verweerder voor de uitoefening van zijn werk is verstrekt. Bij de gedingstukken is een intern memo aangetroffen van 10 juli 2006 van P&O-adviseur [B] aan [K], waarin de eerstgenoemde stelt dat hij op 5 juli 2006 heeft getracht eiser te bereiken via de mobiele (werk)telefoon, dat hij een bericht heeft ingesproken en dat hij een sms-bericht heeft gestuurd.

2.8 Bij brief van 7 juli 2006 heeft verweerder eiser meegedeeld dat sprake is van ernstig plichtsverzuim, omdat hij niet zou hebben gereageerd op de brief van 5 juli 2006 en de berichten via de mobiele telefoon. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat de brief zowel per gewone post als aangetekend met ontvangstbevestiging per koerier is verzonden en dat eiser persoonlijk voor de ontvangst daarvan heeft getekend. Eiser is gelast zich onmiddellijk te melden en het werk te hervatten. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat het niet opvolgen van dat dienstbevel ernstige consequenties zou hebben, waarbij ontslag niet uitgesloten moest worden geacht. In de brief van 7 juli 2006 is eiser uitgenodigd om op

12 juli 2006 mondeling zijn visie op de gebeurtenissen te geven.

2.9 Bij brief van 12 juli 2006 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft moeten constateren dat eiser niet heeft gereageerd op de brieven van 5 juli 2006 en 7 juli 2006, tot twee maal toe heeft nagelaten uitvoering te gegeven aan een dienstbevel, en eveneens twee maal niet heeft gereageerd op uitnodigingen om mondeling verantwoording af te leggen. Eiser is voorts meegedeeld dat, vanwege zijn ongeoorloofde afwezigheid, krachtens artikel 3:14, eerste lid van de ARU het salaris niet zal worden uitbetaald. Bij brief van 23 augustus 2006 heeft eiser tegen de inhouding van de bezoldiging bezwaar gemaakt.

2.10 Bij brief van 28 juli 2006 heeft verweerder eiser op de hoogte gebracht van zijn voornemen om hem vanwege plichtsverzuim krachtens artikel 16:3, eerste lid, aanhef en onder c en d, in samenhang met het tweede lid van de ARU een disciplinaire straf op te leggen, bestaande uit het inhouden van 36 verlofuren en een geldboete van 1% van het jaarsalaris. Voorts is eiser er nogmaals op gewezen dat in verband met zijn ongeoorloofde afwezigheid geen salaris zal worden betaald over de periode waarin geen arbeid is verricht. In dat verband is opgemerkt dat de betreffende periode niet als verlof zal gelden en dat derhalve over die periode geen verlofdagen zullen worden afgeschreven. Tegen het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf heeft eiser een zienswijze ingediend. Op 21 augustus 2006 heeft eiser een aanvulling op die zienswijze gezonden, gedateerd 4 augustus 2006. Voorts heeft eiser op 22 augustus 2006 zijn zienswijze mondeling toegelicht. Hij heeft daarbij - kort samengevat - aangegeven te willen beschikken over bewijsstukken met betrekking tot de ontvangst van de aangetekende brief van 5 juli 2006. Hij heeft voorts gesteld zich er niet van bewust te zijn geweest dat verweerder in de eerste week van zijn vakantie getracht heeft contact met hem te zoeken. Hij geeft aan dat hij op 4 juli 2006 voor vakantie naar het buitenland is vertrokken en zijn mobiele telefoon niet heeft meegenomen. Voorts stelt hij voldaan te hebben aan zijn verplichtingen door op donderdag, 29 juni 2006 in het werkoverleg te melden dat hij vanaf maandag, 3 juli 2006 voor vijf weken wegens vakantie afwezig zou zijn. Bovendien is tussen partijen niet in geschil dat eiser zijn vakantieverlof op vrijdagmiddag, 30 juni 2006 desgevraagd per e-mail aan [J], unitsecretaresse, heeft gemeld en voorts een zogenoemde "post-it"op zijn computerscherm heeft geplakt met daarop de mededeling dat hij tot 7 augustus 2006 wegens vakantie afwezig zou zijn.

2.11 Op 24 augustus 2006 heeft verweerder [G] en [S], plaatsvervangend hoofd van de afdeling BUNZ, gehoord met betrekking tot het opnemen van het verlof door eiser. Daarbij is hen de schriftelijke zienswijze van eiser van 4 augustus 2006 voorgelegd. Uit het terzake opgemaakte verslag volgt - voor zover van belang - dat [S] het werkoverleg heeft voorgezeten en dat [G] later ter vergadering is gekomen. [S] stelt de vakantie van de inspecteurs aan de orde te hebben gesteld en daarbij expliciet aan eiser te hebben gevraagd zijn vakantie door te geven aan [G], omdat hij dat nog niet had gedaan. Volgens [S] en [G] hebben zij eiser daarop slechts horen antwoorden met de woorden: "Dat zal ik doen". Beiden tekenen daarbij aan dat de vergadering op dat moment erg rumoerig verliep.

2.12 Bij brief van 31 augustus 2006 is door verweerder (overigens in vervolg op eerdere brieven met dezelfde strekking) meegedeeld dat het salaris van eiser over de periode van 3 juli 2006 tot 4 augustus 2006 (14.00 uur) zal worden ingehouden in verband met zijn afwezigheid. Daarbij is aangetekend dat het salaris alsnog zal worden uitbetaald indien uit de definitieve besluitvorming met betrekking tot het opleggen van een disciplinaire straf blijkt, dat eisers afwezigheid in de bewuste periode hem niet kan worden aangerekend. Het door eiser bij brief van 23 augustus 2006 gemaakte bezwaar tegen de inhouding van de bezoldiging is door verweerder aangemerkt als een voortijdig bezwaar tegen de brief van 31 augustus 2006 en krachtens artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontvankelijk geoordeeld.

2.13 Bij besluit van 8 september 2006 heeft verweerder wegens beweerdelijk gepleegd plichtsverzuim aan eiser een disciplinaire straf opgelegd, bestaande uit de inhouding van 36 verlofuren en 1% van het jaarsalaris van eiser. Verweerder heeft aan dat besluit - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim wegens zijn ongeoorloofde afwezigheid in de periode van 3 juli 2006 tot 4 augustus 2006 (14.00 uur).

2.14 De door eiser tegen de beide besluiten gemaakte bezwaren zijn, na een hoorzitting op 13 februari 2007, bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de inhouding van het salaris

2.15 Alvorens te kunnen toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, voor zover dat is gericht tegen de inhouding van het salaris, staat ambtshalve ter beoordeling van de rechtbank of verweerder het daartegen bij brief van 23 augustus 2006 gemaakte bezwaar terecht ontvankelijk heeft geoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe het volgende. Uit de gedingstukken blijkt dat verweerder aan eiser bij brief van 12 juli 2006 heeft meegedeeld dat is besloten tot inhouding van de bezoldiging krachtens artikel 3:14, eerste lid van de ARU. De rechtbank is van oordeel dat de bedoelde brief, gelet op de daarin gebruikte formulering, heeft te gelden als een op rechtsgevolg gericht besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Anders dan verweerder meent kan de brief van 31 augustus 2006 dan ook niet worden aangemerkt als een primair besluit, nu het beoogde rechtsgevolg met het besluit van 12 juli 2006 reeds was ingetreden. Het door eiser tegen het besluit tot inhouding van de bezoldiging gemaakte bezwaar van 23 augustus 2006 is dan ook weliswaar door verweerder terecht ontvankelijk geoordeeld, zij het dat het bezwaar moet worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 12 juli 2006. De rechtbank merkt ten overvloede op dat zulks voor de inhoudelijke beoordeling geen verschil maakt.

2.16 Ingevolge artikel 3:14, eerste lid, van de ARU ontvangt de ambtenaar geen bezoldiging over de periode waarin hij zijn werkzaamheden niet heeft verricht, tenzij dit hem naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet verweten kan worden of deze regeling het tegendeel bepaalt.

Ingevolge artikel 6:2, eerste lid, van de Uitvoeringsregelingen Utrecht (URU) bepalen burgemeester en wethouders of en wanneer het gevraagde verlof gegeven wordt.

Ingevolge artikel 6:2, derde lid, van de URU moet verlof in de regel zoveel mogelijk ten minste vier dagen tevoren schriftelijk worden aangevraagd.

2.17 Ter beoordeling van de rechtbank staat of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van de situatie dat eiser geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij zijn werkzaamheden gedurende de periode van 3 juli 2006 tot 4 augustus 2006 (14.00 uur) niet heeft verricht.

2.18 Eiser stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat hem van zijn afwezigheid geen verwijt kan worden gemaakt, omdat hij daartoe aan zijn leidinggevende verlof heeft gevraagd en gekregen. Ter onderbouwing van deze beroepsgrond heeft eiser gesteld dat hij in het op donderdag, 29 juni 2006, gehouden werkoverleg zijn vakantie heeft gemeld en dat hij uit de reactie van [G] mocht afleiden dat hij daarvoor toestemming had gekregen. Eiser heeft verklaringen overgelegd van [R en B], gedateerd 22 augustus 2006. Partijen verschillen met elkaar van mening over wat zich precies tijdens het werkoverleg heeft afgespeeld. Eiser heeft gesteld dat hij zijn vakantieverlof tijdens de vergadering heeft gemeld en dat [G] daarop heeft gereageerd met de vraag dat door te geven aan [J], unitsecretaresse. Deze lezing is door [R en B] bevestigd. [G] en [S] hebben daarentegen verklaard dat eerstgenoemde uitsluitend aan eiser heeft gevraagd door te geven wanneer hij vakantie opneemt, waarop door eiser slechts zou zijn geantwoord dat hij daarvoor zou zorgen.

2.19 De rechtbank acht het, gelet op de afgelegde verklaringen, niet onaannemelijk dat eiser tijdens het overleg melding heeft gemaakt van de periode gedurende welk hij met vakantie zou zijn. Gelet op de door [G] en [S] afgelegde verklaringen is echter evenmin onaannemelijk dat die melding - gelet op het rumoerige verloop van de vergadering - door hen niet is gehoord. In ieder geval is niet gesteld en is de rechtbank ook niet gebleken dat het door eiser tijdens de vergadering gedane verzoek om verlof te mogen opnemen door [G] of [S] expliciet en zonder enig voorbehoud is gehonoreerd. De rechtbank is van oordeel dat de ontstane miscommunicatie aan eiser dient te worden toegerekend en dat hij daarvan dan ook het risico behoort te dragen. De rechtbank neemt daartoe in overweging dat eiser naar aanleiding van een aantal incidenten herhaaldelijk en expliciet te kennen is gegeven dat verlof tijdig moet worden aangevraagd bij zijn leidinggevende en dat hij is gewaarschuwd voor mogelijke disciplinaire maatregelen. Bovendien is hem op 12 december 2005 naar aanleiding van de bedoelde incidenten een dienstopdracht gegeven, waarbij hij er wederom op is gewezen dat het niet opvolgen daarvan onvermijdelijk zou leiden tot disciplinaire maatregelen. De rechtbank is van oordeel dat deze dienstopdracht in de zich voordoende situatie was te beschouwen als een redelijke opdracht, waaraan eiser gehoor diende te geven. Eiser had moeten begrijpen dat op hem een bijzondere verantwoordelijkheid rustte, op grond waarvan hij gehouden was het opnemen van verlof tijdig en op een transparante wijze te communiceren met zijn leidinggevende. Hij gold immers als een gewaarschuwd man. Naar het oordeel van de rechtbank was er niets dat eiser verhinderde om [G] ruim voorafgaand aan het werkoverleg persoonlijk (zo nodig door een e-mail of voicemailbericht) te verzoeken om toestemming voor het opnemen van vijf weken verlof ingaande 3 juli 2006. Daarvoor was naar het oordeel van de rechtbank temeer aanleiding nu het ging om een relatief lange periode. Van eiser mocht onder de geschetste omstandigheden worden verwacht dat hij niet zou wachten met het vragen van toestemming tot twee werkdagen vóórdat het verlof zou ingaan. De rechtbank is concluderend van oordeel dat eiser niet beschikte over de noodzakelijke toestemming van zijn leidinggevende voor het opnemen van vijf weken verlof met ingang van 3 juli 2006. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat er geen sprake is van de situatie dat eiser geen verwijt kan worden gemaakt van zijn afwezigheid. Nu de dwingende formulering van artikel 3:14, eerste lid, van de ARU aan verweerder geen beleids- of beoordelingsruimte laat, is de bezoldiging naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht ingehouden gedurende de periode dat eiser ongeoorloofd afwezig was. Het beroep van eiser voor zover gericht tegen de inhouding van de bezoldiging gedurende de periode van 3 juli 2006 tot 4 augustus 2006 (14.00 uur) is gelet op het vorenstaande ongegrond.

Ten aanzien van de disciplinaire straf

2.20 Ingevolge artikel 16:1, eerste lid, van de ARU kan de ambtenaar die zich schuldig maakt aan plichtsverzuim disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim het overtreden van een voorschrift, het niet nakomen van opgelegde verplichtingen en het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge het derde lid wordt, ter vaststelling van de feiten, de ambtenaar die zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim of van wie dat ernstig wordt vermoed, zo spoedig mogelijk door burgemeester en wethouders gehoord.

Ingevolge artikel 16:3, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de ARU kan de ambtenaar onder meer een straf worden opgelegd in de vorm van inhouding van ten hoogste 36 verlofuren en een geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per jaar.

Ingevolge het tweede lid kan door burgemeester en wethouders voor eenzelfde plichtsverzuim een combinatie van twee straffen worden opgelegd.

2.21 Verweerder heeft aan het besluit van 8 september 2006 - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft gehandeld overeenkomstig de dienstopdracht van12 december 2005. Verweerder doelt daarmee op de ongeoorloofde afwezigheid in de periode van 3 juli 2006 tot 4 augustus 2006 (14.00 uur), alsmede het niet voldoen aan herhaalde sommaties om zich onverwijld bij verweerder te melden en zijn werkzaamheden te hervatten. Verweerder meent dat sprake is van plichtsverzuim.

2.22 Ten aanzien van het door verweerder aan de disciplinaire bestraffing ten grondslag gelegde ongeoorloofde verzuim verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 2.19. Daaruit volgt dat het aan eiser verweten gedrag voldoende feitelijke grondslag heeft.

2.23 Ten aanzien van het door verweerder geuite verwijt dat eiser niet heeft voldaan aan de bij brieven van 5 juli 2006 en 7 juli 2006 gegeven opdracht om zich onverwijld bij verweerder te melden teneinde zijn werkzaamheden te hervatten, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht door eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij eerst na terugkeer van vakantie op de hoogte is gekomen van de brieven van verweerder van 5 juli 2006, 7 juli 2006 en 12 juli 2006. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de brief van 5 juli 2006 is aangeboden aan het adres van eiser en ook aldaar in ontvangst is genomen. Eiser heeft voorts erkend dat op de ontvangstbevestiging zijn handtekening is geplaatst. De enkele stelling van eiser dat iemand anders die handtekening moet hebben geplaatst en de in dat verband in bezwaar gewekte suggestie dat verweerder eisers handtekening zou hebben gemanipuleerd, wordt als ongeloofwaardig verworpen.

Ook acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat eiser niet tijdig kennis heeft genomen van de door [B] op 5 juli 2006 verzonden sms- en voicemailberichten. Uit het door verweerder in het geding gebrachte overzicht inzake het gebruik van eisers mobiele telefoon, alsmede uit het interne memo van 10 [K] acht de rechtbank aannemelijk geworden dat [B] op 5 juli 2006 het nummer van de mobiele telefoon van eiser heeft gebeld, dat hij een voicemailbericht heeft ingesproken en dat hij eiser een sms-bericht heeft gezonden. Het verweer van eiser dat hij zijn mobiele telefoon niet mee had genomen op vakantie en dat deze tijdens zijn afwezigheid door zijn nichtje moet zijn gebruikt (die op die dag met haar ouders in zijn woning op bezoek was) wordt door de rechtbank evenmin geloofwaardig geacht. In dat verband heeft verweerder er terecht op gewezen dat blijkens het genoemde overzicht op 5 juli 2006 drie telefoongesprekken zijn gevoerd, waarvan één met een lengte van ruim drie minuten. Bovendien is op die dag naar het nummer 1233 gebeld, waarmee voicemailberichten kunnen worden beluisterd. Uit het overzicht volgt dat ook op 7 juli 2006 bijna drie minuten met het toestel is gebeld naar de voicemail (nummer 1233). De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat deze gesprekken een gevolg zouden zijn van het feit dat het 7-jarig nichtje van eiser met het toestel heeft gespeeld, daargelaten dat daarmee het op 7 juli 2006 gevoerde telefoongesprek niet kan worden verklaard. De dienaangaande door eiser in beroep overgelegde verklaringen van [G] (broer van eiser) en [G] (moeder van eiser) hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht.

2.24 Uit het vorenstaande volgt dat eiser heeft nagelaten te reageren op de uitdrukkelijke sommatie van verweerder om zich onverwijld met hem in verbinding te stellen teneinde zijn werkzaamheden te hervatten. Verweerder heeft die handelwijze naar het oordeel van de rechtbank, mede in het licht van de op 12 december 2005 gegeven dienstopdracht, terecht als ernstig plichtsverzuim aangemerkt.

2.25 De rechtbank acht de disciplinaire straf van inhouding van 36 verlofuren en 1% van het jaarsalaris niet onevenredig met het gepleegde plichtsverzuim.

2.26 Hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. Putters en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2008.

De griffier: De rechter:

mr. J.K. van de Poel mr. P. Putters

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.