Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC5578

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-03-2008
Datum publicatie
03-03-2008
Zaaknummer
16-601109-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren voor eendaadse samenloop van verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/601109-07

Datum uitspraak: 3 maart 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de [P.I. Utrecht].

Raadsvrouwe: mr. M.M. Strengers, advocaat te Soest.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 februari 2008 en 18 februari 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging ter zitting van het onder 2 ten laste gelegde feit, ten laste gelegd:

1.

hij op of omstreeks 10 november 2007 te De Bilt, althans in het arrondissement Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging met geweld en / of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, één of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en/of een andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte,

- toen die [slachtoffer] aldaar fietste- achter die [slachtoffer] is aangerend/aangegaan en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] (van achteren) heeft vastgepakt en/of

- zijn vinger tegen de neus en/of zijn hand over de mond van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of

- (toen die [slachtoffer] gilde/probeerde te gillen) één of meermalen tegen die [slachtoffer] heeft gezegd en/of "Hou je rustig, hou je mond, anders steek ik je lek", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer] heeft voortgeduwd en/of naar de Schorteldoekse-steeg heeft geduwd en/of

- één of meermalen tegen die[slachtoffer] heeft gezegd dat hij haar, als zij zich rustig zou houden, alleen maar zou vingeren, althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

2.

hij op of omstreeks 10 november 2007 te De Bilt, althans in het arrondissement Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging met geweld en /of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,

- toen die [slachtoffer] aldaar fietste, achter die [slachtoffer] is aangerend/aangegaan en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] (van achteren) heeft vastgepakt en/of

- zijn vinger tegen de neus en/of zijn hand over de mond van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of

- (toen die [slachtoffer] gilde/probeerde te gillen) één of meermalen tegen die [slachtoffer] heeft gezegd en/of "Hou je rustig, hou je mond, anders steek ik je lek", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer] heeft voortgeduwd en/of naar de Schorteldoekse-steeg heeft geduwd en/of

- één of meermalen tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij haar (als zij zich rustig zou houden) alleen maar zou vingeren, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

(vervolgens) heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] gedwongen tot handelingen die bestaan uit of mede hebben bestaan uit:

- het naar beneden trekken van de regenbroek en/of spijkerbroek en/of de slip, althans kleding van die [slachtoffer] en/of

- het aanraken van de vagina van die [slachtoffer] en/of

- heeft hij, verdachte, zijn penis uit die broek gehaald en/of

- de hand van die [slachtoffer] op zijn (verdachtes) penis gelegd.

De bewezenverklaring

In deze zaak staat vast dat in de vroege ochtend van 11 november 2007 verdachte en het slachtoffer elkaar zijn tegengekomen op de Utrechtseweg te De Bilt. Verdachte liep aldaar en het slachtoffer fietste in de richting Zeist. Zij hebben zich gezamenlijk naar de Schorteldoeksesteeg begeven alwaar seksuele handelingen zijn verricht. Het slachtoffer heeft gesteld dat zij tegen haar wil en onder bedreiging de steeg is ingevoerd en seksuele handelingen heeft ondergaan. Verdachte daarentegen stelt dat de seksuele handelingen met wederzijdse instemming hebben plaatsgehad.

De verklaringen van het slachtoffer en verdachte over de aard en omvang van de verrichte seksuele handelingen komen overeen. Vast staat derhalve dat zij geen geslachtsgemeenschap hebben gehad, maar dat verdachte wel zijn vinger (of meerdere vingers) in de vagina van het slachtoffer heeft gebracht. Ook is niet in geding dat verdachte zijn penis uit zijn broek heeft gehaald en de behandschoende hand van het slachtoffer daarop heeft gelegd. Toen het slachtoffer aangaf dat zij zag dat er iemand aankwam, zijn de seksuele handelingen gestaakt.

De rechtbank dient te oordelen over de vraag of het slachtoffer door verdachte is gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. De verklaringen van het slachtoffer en verdachte staan op dit punt lijnrecht tegenover elkaar. De rechtbank is van oordeel dat er sprake was van dwang door middel van geweld. Dat geweld heeft bestaan uit het achter het slachtoffer aanrennen toen zij langsfietste, het vervolgens vastpakken van het slachtoffer en het duwen van het slachtoffer naar de Schorteldoeksesteeg. Voor het overige geweld dat genoemd is in de tenlastelegging ontbreekt aanvullend bewijs naast de verklaring van het slachtoffer, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De verklaring van het slachtoffer ten aanzien van de hiervoor eerstgenoemde dwang door middel van geweld wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen en er is derhalve sprake van voldoende wettig bewijs. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de volgende omstandigheden:

- De verdachte heeft op het door het slachtoffer gestelde moment en op die plaats de door het slachtoffer weergegeven seksuele handelingen met haar verricht ;

- [Getuige 1] reed in een auto langs een man die langzaam vanuit Zeist in de richting Utrecht liep. Hij zag ook een meisje komen vanuit de richting Utrecht. De getuige heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de man zag kijken en dat hij de man ineens een soort sprintachtige beweging zag maken. De getuige dacht dat de man achter het meisje aanging; hij rende in ieder geval in haar richting. De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat de getuige heeft gezien dat een meisje van haar fiets werd getrokken, zoals in het proces-verbaal is vermeld. Wel kan in deze verklaring steun worden gevonden voor de verklaring van het slachtoffer dat zij ineens de man achter zich aan hoorde komen. De verklaring van verdachte, te weten dat hij met het slachtoffer in gesprek raakte en dat van het een het ander kwam, past niet in deze getuigenverklaring. De stelling van de verdediging dat deze getuige mogelijk over een andere man verklaarde, omdat zijn omschrijving van de bovenkleding van de man ten tijde van het achter de fiets aangaan en ten tijde van de aanhouding niet overeenkomt met de bovenkleding die verdachte bij zijn aanhouding droeg, acht de rechtbank niet overtuigend. Vast staat dat verdachte seksuele handelingen met het slachtoffer heeft verricht, dat hij op de Utrechtseweg contact met haar maakte en dat hij vervolgens door de politie is aangehouden. Daarmee wordt uitgesloten dat enige andere man bij een van de door de getuige waargenomen incidenten betrokken was.

- De politie heeft vastgesteld dat de snelbinders van de fiets van het slachtoffer om het achterwiel waren gewikkeld . Hiervan zijn ook foto’s gemaakt. Als de verklaring van verdachte wordt gevolgd, valt niet in te zien hoe dit is veroorzaakt. Verdachte zegt weliswaar dat de fiets moeilijk vooruitkwam, maar hij weet niet hoe dit kwam. Het slachtoffer heeft verklaard dat de snelbinders door haar gebruikt waren om een rode plastic tas achter op haar fiets te binden. Die tas is later op het fietspad, ter

hoogte van de plaats waar het slachtoffer stelt te zijn aangevallen, aangetroffen .

Hieruit volgt dat die tas van de fiets moet zijn geraakt en de snelbinders om het wiel moeten zijn geraakt of op het moment van het eerste contact tussen verdachte en het slachtoffer of in de tijd tussen dat moment en het moment dat zij met de fiets zijn gaan lopen. Toen ze gingen lopen was er immers, zo verklaart ook verdachte , iets met de fiets waardoor ze deze moesten meesleuren. Deze omstandigheden passen goed in de verklaring van het slachtoffer dat verdachte haar van achteren beetpakte, dat daardoor de fiets omdraaide en dat verdachte haar met de fiets tegen haar wil in de richting van de steeg duwde. Het is zeer wel mogelijk dat tijdens dergelijke handelingen een op de fiets gebonden tas van de fiets valt en dat de snelbinder daarbij in het wiel geraakt. Verdachte heeft voor deze omstandigheden, desgevraagd, geen enkele verklaring;

De rechtbank acht dit bewijs ook overtuigend, en wel op grond van de navolgende omstandigheden:

- Het slachtoffer en verdachte kenden elkaar niet. Het was slecht weer en midden in de nacht. In die omstandigheden is het niet veel voorkomend dat een vrouw alleen, op de fiets, in gesprek raakt met een voetganger en er vervolgens in toestemt om met hem, buiten, seksuele handelingen te verrichten. Daar komt bij dat verdachte over deze gang van zaken eigenlijk niets weet te verklaren. Hij zegt onder invloed van drank en drugs te zijn geweest en het zich derhalve niet meer goed te herinneren. Het slachtoffer legt daarentegen een gedetailleerde verklaring af. In deze omstandigheden had het op de weg van verdachte gelegen om meer openheid van zaken te geven over hetgeen volgens hem is voorgevallen en met name over de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat het slachtoffer bereid was seksuele handelingen met hem te verrichten.

- [Getuige 1] heeft uit hetgeen hij heeft gezien opgemaakt dat er iets helemaal mis ging. Hij heeft zijn vriendin, die de auto bestuurde, gevraagd om de auto tot stilstand te brengen en hij heeft het alarmnummer van de politie gebeld. Toen de politie zijn melding niet serieus leek te nemen heeft zijn vriendin vervolgens ook het alarmnummer gebeld . Bij deze getuige bestond, op basis van zijn waarnemingen ter plaatse, de overtuiging dat het slachtoffer werd aangevallen.

- Het proces-verbaal van bevindingen van de eerste agenten die ter plaatse waren geeft een beeld van het eerste contact met het slachtoffer . Dit beeld wordt versterkt door de slachtofferverklaring. Deze bevindingen onderschrijven de verklaring van het slachtoffer.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de raadsvrouwe van verdachte over het proces-verbaal van 14 februari 2007 merkt de rechtbank op dat niet de rechtbank, maar het openbaar ministerie het dossier samenstelt. De rechtbank ziet geen gronden om dit proces-verbaal buiten beschouwing te laten. De rechtbank is er bij de beoordeling van deze zaak, en met name bij het bepalen van de strafmaat, van uit gegaan dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke delicten.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld.

1.

hij op 10 november 2007 te De Bilt door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, één of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld hierin dat hij, verdachte,

- toen die [slachtoffer] aldaar fietste achter die [slachtoffer] is angerend/aangegaan en

- vervolgens die [slachtoffer] heeft vastgepakt en

- die [slachtoffer] naar de Schorteldoeksesteeg heeft geduwd.

2.

hij op 10 november 2007 te De Bilt door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,

- toen die [slachtoffer] aldaar fietste achter die [slachtoffer] aangerend/aangegaan en

- vervolgens die [slachtoffer] vastgepakt en

- die [slachtoffer] naar de Schorteldoeksesteeg geduwd

vervolgens heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] gedwongen tot handelingen die bestaan uit of mede hebben bestaan uit:

- het naar beneden trekken van de regenbroek en spijkerbroek en de slip en

- het aanraken van de vagina van die [slachtoffer] en

heeft hij, verdachte, zijn penis uit die broek gehaald en de hand van die [slachtoffer] op zijn (verdachtes) penis gelegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten:

Eendaadse samenloop van verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een ernstig delict gepleegd door op grove wijze inbreuk te maken op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij deed dit met gebruik van geweld, misbruik makend van de verminderde sociale controle op het tijdstip waarop hij tot het plegen van deze daad overging. Aan zijn daad kwam slechts een einde door ingrijpen van buitenaf. Zijn handelen heeft ernstige gevolgen gehad voor het slachtoffer. Zoals zij het zelf uitdrukt in haar verklaring van 15 februari 2008, afgelegd ten overstaan van Slachtofferhulp Nederland: Het voelt alsof hij een stukje van mij, mijn puurheid, mijn eigen ik, heeft afgenomen. Haar gevoel van veiligheid is aangetast, waardoor zij in haar bewegingsvrijheid wordt beperkt, zowel binnen als buiten haar directe leefomgeving. Ook ervaart zij belemmeringen in haar seksuele leven en in de werksfeer. Het een en ander heeft bij het slachtoffer aldus een trauma opgeleverd, waaraan zij door middel van deskundige begeleiding zal moeten worden behandeld.

Naast de nadelige gevolgen die het delict voor het slachtoffer heeft leidt het door de verdachte begane feit tot grote maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid, niet alleen in de directe omgeving van de plaats waar het is gepleegd, maar ook daarbuiten.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 november 2007, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens geweldsdelicten.

Verdachte heeft bij herhaling, ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting, ontkend het onderhavige delict te hebben gepleegd. Hij heeft er blijk van gegeven geen enkel inzicht te hebben in de wijze waarop zijn daad door het slachtoffer is beleefd en voor de gevolgen die zijn daad voor haar heeft. Hetzelfde gebrek aan inzicht heeft ertoe geleid dat hij niet bereid is gebleken mee te werken aan een onderzoek door een deskundige naar de achterliggende oorzaken van zijn gedrag, laat staan de behandeling daarvan.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 2.700,00, ter zitting verhoogd tot € 4.000,00 wegens immateriële schade en een bedrag van € 785,16 wegens materiële schade.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de kosten voor behandeling door een psycholoog (€ 80,00) en de vervoerskosten is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De stelling dat de benadeelde partij voor de behandeling door een psycholoog een eigen risico moet betalen, wordt immers niet voldoende onderbouwd. Ook het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de vervoerskosten te betalen aan [X] (€ 250,25) is onvoldoende onderbouwd.

De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 2.000,00 en de materiële schade wordt begroot op € 705,16.

De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 2.705,16 worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 27, 36f, 55, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], domicilie kiezende te advocatenkantoor Verhoef, gevestigd te Zeist, ten dele toe tot een bedrag van € 2.705,16 (zegge tweeduizend zevenhonderdvijf euro en zestien eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 2.705,16 (zegge tweeduizend zevenhonderdvijf euro en zestien eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 43 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs S.C. Hagedoorn, J.R. Krol en P.J.G. van Osta, bijgestaan door S.E. Lim als griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 maart 2008.