Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC5487

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
29-02-2008
Zaaknummer
16/600182-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van zedendelicten ten aanzien van twee minderjarige kinderen (waaronder zijn stiefdochter) en zijn toenmalige schoonmoeder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden en TBS met dwangverpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/600182-07; 16/600182-07A (ttz. gev.); 16/500065-07 (ttz.gev.)

Datum uitspraak: 28 februari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de gevoegde zaken tegen:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, te Nieuwegein.

Raadsman: mr. J. Bredius.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 februari 2008.

De tenlastelegging

Aan bovengenoemde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat:

Parketnummer 16/600182-07

1. hij in of omstreeks de periode van 01 april 2001 tot en met 19 juni 2003 te Soest en/of Huizen en/of elders in Nederland, meermalen althans eenmaal met [aangever 1] (geboren op [geboortedatum] 1991), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever 1], hebbende verdachte zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [aangever 1] geduwd/gebracht;

2. hij in of omstreeks de periode van 20 juni 2003 tot en met 01 juni 2005 te Soest en/of Huizen, en/of elders in Nederland, meermalen althans eenmaal, met [aangever 1] (geboren op [geboortedatum] 1991), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever 1], hebbende verdachte zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [aangever 1] geduwd/gebracht;

3. hij in of omstreeks de periode van 01 april 2001 tot en met 01 juni 2005 te Soest, althans in het arrondissement Utrecht, en/of Huizen, althans elders in Nederland, meermalen althans eenmaal, met [aangever 1], geboren op [geboortedatum] 1991, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande in het ontuchtig aanraken van haar borsten;

Parketnummer 16/600182-07A

6. hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2001 tot en met 31 mei 2001, in elk geval in het jaar 2001, te Soest, althans in het arrondissement Utrecht, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [aangever 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het dicht tegen die [aangever 2] aan gaan staan en/of (vervolgens) het betasten van de borsten van die [aangever 2], en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte, die [aangever 2] (zeer) plotseling en/of (zeer) onverhoeds (van achteren) heeft benaderd en/of zich opeens aan haar heeft opgedrongen;

7. Primair hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2003 tot en met 01 januari 2005 te Soest, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en / of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [aangever 2] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, (opzettelijk) - (meermalen) in de borsten en/of billen en/of schaamstreek van die [aangever 2] heeft geknepen en/of de spijkerbroek van die [aangever 2] heeft opengemaakt en/of - getracht heeft met zijn hand(en) in de onderbroek van die [aangever 2] te komen en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte, * die [aangever 2] plotseling en/of onverhoeds (van achteren) heeft benaderd en/of * die [aangever 2] heeft beetgepakt en/of tegen een kast heeft gegooid en/of tegen die kast gedrukt heeft gehouden en/of * (daarbij) tegen die [aangever 2] heeft gezegd: - "lekker wijf" en/of - "toen ik je voor het eerst zag dacht ik dat is een lekkere schoonmoeder, die moet ik hebben" en/of - "ik weet zeker dat je (een) lekker(e) kutje en/of billen en/of anus en/of borsten hebt" en/of - "waarom ben je niet gewillig" en/of - "ik zie aan je ogen dat je wel wilt" en/of - "jij bent zo'n wijf dat nee zegt, maar wel wil" (althans telkens woorden van gelijke aard en/of strekking), * tóch is doorgegaan met bovenvermelde handelingen en/of het uitspreken van bovenvermelde woorden terwijl die [aangever 2] hem, verdachte, (meermalen) kenbaar heeft gemaakt dat zij daar niet van gediend was en/of dat hij, verdachte, daarmee moest ophouden, en/of (aldus) voor die [aangever 2] een (be)dreigende situatie heeft doen ontstaan, in elk geval een dermate (be)dreigende (atmo)sfeer heeft geschapen dat die [aangever 2] zich niet vrij voelde / kon voelen de vorenomschreven handelingen niet te ondergaan, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2003 tot en met 01 januari 2005 te Soest, althans in het arrondissement Utrecht, door geweld en / of een andere feitelijkheid en / of door bedreiging met geweld en /of een andere feitelijkheid [aangever 2] heeft gedwongen tot het plegen en / of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit - het (meermalen) in de borsten en/of billen en/of schaamstreek van die [aangever 2] knijpen en/of betasten en/of - het openmaken van de spijkerbroek van die [aangever 2] en/of - het trachten met zijn hand(en) in de onderbroek van die [aangever 2] te komen en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte, * die [aangever 2] plotseling en/of onverhoeds (van achteren) heeft benaderd en/of * die [aangever 2] heeft beetgepakt en/of tegen een kast heeft gegooid en/of tegen die kast gedrukt heeft gehouden en/of * (daarbij) tegen die [aangever] heeft gezegd: - "lekker wijf" en/of - "toen ik je voor het eerst zag dacht ik dat is een lekkere schoonmoeder, die moet ik hebben" en/of - "ik weet zeker dat je (een) lekker(e) kutje en/of billen en/of anus en/of borsten hebt" en/of - "waarom ben je niet gewillig" en/of - "ik zie aan je ogen dat je wel wilt" en/of - "jij bent zo'n wijf dat nee zegt, maar wel wil" (althans telkens woorden van gelijke aard en/of strekking), * tóch is doorgegaan met bovenvermelde handelingen en/of het uitspreken van bovenvermelde woorden terwijl die [aangever 2] hem, verdachte, (meermalen) kenbaar heeft gemaakt dat zij daar niet van gediend was en/of dat hij, verdachte, daarmee moest ophouden, en/of (aldus) voor die [aangever 2] een (be)dreigende situatie heeft doen ontstaan, in elk geval een dermate (be)dreigende (atmo)sfeer heeft geschapen dat die [aangever 2] zich niet vrij voelde / kon voelen de vorenomschreven handelingen niet te ondergaan;

Parketnummer 16/500065-07

1. Primair

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 1997 tot en met 01 januari 1999 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf, om door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid, [aangever 3] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, (opzettelijk) - die [aangever 3] haar broek en/of onderbroek heeft uitgetrokken en/of heeft laten uittrekken en/of - de benen van die [aangever 3] uiteen heeft gedaan en/of die [aangever 3] haar benen wijd heeft laten doen en/of - zijn, verdachtes, (stijve) geslachtsdeel in de richting van en/of dichtbij de vagina van die [aangever 3] heeft gebracht, en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte, * (daarbij) tegen die [aangever 3] heeft gezegd - "je mag hierover niets tegen iemand zeggen anders krijg je een pak rammel" en/of - "ik heb behoeft aan je" en/of - "ik heb zin in je, je moet je broek en onderbroek uitdoen" en/of - "je moet doen wat ik zeg, anders zeg ik tegen je moeder dat je vervelend bent geweest en krijg je een klap van haar" en/of - "doe je benen wijd" (althans telkens woorden van gelijke aard en/of strekking) * tóch is doorgegaan met bovenvermelde handelingen en/of het uitspreken van bovenvermelde woorden terwijl die [aangever 3] hem, verdachte, (meermalen) kenbaar heeft gemaakt dat zij daar niet van gediend was en/of *misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht van hem, verdachte, op die [aangever 3], en/of (aldus) voor die [aangever 3] een (be)dreigende situatie heeft doen ontstaan, in elk geval een dermate (be)dreigende (atmo)sfeer heeft geschapen dat die [aangever 3] zich niet vrij voelde / kon voelen de vorenomschreven handelingen niet te ondergaan, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 1997 tot en met 01 januari 1999 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [aangever 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het (op ontuchtige wijze) - (laten) uittrekken van haar broek en/of onderbroek en/of - uiteen doen van de benen van die [aangever 3] en/of het wijd laten doen van de benen van die [aangever 3] en/of - in de richting van en/of dichtbij de vagina van die [aangever 3] brengen van zijn, verdachtes, (stijve) geslachtsdeel, en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte, * (daarbij) tegen die [aangever 3] heeft gezegd - "je mag hierover niets tegen iemand zeggen anders krijg je een pak rammel" en/of - "ik heb behoeft aan je" en/of - "ik heb zin in je, je moet je broek en onderbroek uitdoen" en/of - "je moet doen wat ik zeg, anders zeg ik tegen je moeder dat je vervelend bent geweest en krijg je een klap van haar" en/of - "doe je benen wijd" (althans telkens woorden van gelijke aard en/of strekking) * tóch is doorgegaan met bovenvermelde handelingen en/of uitspreken van bovenvermelde woorden terwijl die [aangever 3] hem, verdachte, (meermalen) kenbaar heeft gemaakt dat zij daar niet van gediend was en/of * misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht van hem, verdachte, op die [aangever 3], en/of (aldus) voor die [aangever 3] een (be)dreigende situatie heeft doen ontstaan, in elk geval een dermate (be)dreigende (atmo)sfeer heeft geschapen dat die zich niet vrij voelde / kon voelen de vorenomschreven handelingen niet te ondergaan;

2. hij in of omstreeks van 01 december 1996 tot en met 18 augustus 1998 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, (meermalen) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [aangever 3] en/of met zijn minderjarig stiefkind, [aangever 3], geboren op 19 augustus 1980, bestaande die ontucht hierin dat hij (telkens) (op ontuchtige wijze) de borsten en/of schaamstreek van die [aangever 3] heeft aangeraakt en/of betast.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft namens verdachte ten aanzien van parketnummer 16/500065-07 het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie wegens schending van beginselen van een goede procesorde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten eerste zou het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 11 mei 2007 op geluidscassette worden opgenomen en verpakt blijven en gewaarmerkt bewaard worden. Dit is echter niet gebeurd. Wegens het opraken van de batterij van de laptop is de stekker echter uit de geluidscassette gehaald en werd deze weggelegd zonder dat daarvan melding wordt gemaakt in het proces-verbaal. Daar komt bij dat door een stroomstoring niet meegetypt kon worden en dat later aan de hand van de videoband het verhoor verder is uitgetypt. Hierdoor ontbeert het proces-verbaal de bewijskracht in de zin van artikel 344 lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafvordering. Ten tweede is de raadsman van mening dat de verklaring van verdachte d.d. 11 mei 2007 niet in vrijheid is afgelegd, nu de verbalisanten hem gedurende enige tijd hebben geconfronteerd met een verklaring van aangeefster, die zij in werkelijkheid niet had afgelegd. Voorts stelt de raadsman dat in het proces-verbaal wel is opgenomen dat verdachte is gewezen op zijn zwijgrecht, maar niet dat daarover vervolgens een discussie is ontstaan. Deze discussie zou niet hebben plaatsgevonden als bij het verhoor een raadsman aanwezig zou zijn geweest.

Ten derde is volgens de raadsman geen sprake van nieuwe bezwaren die ertoe leiden dat het openbaar ministerie na een eerder sepot verdachte verder mag vervolgen.

De rechtbank overweegt omtrent het eerste door de raadsman gevoerde standpunt dat het verhoor van verdachte d.d. 11 mei 2007 is opgenomen op videoband met geluid, aan de hand waarvan dezelfde verbalisanten die het verhoor hebben afgenomen een uitgetypte versie hebben gemaakt. Niet valt in te zien welk vormvoorschrift niet is nageleefd, noch welk belang van de verdediging is geschaad doordat het verhoor daarnaast niet ook op een geluidscassette is opgenomen. Nu dezelfde verbalisanten die het verhoor hebben afgenomen het proces-verbaal van verhoor hebben uitgewerkt, is sprake van een geschrift in de zin van artikel 344 lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman op dit punt. Omtrent het tweede door de raadsman gevoerde verweer overweegt de rechtbank dat de raadsman het feitelijke verloop van het onderzoek miskent. Op 24 april 2007 heeft de politie een informatief gesprek gevoerd met aangeefster [aangever 3], waarin gesproken wordt over het betasten van de vagina. Verdachte is op 11 mei 2007 met deze verklaring geconfronteerd. Op 16 mei 2007 heeft de politie aangeefster [aangever 3] nader gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt bovendien niet van een zodanige, ontoelaatbare druk in een verhoorsituatie dat verdachte zijn verklaring niet in vrijheid zou hebben afgelegd. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Tot slot is de stelling van de raadsman dat van nieuwe bezwaren geen sprake is geweest eveneens ongegrond. In het kader van artikel 255 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering heeft de rechter-commissaris, na verhoor van verdachte, geoordeeld dat van nieuwe bezwaren sprake was. Ook de rechtbank stelt vast dat verdachte bij de politie op 12 april 2007 heeft verklaard dat er meer is gebeurd. Uit pagina 5 van het B-proces-verbaal blijkt dat de politie nader onderzoek heeft gedaan, waarbij met aangeefster [aangever 3] op 24 april 2007 is gesproken en zij op 16 mei 2007 formeel is gehoord. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Gelet op het vooroverwogene is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in haar vervolging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van de onder parketnummer 16/600182-07 feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten overweegt de rechtbank het volgende. Aangeefster [aangever 1] verklaart bij de politie dat toen zij in groep 6 van de basisschool zat, verdachte tijdens de avondvierdaagse van 2001 voor de eerste keer aan haar heeft gezeten. Volgens [aangever 1] is verdachte tweemaal via haar hals met zijn handen haar shirt ingegaan en heeft hij haar borsten aangeraakt. Nadien heeft telkens dezelfde handeling plaatsgevonden bij de school in Soest , bij de trainingen van de basketbalvereniging en bij de uitwedstrijden . In totaal heeft verdachte haar vijftien tot twintig keer betast in een periode van ongeveer 3 jaar. Nadat [aangever 1] in 2006 haar verhaal bij de mentrix [mentrix van aangever 1] heeft gedaan , vertelt zij -onder meer- ook haar moeder omtrent de incidenten bij de avondvierdaagse, de school en het basketbal . In haar aanvullende verklaring verklaart [aangever 1] dat verdachte tijdens voornoemde avondvierdaagse ook kort een klein stukje met een vinger haar vagina is binnengegaan. Dit gebeurde nadat verdachte haar 10 meter het bos bij Soestduinen innam, haar broek tot haar enkels naar beneden deed en zij van verdachte haar benen wijd moest doen. Ten tijde van dit eerste feit was [aangever 1] 9 jaar oud . Verdachte heeft ter terechtzitting van 14 februari 2008 bekend dat hij tijdens de avondvierdaagse tweemaal de blote borsten van [aangever 1] heeft aangeraakt. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij toen in haar onderbroek is geweest met zijn hand, en dat hij met zijn hand op en bij haar vagina is geweest, maar niet in haar vagina. De verdachte acht het mogelijk dat bij het slachtoffer het idee bestond dat hij met zijn vinger in haar vagina ging. De ex-echtgenote van verdachte bevestigt dat verdachte in haar plaats in 2001 de avondvierdaagse heeft gelopen, welke begon op 14 mei 2001. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zich geen andere incidenten kan herinneren en ter terechtzitting heeft verdachte ontkend dat hij bij de school en bij basketbal [aangever 1] heeft betast.

Op grond van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte tijdens de avondvierdaagse van 2001 met een vinger in de vagina van [aangever 1] is geweest en dat hij haar die periode ook tweemaal heeft betast aan haar borsten. Verdachte ontkent weliswaar dat hij met zijn vinger in haar vagina is geweest, maar doet dit zo weinig stellig dat de rechtbank op dit punt meer geloof hecht aan de verklaring van [aangever 1]. De rechtbank acht, op grond van de gedetailleerde verklaring van [aangever 1] en de verklaringen van de getuigen, eveneens bewezen dat verdachte [aangever 1] nadien heeft betast bij school en basketbal. Het onder 1 en 3 tenlastegelegde is wettig en overtuigend bewezen. Hoewel [aangever 1] in haar verklaring bij de politie tevens een incident in de EHBO-kamer heeft genoemd waarbij verdachte met zijn vinger in haar vagina gegaan zou zijn, is naar het oordeel van de rechtbank niet vast te stellen of dit feit voor of na het 12e levensjaar van het slachtoffer heeft plaatsgevonden, zodat verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder parketnummer 16/600182-07A feit 6 en 7 ten laste gelegde feiten overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij in mei 2001 in zijn woning zijn toenmalige schoonmoeder van achteren heeft benaderd en haar borsten heeft betast. Aangeefster [aangever 2] verklaart eveneens dat verdachte ineens achter haar stond, met zijn handen onder haar kleding ging en haar borsten betastte. Op 11 september 2007 bevestigt aangeefster bij de rechter-commissaris haar bij de politie afgelegde verklaring. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 6 ten laste is gelegd. Voorts heeft aangeefster [aangever 2] bij de politie verklaard dat nadien een tweede incident heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte, waarbij verdachte haar van achteren heeft vastgepakt en met de rug tegen de kast heeft aangegooid en gedrukt heeft gehouden. Daarbij heeft verdachte, volgens aangeefster, onder meer de in de tenlastelegging genoemde bewoordingen gebruikt en heeft hij haar in haar borsten en billen en tussen haar benen geknepen. Ook heeft verdachte haar broek opengemaakt en geprobeerd met zijn handen in haar onderbroek te komen. Aangeefster heeft verdachte geslagen en zij heeft geroepen dat verdachte moest ophouden, dat zij niet wilde, dat ze de politie ging bellen en dat verdachte moest oprotten. Bij de rechter-commissaris d.d. 11 september 2007 verklaart aangeefster dat verdachte door haar geroep en gegil weer bij zijn positieven kwam. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij haar deze tweede keer ook heeft beetgepakt en haar borsten heeft aangeraakt, de bovenste knopen van haar broek heeft opengemaakt en dat deze situatie vijf tot tien minuten heeft geduurd. Gelet op de bewoordingen die verdachte heeft gebezigd acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte seks wilde met aangeefster en dat er sprake is van een begin van uitvoering van verkrachting. De verklaring van verdachte ter zitting dat hij boos op haar was, omdat zij weinig aandacht schonk aan haar dochter en kleinkinderen en dat hij haar alleen maar wilde afschrikken, acht de rechtbank ongeloofwaardig en in geen enkel verband te plaatsen met hetgeen is voorgevallen. Zoals reeds is overwogen heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar in haar borsten en billen kneep, haar tussen de benen kneep, hij haar broek openmaakte en trachtte in haar onderbroek te komen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn voornoemde handelingen, die verdachte grotendeels heeft bekend, in samenhang met de door hem geuite bewoordingen niet anders te interpreteren dan een begin van uitvoering. De opzet van verdachte was gericht op seks met aangeefster. Aangeefster bleef echter roepen en gillen dat zij dit niet wilde. Zij heeft verdachte geslagen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat deze situatie vijf tot tien minuten heeft geduurd en dat hij zich kon beheersen. De rechtbank is echter van oordeel dat, mede gelet op de ruime tijdspanne, verdachte enkel en alleen is gestopt door het aanhoudende verzet van aangeefster en, zoals aangeefster heeft verklaard, daardoor weer bij zijn positieven kwam. Op grond van het vooroverwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 7 primair is ten laste gelegd. Ten aanzien van de onder parketnummer 16/500065-07 feit 1 en 2 ten laste gelegde feiten overweegt de rechtbank het volgende. Nadat aangeefster [aangever 3] in 2005 aangifte had gedaan tegen verdachte, heeft zij, na onder meer de verklaring van de verdachte in verband met hiervoor genoemde feiten, op 16 mei 2007 bij de politie een nieuwe verklaring afgelegd . Hieruit blijkt dat verdachte destijds, toen aangeefster 15 jaar oud was, als vriend van haar moeder bij hen in [plaats] is komen wonen en dat hij vervolgens heel vaak aan haar borsten en vagina heeft gezeten. Verdachte heeft dit ter terechtzitting erkend. De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen. Aangeefster [aangever 3] heeft voorts verklaard dat zij van verdachte haar broek en onderbroek moest uitdoen in de woonkamer, dat zij met de benen wijd op de bank moest gaan liggen en dat verdachte vervolgens zijn ontblote geslachtsdeel tegen haar vagina heeft gehouden. Daarbij heeft verdachte, volgens aangeefster, onder meer gezegd dat als zij dit niet deed, verdachte tegen haar moeder zou zeggen dat ze vervelend was geweest en dat ze van haar moeder een klap zou krijgen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zich dit incident niet kan herinneren, maar dat het wel is voorgekomen dat hij zijn stijve penis tegen de billen van [aangever 3] heeft aangedrukt. Volgens verdachte heeft hij niet geprobeerd zijn penis in haar vagina te stoppen, maar zat hij er wel dicht op. De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gepoogd [aangever 3] te verkrachten nu ondersteunend bewijs daartoe ontbreekt. Verdachte moet van het onder feit 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken. Het onder subsidiair tenlastegelegde acht de rechtbank gezien de verklaring van aangeefster en verdachte wettig en overtuigend bewezen.

Vrijspraak

Gezien het hiervoor overwogene moet verdachte van het onder parketnummer 16/600182-07 onder 2 en onder parketnummer 16/500065-07 onder 1 primair worden vrijgesproken. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 16/600182-07 onder 1 en 3, onder parketnummer 16/600182-07A onder 6 en 7 primair en onder parketnummer 16/500065-07 onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de volgende wijze:

Parketnummer 16/600182-07

1. hij in de periode van 14 mei 2001 tot en met 17 mei 2001 te Soest, eenmaal met [aangever 1] (geboren op [geboortedatum] 1991), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een handeling heeft gepleegd, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever 1], hebbende verdachte zijn vinger in de vagina van die [aangever 1] gebracht;

3. hij in de periode van 01 april 2001 tot en met 01 juni 2005 te Soest en Huizen en elders in Nederland, meermalen, met [aangever 1], geboren op [geboortedatum] 1991, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande in het ontuchtig aanraken van haar borsten;

Parketnummer 16/600182-07A

6. hij in de periode van 01 mei 2001 tot en met 31 mei 2001 te Soest door een andere feitelijkheid [aangever 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het dicht tegen die [aangever 2] aan gaan staan en vervolgens het betasten van de borsten van die [aangever 2], en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte, die [aangever 2] plotseling en onverhoeds van achteren heeft benaderd en zich aan haar heeft opgedrongen;

7. Primair hij in de periode van 01 januari 2003 tot en met 1 januari 2005 te Soest ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of een andere feitelijkheid [aangever 2] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk - in de borsten en billen en schaamstreek van die [aangever 2] heeft geknepen en de spijkerbroek van die [aangever 2] heeft opengemaakt en - getracht heeft met zijn handen in de onderbroek van die [aangever 2] te komen en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte * die [aangever 2] plotseling en onverhoeds van achteren heeft benaderd en * die [aangever 2] heeft beetgepakt en tegen een kast heeft gegooid en tegen die kast gedrukt heeft gehouden en * daarbij tegen die [aangever 2] heeft gezegd: - "lekker wijf" en - "toen ik je voor het eerst zag dacht ik dat is een lekkere schoonmoeder, die moet ik hebben" en - "ik weet zeker dat je een lekker kutje en billen en anus en borsten hebt" en - "waarom ben je niet gewillig" en - "ik zie aan je ogen dat je wel wilt" en - "jij bent zo'n wijf dat nee zegt, maar wel wil" zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Parketnummer 16/500065-07

1. Subsidiair hij in de periode van 01 januari 1997 tot en met 01 januari 1999 te Zeist, door een feitelijkheid en door bedreiging met geweld [aangever 3] heeft gedwongen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het - laten uittrekken van haar broek en onderbroek en - uiteen doen van haar benen en het wijd laten doen van de benen van die [aangever 3] en - zijn (stijve) geslachtsdeel dichtbij de vagina van die [aangever 3] brengen, en bestaande die feitelijkheid en die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, * tegen die [aangever 3] heeft gezegd - "je mag hierover niets tegen iemand zeggen anders krijg je een pak rammel" en - "ik heb behoeft aan je" en - "ik heb zin in je, je moet je broek en onderbroek uitdoen" en - "je moet doen wat ik zeg, anders zeg ik tegen je moeder dat je vervelend bent geweest en krijg je een klap van haar" en - "doe je benen wijd", althans telkens woorden van gelijke aard en/of strekking * misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht van hem, verdachte, op die [aangever 3];

2. hij in de periode van 01 december 1996 tot en met 18 augustus 1998 te Zeist, ontucht heeft gepleegd met het aan zijn zorg toevertrouwde minderjarig stiefkind [aangever 3], geboren op 19 augustus 1980, bestaande die ontucht hierin dat hij telkens op ontuchtige wijze de borsten en/of schaamstreek van die [aangever 3] heeft aangeraakt en betast. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Hetgeen telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De strafbaarheid van de feiten Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van parketnummer 16/600182-07 feit 1: Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

Ten aanzien van parketnummer 16/600182-07 feit 3:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van parketnummer 16/600182-07A feit 6 en parketnummer 16/500065-07 feit 1 subsidiair:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd

Ten aanzien van parketnummer 16/600182-07A feit 7 primair:

Poging tot verkrachting.

Ten aanzien van parketnummer 16/500065-07 feit 2:

Ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwd minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich ten aanzien van een drietal slachtoffers schuldig gemaakt aan zedendelicten. Twee van de slachtoffers waren minderjarig, een stiefkind van verdachte en een vriendinnetje van een stiefkind van verdachte. De verdachte kende derhalve de minderjarige meisjes heel goed en wist van ieders persoonlijke kwetsbare toestand. Bij [aangever 1] heeft verdachte gedurende een langere periode vele malen ontuchtige handelingen gepleegd, ook inhoudende het seksueel binnendringen van het lichaam. Bij [aangever 3] wist verdachte van de getraumatiseerde toestand van zijn stiefkind en hij heeft daar zelfs op ingespeeld door haar te bedreigen met geweld. Zijn meerderjarige slachtoffer was zijn toenmalige schoonmoeder.

Door te handelen als bewezen is verklaard heeft de verdachte zijn eigen onbegrensde seksuele behoeften telkens laten prevaleren boven de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke delicten ernstige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. In dit geval hebben de slachtoffers dit ook ondervonden. De rechtbank rekent het de verdachte bovendien ernstig aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat ten aanzien van de minderjarige slachtoffers, in verenigingsverband als in gezinsverband, in hem werd gesteld.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op: - de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 8 februari 2007, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld ter zake van zedendelicten in 1993;

- voorlichtingsrapporten betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 26 februari 2007 en 3 april 2007, opgemaakt door E. Scherer, reclasseringswerker;

- een omtrent verdachte opgemaakt psychiatrisch rapport d.d. 25 september 2007 van drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, en een aanvulling daarop d.d. 20 november 2007, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, zodat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

- een omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 28 april 2007 van prof. dr. J.J. Baneke, klinisch & forensisch psycholoog, en een aanvulling daarop d.d. 19 november 2007, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, zodat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor de feiten onder parketnummer 16/600182-07 onder 2, onder parketnummer 16/600182-07A onder 7 primair en onder parketnummer 16/500065-07 onder 1 primair en subsidiair wordt vrijgesproken en ter zake van de onder parketnummer 16/600182-07 onder 1 en 3, onder parketnummer 16/600182-07A onder 6 en 7 subsidiair en onder parketnummer 16/500065-07 onder 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-: - een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest;

- oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Motivering van de op te leggen maatregel

Met betrekking tot een op te leggen maatregel, zoals door de officier van justitie is gevorderd en door de raadsman namens de verdachte zowel in voorwaardelijke als onvoorwaardelijke zin is bestreden, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit voornoemde psychiatrische rapportage en de aanvulling daarop van drs. H.A. Gerritsen blijkt onder meer – zakelijk weergegeven – dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de vorm van pedofilie van het niet-exclusieve type en een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en ontwijkende trekken. Volgens de psychiater bestaat een duidelijke relatie tussen de thans bewezenverklaarde feiten en de psychopathologie. Verdachte was onvoldoende in staat om zijn pedoseksuele gevoelens adequaat te beheersen, passend bij de pedofilie. Tevens bestaat bij hem een intense behoefte aan een warm affectief contact waarvoor hij tegelijkertijd bang is, passende bij de gebrekkige ontwikkeling in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en ontwijkende trekken.

Gezien voornoemde forse psychopathologie, het eerdere pedoseksuele delict in 1993, het in 2005 geseponeerde pedoseksuele delict (thans parketnummer 16/500065-07), het nu zonder relatie zijn, het (mogelijk definitief) verbroken contact met zijn kinderen en stiefkinderen, en de kans dat verdachte ontslagen wordt, is de kans op herhaling van de ten laste gelegde feiten groot. De enige manier om de kans op herhaling te verkleinen is verdachte behandeling op te leggen. Gezien het voorgaande is het opleggen van een maatregel noodzakelijk om zo de kans op herhaling proportioneel terug te brengen. In eerste instantie bestond bij de deskundige de indruk dat een TBS met voorwaarden voldoende garantie zou bieden. Tijdens het tweede gesprek met verdachte kwam naar voren dat verdachte tijdens het eerste gesprek een aantal relevante zaken rondom de ten laste gelegde feiten niet uit eigen beweging heeft verteld zodat de deskundige vraagtekens heeft gezet bij de betrouwbaarheid van verdachte. Daarnaast bestond de indruk dat de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte ernstiger is dan aanvankelijk de indruk was. In het bijzonder maakt verdachte een meer egocentrische indruk en kan hij zich slechter in de positie van de slachtoffers verplaatsen dan tijdens het eerste gesprek naar voren kwam, aldus de deskundige.

Uit voornoemde psychologische rapportage en de aanvulling daarop van prof. dr. J.J. Baneke blijkt onder meer – zakelijk weergegeven – dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling in de zin van pedofilie (pedoseksuele stoornis) en van een persoonlijkheidsstoornis NAO met afhankelijke en passief-agressieve trekken. Van de gewetensfunctie krijgt men onvoldoende hoogte. De combinatie van verdachtes (pedo)seksuele stoornis en persoonlijkheidsstoornis hebben bij herhaling geleid tot grensoverschrijdend gedrag, al dan niet bewust of ten dele bewust, of intentioneel, in elk geval met een sterke pathologische drang en impulsiviteit (zowel seksueel als agressief) die buiten verdachtes wil en/of bewuste controle is gebleven en waarschijnlijk zal blijven.

Bij pedoseksueel delictgedrag is volgens de deskundige de kans op herhaling groot. Gezien de eerdere herhalingen, terwijl ook sprake is geweest van bedreiging met geweld, en verdachte bovendien seksueel en agressief grensoverschrijdend is geweest naar een volwassene, moet het recidiverisico zeker niet onderschat worden. Verdachte is eerder behandeld door De Waag op (semi) vrijwillige basis. Die behandeling heeft onvoldoende effect gehad. De optie van TBS met voorwaarden heeft verdachte in het gesprek met de deskundige afgewezen. Dat betekent dat hij onvoldoende de noodzaak van voldoende sancties ziet, indien een behandeling met voorwaarden gestart zou worden. De ernst van de feiten en de hardnekkigheid van de stoornissen maakt een TBS met voorwaarden door verdachtes dubieuze houding te riskant.

Beide deskundigen concluderen dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Tevens adviseren beide deskundigen thans een TBS met verpleging van overheidswege op te leggen.

Op 22 november 2007 heeft de meervoudige kamer opdracht gegeven aan de officier van justitie om door de reclassering een maatregelrapport te laten opstellen om een TBS met voorwaarden te onderzoeken. De reclassering heeft d.d. 8 februari 2008 (M. Hooijer) gerapporteerd. Daaruit blijkt dat verdachte bij verschillende voorzieningen is aangemeld, onder meer voor een intensieve deeltijdbehandeling bij De Waag en Stichting Exodus. Deze beide instanties hebben verdachte afgewezen, omdat zij de problematiek te zwaar achten en het gevaarsrisico te hoog. Opname bij een FPA of FPK kan alleen plaatsvinden indien er een indicatie is afgegeven door de indicatiecommissie. Half januari 2008 heeft de coördinator indicatiestelling aan de reclassering laten weten dat verdachte niet in aanmerking komt voor opname in een FPA, gezien de adviezen van de deskundigen. Op 7 februari 2008 is verdachte, na een intakegesprek op 6 februari 2008, afgewezen voor behandeling bij FPK Assen. De afwijzing heeft vooral te maken met de bagatelliserende wijze waarop verdachte tijdens de intake over zijn delict praatte. Daarnaast bestond de indruk dat verdachte niet daadwerkelijk gemotiveerd is voor behandeling.

Gelet op het voorgaande ziet de reclassering geen andere mogelijkheden voor behandeling binnen een TBS met voorwaarden.

Met betrekking tot de op te leggen maatregel overweegt de rechtbank voorts dat verdachte wordt veroordeeld voor misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan 4 jaar is gesteld.

De rechtbank kan zich verenigen met de hiervoorgegeven conclusies en het gegeven advies en zij maakt die conclusie tot de hare en neemt voormeld advies over.

De rechtbank zal, gelet op de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, het gevaar dat daaruit voortvloeit voor de veiligheid van anderen als ook de algemene veiligheid van personen, alsmede gelet op de omstandigheid dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat en de onmogelijkheid om verdachte ambulant te behandelen dan wel in het kader van TBS met voorwaarden elders te plaatsen, gelasten dat de verdachte, na afloop van zijn gevangenisstraf, in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling, gedwongen zal worden verpleegd.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder parketnummer 16/600182-07 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 5.000,00 wegens immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder parketnummer 16/600182-07 onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten. De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op tenminste € 2.500,00. De vordering zal daarom tot voormeld bedrag worden toegewezen. Hetgeen door de benadeelde partij meer of anders is gevorderd is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder parketnummer 16/500065-07 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 3.000,00 wegens immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder parketnummer 16/500065-07 onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde feiten. De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op tenminste € 2.500,00. De vordering zal daarom tot voormeld bedrag worden toegewezen. Hetgeen door de benadeelde partij meer of anders is gevorderd is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 242, 244, 246, 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht. DE BESLISSING De rechtbank beslist als volgt: Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 16/600182-07 onder 2 en onder parketnummer 16/500065-07 onder 1 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 16/600182-07 onder 1 en 3, onder parketnummer 16/600182-07A onder 6 en 7 primair en onder parketnummer 16/500065-07 onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 18 MAANDEN. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd. Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1], wonende te [plaats], ten dele toe tot een bedrag van € 2.500,00 (zegge tweeduizend vijfhonderd euro en nul eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 2.500,00 (zegge twee duizend vijfhonderd euro en nul eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 42 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 3], wonende te [plaats], ten dele toe tot een bedrag van € 2.500,00 (zegge tweeduizend vijfhonderd euro en nul eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 2.500,00 (zegge twee duizend vijfhonderd euro en nul eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 42 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs P.K. van Riemsdijk, L.M.G. de Weerd en M. Gerrits, bijgestaan door mr. A. van Beek als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 februari 2008.