Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC5154

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
214953/ HA ZA 06-1582
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 214953 / HA ZA 06-1582

Vonnis van 27 februari 2008

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. J. van Ravenhorst,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1],

gevestigd te Baarn,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2],

gevestigd te Baarn,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3],

gevestigd te Baarn,

gedaagden,

procureur mr. J.R. Laoût.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eiser c.s.] worden genoemd. Gedaagde sub 1 zal [gedaagde sub 1] worden genoemd en gedaagden gezamenlijk [gedaagde c.s.]

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 oktober 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2007

- de akte van [eiser c.s.] met producties

- de antwoordakte van [gedaagde c.s.] met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde sub 1] is bij de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna ‘AFM’ geregistreerd als cliëntenremisier. Cliëntenremisiers zijn volgens artikel 12 Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna ‘Vrijstellingsregeling Wte’) vrijgesteld van de in artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer (hierna ‘Wte’) voor effecteninstellingen voorgeschreven vergunningsplicht. Cliëntenremisiers houden zich bezig met het aanbrengen van cliënten bij vergunninghoudende effecten- of beleggingsinstellingen.

2.2 Op aanraden van een familielid hebben [eiser c.s.] zich in september 2000 gewend tot [gedaagde c.s.] voor advies. De heer [eiser sub 1] was toen 58 jaar oud en werkzaam als kinderarts. [eiser c.s.] wilden - onder meer - financieel advies over de mogelijkheden van de heer [eiser sub 1], die kostwinner was, om op zijn 61e levensjaar met vervroegd pensioen te gaan met handhaving van hun (consumptief) inkomen. [eiser c.s.] wilden tevens advies over hun financiële positie op het moment dat de heer [eiser sub 1] 65 jaar zou worden. [eiser c.s.] hebben op het kantoor van [gedaagde c.s.] gesproken met de heer [werknemer gedaagde sub 1], destijds werkzaam bij [gedaagde c.s.]

2.3 De heer [werknemer gedaagde sub 1] heeft aan [eiser c.s.] op 28 september 2000 een financieel rapport uitgebracht (productie 6 bij de dagvaarding). De daarbij gehanteerde uitgangspunten luiden:

“Handhaving huidig consumptief inkomen;

Financieel onafhankelijk op leeftijd 61;

Verhoging pensioeninkomen;

Overzicht van de vermogensontwikkeling op langere termijn.”

De heer [werknemer gedaagde sub 1] heeft [eiser c.s.] in dat rapport de zogenaamde “Vermogensconstructie” geadviseerd. Dat is volgens de lijst met definities op pagina 31 van het rapport “een exclusief product, ontwikkeld door [gedaagde sub 1] te Baarn”.

Deze Vermogensconstructie bestaat uit verschillende onderdelen.

In het geval van [eiser c.s.] houdt deze - zakelijk weergegeven - in dat [eiser c.s.] hun oude hypothecaire geldlening beëindigen en een hogere nieuwe hypothecaire geldlening afsluiten bij Van Lanschot Bankiers (hierna “VLB”) voor een bedrag van f 850.000,-.

Deze nieuwe hypothecaire lening is een aflossingsvrije beleggingshypotheek tegen een variabele rente.

In de geadviseerde constructie wordt met het geleende bedrag ad f. 850.000,- de bestaande hypothecaire geldlening van [eiser c.s.], groot f. 460.000,-, geheel vervroegd afgelost.

Het restant vermeerderd met het afkoopbedrag dat vrijkomt door het eveneens vervroegd beëindigen van drie kapitaalverzekeringen (levensverzekeringen) van [eiser c.s.], tezamen ad f. 485.000,-, wordt vervolgens gesplitst en op twee aparte rekeningen geplaatst. Dat zijn de “verpande rekening” en de “saldorekening”.

Volgens de in het rapport gemaakte berekeningen wordt op de verpande rekening

f. 225.000,- gestort. Dit bedrag wordt belegd in Nederlandse aandelen- en beleggingsfondsen te kiezen uit de in bijlage 2 van het rapport genoemde lijst van fondsen. Tot meerdere zekerheid van de aflossing van de nieuwe hypothecaire geldlening wordt deze rekening verpand aan VLB. De berekeningen in het rapport gaan uitsluitend uit van een historisch rendement vanaf 1983 van 17,1 % en een calculatierendement van 9,6% per jaar. In de berekening is vervolgens uitsluitend een toenemende waarde-indicatie gehanteerd van de verpande portefeuille, op grond van dit calculatierendement. Zo is de waarde volgens de berekening na 3 jaar gestegen tot ad f. 296.220,- , na 7 jaar tot f. 427.422,-, na 10 jaar tot ad f. 562.714,- en na 15 jaar tot ad f. 889.899,-. Aldus wordt uitgegaan van een looptijd voor de lening van ongeveer 15 jaar en dient het eindbedrag voor de gehele aflossing ineens van het geleende bedrag.

Volgens het rapport wordt op de saldorekening het restantbedrag ad f. 260.500,- gestort. Het bedrag op deze rekening zal volgens het rapport worden aangewend voor zogenaamde vrije beleggingen. Daarvan kunnen [eiser c.s.] gedurende een bepaalde periode gelden kunnen opnemen ter verhoging van hun consumptief inkomen, of voor betaling van rente. Het advies gaat in de op pagina 20-24 van het rapport gemaakte berekeningen uit van opnames van f. 15.000,- per jaar, in de periode tot het 61e levensjaar van de heer [eiser sub 1]. In de periode vanaf het 61e tot en met het 65e levensjaar van de heer [eiser sub 1] is dat f. 50.000,- per jaar en daarna van opnames ad f. 30.000,- per jaar gedurende 8 jaar. Daarna resteert volgens deze berekening een saldo van f 4.750,-. De rekening wordt derhalve in een periode van 15 jaar verbruikt.

In de samenvatting en de conclusies van het rapport worden de volgende, vergelijkende berekeningen gemaakt:

‘Consumptief inkomen in de huidige situatie

Consumptief inkomen tot leeftijd 61 f. 119.462,-

Consumptief inkomen van leeftijd 61 tot 65 f. 41.300,-

Consumptief inkomen vanaf leeftijd 65 tot 81 f. 66.107,-‘

en

‘Consumptief inkomen na ons advies inzake vermogensconstructie

Consumptief inkomen tot leeftijd 61 f. 122.626,-

Consumptief inkomen van leeftijd 61 tot 65 f. 80.509,-

Consumptief inkomen vanaf leeftijd 65 tot 81 f. 67.919,-‘

2.4 Punt 2 van de lijst met definities van het rapport luidt: “In deze constructie is er sprake van een beleggingsrisico met dalende en stijgende koersen. Gezien de gekozen beleggingsfondsen is het risico beperkt.”

2.5 Punt 3 van de definities luidt:

“De gepresenteerde berekeningen zijn gebaseerd op een voorzichtige calculatie van 9,6%. Hierin zitten dus geen garanties.”

2.6 De heer [werknemer gedaagde sub 1] heeft op 17 november 2000 een tweede adviesrapport (productie 9 bij de dagvaarding) uitgebracht, waarin ook rekening is gehouden met de inkomenspositie van mevrouw [eiseres sub 2] ingeval van vooroverlijden van heer [eiser sub 1]. Dit maakt geen verschil voor hetgeen hiervoor is weergegeven.

2.7 [eiser c.s.] hebben de geadviseerde hypothecaire lening afgesloten bij VLB. VLB heeft dit bevestigd bij brief van 22 december 2000 (productie 10 bij de dagvaarding). De hypotheekakte ter zake is op 1 maart 2001 verleden. Bij brief van d.d. 1 maart 2001 van VLB aan [eiser c.s.] bevestigt VLB dat [eiser c.s.] wat betreft de woningfinanciering ad f 850.000,- zijn opgenomen in haar administratie (productie 12 bij de dagvaarding). VLB vermeldt in deze brief een opstartrentepercentage van 5,9 %. In de bijlage van de brief wordt wat betreft de verpande rekening uitgegaan van een storting ad f. 224.825,- met een looptijd op van 20 jaar en een beleggingsrendement van 7%, leidend tot een eindkapitaal ad

f. 870.000,- .

2.8 Op 5 april 2001 hebben [eiser c.s.] met de hen door VLB toegewezen accountmanager de heer [accountmanager] en de heer [werknemer gedaagde sub 1] gesproken over de wijze waarop de saldi van de saldorekening en de verpande rekening zouden worden belegd. Bij brief van 19 april 2001 (productie 13 bij de dagvaarding) heeft VLB aan [eiser c.s.] een beleggingsvoorstel toegezonden.

Dit voorstel houdt - zakelijk weergeven – in, dat op de verpande rekening (Beursdepot genoemd) een bedrag ad f. 225.000 wordt gestort, volledig te beleggen in aandelen. Dit wordt aangemerkt als een dynamisch risicoprofiel, gericht op een gedeeltelijke aflossing van de hypotheekschuld ad f 850.000,- en een beleggingshorizon van 20 jaar. Op de saldorekening (Vrije Effectenportefeuille genoemd) wordt een bedrag ad f. 270.000,- gestort, te beleggen in aandelen (50%) en obligaties (50%). Dit wordt aangemerkt als een gemiddeld risicoprofiel en met een beleggingshorizon van minimaal 10 jaar, waarvan jaarlijks een bedrag ad

f. 13.000,- wordt onttrokken.

2.9 VLB heeft op 30 september 2005 aan [eiser c.s.] een Rapportage Beleggingsportefeuille (productie 15 bij de dagvaarding) verstrekt ter zake van waarde van de Vrije Effectenportefeuille (saldorekening). De heer [eiser sub 1] was destijds ouder dan 61 jaar. Volgens deze opgave was op die datum de waarde van deze portefeuille geslonken tot EUR 45.779,67 (of wel f. 100.885,11).

2.10 Bij brief van 6 juni 2005 (productie 16 bij de dagvaarding) heeft VLB, [eiser c.s.] geïnformeerd over de stand van zaken van het Beursdepot (de verpande rekening). VLB meldt in deze brief - zakelijk weergegeven - dat de beurzen vooral in 2001 en 2002 een ‘negatieve performance” hebben laten zien. Deze negatieve rendementen wijken af van de historische rendementen over een lange periode. Daardoor moet rekening worden gehouden dat het eindresultaat zal afwijken van de eindwaarde die werd beoogd bij het afsluiten van de hypotheek, hoewel de looptijd nog lang is. Vervolgens geeft VLB een tussentijdse opgave van de actuele (verminderde) waarde van het Beursdepot en van de veronderstelde eindwaarden daarvan bij rendementen van 5 %, 7 % respectievelijk 9 %, dit alles in euro:

Rekenrente

5% 7% 9%

Actuele waarde 59.914 59.914 59.915

Verwachte eindwaarde 211.333 344.094 555.221

Beleggingsdoel 385.713 385.713 385.713

Verschil - 174.381 - 41.620 169.508

of wel in guldens een actuele waarde van f. 132.033,08.

2.11 Bij brief van 21 december 2005 (productie 5 bij de dagvaarding) heeft de raadsman van [eiser c.s.] [gedaagde sub 1] ter zake van het gegeven advies in gebreke gesteld. De raadsman voert daarvoor - voor zover van belang en zakelijk weergegeven - het volgende op;

(1) [gedaagde sub 1] heeft aan [eiser c.s.] een financiële constructie geadviseerd die, gelet op de daaraan verbonden kenmerken en risico’s niet strookte met de beleggingsdoeleinden van [eiser c.s.],

(2) [werknemer gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 1] aan [eiser c.s.] niet heeft geïnformeerd over de aan de constructie verbonden bijzondere risico’s,

(3) Een redelijk bekwaam financieel adviseur zou een dergelijke constructie gelet op de daaraan verbonden risico’s niet hebben geadviseerd.

[eiser c.s.] hebben het advies van [gedaagde sub 1] opgevolgd. Zij hebben ondervonden dat daardoor hun financiële positie aanzienlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie van vóór september 2000. Hun maandlasten zijn zodanig toegenomen dat de heer [eiser sub 1] ook na januari 2003 moest blijven werken. [eiser c.s.] hebben schade geleden, die in deze brief berekend wordt op € 132.000,- . [gedaagde sub 1] is voor deze schade aansprakelijk.

2.12 Bij brief van 2 juni 2006 van de raadsman van [eiser c.s.] aan VLB (productie 32 bij akte overlegging producties aan de zijde van [eiser c.s.]) hebben [eiser c.s.] VLB voor dezelfde schade aansprakelijk gesteld, omdat VLB hen niet tijdig heeft gewaarschuwd dat de gekozen vermogensconstructie strijdig was met het cliëntprofiel van [eiser c.s.] Dit heeft ertoe geleid dat tussen [eiser c.s.] en VLB een regeling is getroffen.

3. Het geschil

3.1. [eiser c.s.] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht zal verklaren dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekort is geschoten in haar contractuele verplichtingen jegens [eiser c.s.], althans dat zij jegens [eiser c.s.] onrechtmatig heeft gehandeld;

2. [gedaagde c.s.] hoofdelijk zal veroordelen om aan [eiser c.s.] te vergoeden de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de onder 1. genoemde tekortkoming en/of onrechtmatige daad, nader op te maken bij staat;

3. [gedaagde c.s.] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen de kosten van de dagvaarding en de eventuele kosten van conservatoire maatregelen, betekening en executie van het te wijzen vonnis.

3.2. [gedaagde c.s.] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tot haar meest verstrekkende verweer hebben [gedaagde c.s.] aangevoerd dat de vordering van [eiser c.s.] is verjaard. Zij stellen dat een op wanprestatie dan wel onrechtmatige daad gegronde rechtsvordering verjaart na verloop van vijf jaar nadat de rechtshandeling is verricht. Aangezien het optreden van [gedaagde sub 1] als adviseur in september dan wel in november 2000 is geëindigd en zij pas in december 2005 aansprakelijk is gesteld, is, aldus [gedaagde c.s.], de vordering verjaard.

4.2 Volgens artikel 3: 310, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is. Anders dan [gedaagde c.s.] stellen, is voor de aanvang van de verjaringstermijn niet beslissend het voltooid zijn van de (rechts-) handeling die tot schade heeft geleid, maar het bekend worden van de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De rechtbank gaat voor wat betreft deze dag van aanvang uit van een datum ergens in januari 2003. Immers in deze maand en dat jaar is, zoals de raadsman van [eiser c.s.] heeft gesteld in zijn brief aan [gedaagde sub 1] van 21 december 2005, [eiser c.s.] duidelijk geworden dat de heer [eiser sub 1] niet op zijn 61e jaar kon stoppen met werken, wilden zij hetzelfde consumptieve inkomen kunnen blijven handhaven. De heer [eiser sub 1] moest derhalve blijven werken. Aangezien [gedaagde c.s.] binnen vijf jaar na januari 2003 is gedagvaard, kunnen [eiser c.s.] worden ontvangen in hun vordering.

4.3 [gedaagde c.s.] betwisten voorts dat tussen [gedaagde sub 1] en [eiser c.s.] een overeenkomst tot stand is gekomen, ook niet een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW.

4.4 De rechtbank begrijpt dit verweer van [gedaagde c.s.] aldus dat zij zich op het standpunt stellen dat door het ontbreken van een contractuele relatie tussen partijen, van wanprestatie aan de zijde van [gedaagde sub 1] geen sprake kan zijn en daarmee tevens geen sprake is van enige aansprakelijkheid voor schade. Niet in geschil is dat [eiser c.s.] zich tot [gedaagde sub 1] hebben gewend voor advies over hun inkomenspositie. Dit heeft geresulteerd in het van de heer [werknemer gedaagde sub 1] van [gedaagde sub 1] afkomstige, met vergelijkende berekeningen onderbouwde adviesrapport, waarin tevens de uitgangspunten en doelstellingen zijn beschreven. In dit rapport wordt aan [eiser c.s.] een financieel product genaamd “Vermogensconstructie” geadviseerd. Dit product is volgens de definities van dat rapport, een door [gedaagde sub 1] zelf ontwikkeld product. Daarmee staat vast dat [gedaagde sub 1], anders dan op grond van arbeidsovereenkomst, werkzaamheden heeft verricht voor [eiser c.s.], niet zijnde werkzaamheden als opgesomd in artikel 7: 400, lid 1 laatste zinsnede, BW. Dat betekent dat tussen [gedaagde sub 1] en [eiser c.s.] in ieder geval een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Dat [gedaagde sub 1] voor deze werkzaamheden geen vergoeding heeft ontvangen van [eiser c.s.] doet daaraan niets af.

4.5 Vast staat dat [eiser c.s.] met [gedaagde sub 1] contact hebben opgenomen om advies te krijgen over de mogelijkheden van de heer [eiser sub 1] om vervroegd te stoppen met werken, zonder vermindering van het consumptieve inkomen van [eiser c.s.] Dit heeft geleid tot het meergenoemde rapport, waarin wordt voorgesteld de bestaande hypothecaire lening van [eiser c.s.] over te sluiten en te verhogen en vervolgens ongeveer de helft van deze nieuwe lening te beleggen in een financieel product ontwikkeld door [gedaagde sub 1]. Daarmee staat dan tevens vast dat de taak van [gedaagde sub 1] zich in het onderhavige geval niet heeft beperkt tot het enkel aanbrengen van cliënten bij een effecteninstelling, maar ook heeft bestaan uit het actief adviseren van cliënten in het beleggen in een bepaald, zelf ontwikkeld, financieel product. [gedaagde sub 1] heeft te dezen, anders dan zij stelt, de grenzen van haar remisierschap overschreden.

4.6 De rechtbank stelt voorop dat van een redelijk handelend en bekwaam financieel adviseur mag worden verwacht dat hij zijn cliënt volledig en duidelijk informeert over alle feiten en omstandigheden die hem ten tijde van de advisering bekend zijn of kunnen zijn over de financiële producten die hij zijn cliënt adviseert, en die - in het licht van de doeleinden en de financiële omstandigheden van de cliënt - relevant zijn voor de door de cliënt te nemen beslissing.

4.7 Uit zowel de schriftelijke verklaringen van [eiser c.s.] (producties 27 en 28 bij de akte overlegging producties) als het gestelde onder 35 in de conclusie van antwoord volgt dat tussen [eiser c.s.] en de heer [werknemer gedaagde sub 1] in het eerste gesprek op het kantoor van [gedaagde sub 1] diverse financiële modellen zijn besproken, waaronder de Vermogensconstructie van [gedaagde sub 1].

Vast staat dat de heer [werknemer gedaagde sub 1] naar aanleiding van dat gesprek aan [eiser c.s.] een rapport heeft toegezonden. Van al die modellen wordt in het rapport uitsluitend de (eigen) Vermogensconstructie geadviseerd.

Volgens de in het rapport gemaakte berekeningen zijn de doelstellingen van [eiser c.s.] met dat product haalbaar. Daarvoor is in de berekeningen uitsluitend een calculatierendement van 9,6% per jaar gehanteerd en wordt uitgegaan van een historisch rendement van 17% vanaf 1983.

Uit de onvoldoende gemotiveerde betwisting van de schriftelijke verklaring van de heer [eiser sub 1] van wat daarna, naar aanleiding van het advies, tussen [eiser c.s.] en de heer [werknemer gedaagde sub 1] verder is besproken, leidt de rechtbank het volgende af. Het rapport vermeldt enerzijds dat sprake is van een beleggingsrisico vanwege stijgende en dalende koersen en geeft ook wat betreft het calculatierendement geen garantie. Anderzijds meldt het rapport dat de calculaties ‘voorzichtig‘ zijn. Naar aanleiding van door [eiser c.s.] geuite twijfels over het advies heeft de heer [werknemer gedaagde sub 1] gezegd dat de constructie ‘praktisch risicoloos’ is en dat het gehanteerde rendement juist ‘heel voorzichtig’ is. Dat overtuigde [eiser c.s.] uiteindelijk om voor deze geadviseerde constructie te kiezen.

4.8 Voor zover in het rapport al is voldaan aan de hiervoor omschreven informatieplicht, meer specifiek, een duidelijke verwijzing naar aan de constructie klevende risico’s, is dit vervolgens door de heer [werknemer gedaagde sub 1] teniet gedaan, door die risico’s, naar aanleiding van daarover door [eiser c.s.] geuite twijfels, min of meer als verwaarloosbaar aan te merken. Dit klemt te meer waar het hier gaat om een financieel product waarvan [eiser c.s.] voor wat betreft hun inkomen na het 61e jaar van de heer [eiser sub 1] tot het 65e jaar voor een groot deel afhankelijk zouden zijn. Daar komt nog bij dat iedere verwijzing door [werknemer gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 1] naar het risico van het achterblijven met een restschuld aan het einde van de looptijd ontbreekt.

4.9 Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ligt niet voor de hand dat [eiser c.s.] bereid zouden zijn geweest om voor het bereiken van hun doel aanzienlijke financiële risico’s te lopen. De rechtbank acht daarom voldoende aannemelijk dat [eiser c.s.] indien de heer [werknemer gedaagde sub 1] zijn hiervoor opgesomde verplichtingen wel behoorlijk zou zijn nagekomen, de Vermogensconstructie niet zou zijn aangegaan met VLB.

4.10 De heer [werknemer gedaagde sub 1] heeft derhalve in strijd gehandeld met de onder 4.6 bedoelde verplichting. Hij heeft niet gehandeld in overeenstemming met hetgeen van een redelijk handelend en bekwaam financieel adviseur verwacht mag worden. Aan [gedaagde sub 1] deze gedragingen van haar toenmalige medewerker de heer [werknemer gedaagde sub 1] worden toegerekend. De gevraagde verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekort is geschoten in haar contractuele verplichtingen jegens [eiser c.s.] is toewijsbaar.

4.11 [gedaagde c.s.] stellen dat ieder causaal verband tussen het gegeven advies en de door [eiser c.s.] geleden verliezen ontbreekt. Zij stellen daarbij de vraag of [eiser c.s.] wel schade hebben geleden, omdat dit pas na het einde van de looptijd van de beleggingen kan worden vastgesteld.

4.12 De rechtbank stelt voorop dat voor het toewijzen van een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat voldoende is, dat aannemelijk is dat de eisende partij enige schade heeft geleden als gevolg van de tekortkomingen van de andere partij. Dat [eiser c.s.] schade hebben geleden, volgt reeds uit het feit dat, in tegenstelling tot één van de doelen van de Vermogensconstructie, de daarvan onderdeel uitmakende Saldorekening onvoldoende rendement heeft opgeleverd, om de heer [eiser sub 1] in staat te stellen op zijn 61e levensjaar te stoppen met werken, met handhaving van het consumptief inkomen. In zoverre is reeds voldaan aan voormelde voorwaarde voor verwijzing naar een schadestaat procedure. Dat wellicht voor het onderdeel van de Verpande rekening nog niet kan worden kan worden vastgesteld dat schade is geleden, omdat dat pas blijkt bij het einde van de looptijd, maakt dit niet anders.

4.13 Tenslotte voeren [gedaagde c.s.] twee gronden aan waaruit zij afleiden dat elk causaal verband tussen het gegeven advies en de schade ontbreekt. Ten eerste heeft [gedaagde sub 1] niets van doen gehad met de door [eiser c.s.] in samenspraak met VLB gekozen beleggingen. Ten tweede hebben [eiser c.s.] zelf gekozen voor het ‘dynamisch risicoprofiel’ van VLB, en hebben daardoor meer risico genomen dan bij een defensief risicoprofiel. Deze keuze is evenmin te herleiden tot adviezen van [gedaagde sub 1].

4.14 De rechtbank begrijpt het standpunt van [gedaagde c.s.] aldus dat de schade het gevolg is geweest van onvoldoende koerwinst/rendement van de gekozen beleggingen, terwijl [gedaagde sub 1] aan deze keuze part nog deel heeft gehad. Dit was een zaak tussen [eiser c.s.] en VLB.

Dit standpunt is onbegrijpelijk. Ten eerste adviseert [gedaagde sub 1] in haar rapport een eigen financieel product; de Vermogensconstructie. Die constructie gaat uit van kapitaalopbouw met geleend geld. Door middel van gespreide belegging van dat geleende geld in verschillende beleggingsfondsen vindt deze kapitaalopbouw plaats. Wat betreft de opbouw via de verpande portefeuille blijft in het advies de keuze beperkt blijft een aantal Nederlandse fondsen, verdeeld over 9 bedrijfssectoren of over 5 huisfondsen van VLB. In zoverre is het advies van [gedaagde sub 1] voor haar eigen product reeds van invloed de uiteindelijk gemaakte keuze. Ook de keuze om de benodigde kapitaalopbouw uitsluitend te realiseren door middel van beleggingen, vloeit reeds voort uit het advies van de heer [werknemer gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 1].

4.15 Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt evenmin in te zien dat met het ‘dynamisch risicoprofiel’ [eiser c.s.] hebben gekozen voor een ander profiel dan het in het rapport van [gedaagde sub 1] genoemde ‘gematigd risicoprofiel’. Immers wat betreft de beleggingen voor de Verpande rekening moest worden gekozen uit de reeds in het rapport van [gedaagde sub 1] genoemde fondsen. Voor de Saldorekening gold ook in het advies van [gedaagde sub 1] een vrije keuze in de beleggingen, maar ook daar hebben [eiser c.s.] gekozen (voor 50%) uit de fondsen die in het rapport zijn vermeld en voor het overige (50%) uit obligaties.

4.16 De slotsom luidt dat tussen het door [gedaagde sub 1] gegeven advies en de door [eiser c.s.] geleden schade voldoende causaal verband aanwezig is. [gedaagde c.s.] zijn voor deze schade hoofdelijk aansprakelijk. Aangezien de rechtbank de omvang van deze schade thans niet kan begroten, ligt de gevorderde schadestaat voor toewijzing gereed. Factoren die van invloed kunnen zijn op de omvang van de schadevergoedingsplicht van [gedaagde c.s.], zoals (niet limitatief) de mate van eigen schuld van [eiser c.s.] en de mate waarin [eiser c.s.] al zijn gecompenseerd door VLB, zullen in die schadestaat aan de orde kunnen worden gesteld.

4.17 [gedaagde c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij, eveneens hoofdelijk, in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [eiser c.s.] worden begroot op:

- vast recht € 248,-

- dagvaarding € 84,87

- salaris procureur € 1.130,- (2,5 punt x factor 1,0 x € 452,-)

Totaal € 1.462,87

De door [eiser c.s.] daarnaast gevorderde veroordeling in de (eventuele) nakosten, wordt afgewezen, nu artikel 237 lid 4Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor het verhaal van deze kosten een bijzondere procedure voorschrijft.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekort is geschoten in haar contractuele verplichtingen jegens eisers;

5.2 veroordeeld [gedaagde c.s.] hoofdelijk om aan eisers te vergoeden de schade die eisers hebben geleden en nog mochten lijden ten gevolge van de onder 5.1. genoemde tekortkoming, op te maken bij staat;

5.3 veroordeelt [gedaagde c.s.] hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van eisers tot op heden begroot op € 1.462,87 (éénduizendvierhonderdtweeënzestig euro en zevenentachtig cent);

5.4 verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5 wijst af hetgeen anders of meer is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2008.

w.g. griffier w.g. rechter?