Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC4923

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
16-993035-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte maakte zich schuldig aan bedrieglijke bankbreuk en oplichting, door bedragen die leerlingen (die een vliegopleidingen zouden volgen) stortten op de bankrekening van een stichting door te sluizen naar andere BV's, terwijl hij wist dat het failissement van de stichting aanstaande was. De rechten van de schuldeisers zijn tekort gedaan. De rechtbank legt een voorwaardelijke gevangenisstraf op van 3 maanden en 240 uur taakstraf. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn niet ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/993035-05

Datum uitspraak: 21 februari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1933] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. J.B. Boone, uitdrukkelijk gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

7 februari 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 2 primair ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 7 februari 2008 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

Redelijke termijn

De raadsman heeft zich ter terechtzitting -zakelijk weergegeven- op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat zowel na september 2002 (het tijdstip waarop de aangiftes zijn gedaan) als na 5 januari 2005 (de dag waarop verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld) de voortvarendheid in de onderhavige zaak niet bijzonder groot is geweest, terwijl de verdediging hieraan niet schuldig is of dit tijdsverloop anderszins heeft veroorzaakt. De raadsman heeft daaraan de conclusie verbonden dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Als beginpunt van de redelijke termijn dient te gelden het moment waarop door de Nederlanse Staat jegens betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM

-overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en de raadsman- is aangevangen op 5 januari 2005 voornoemd.

Op 22 december 2006 is verdachte gedagvaard voor de zitting van 27 februari 2007.

Het onderzoek ter terechtzitting is op 27 februari 2007 voor bepaalde geschorst, teneinde op verzoek van de verdediging een negental getuigen door de rechter-commissaris te horen, en voorts nader onderzoek te doen verrichten, en verdachte nader te doen horen, naar aanleiding van door de verdachte ter terechtzitting overgelegde stukken.

Op 19 juni 2007 is de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden in verband met een onverwachte omstandigheid, te weten een ziekenhuisopname van een van de leden van de rechtbank

Thans, op 21 februari 2008, wordt in de zaak einduitspraak gedaan.

Tussen het beginpunt van 5 januari 2005 en 21 februari 2008 is derhalve een termijn verstreken van drie jaar en ruim een maand.

De rechtbank vindt dit een onwenselijk lange periode. Als uitgangspunt heeft in het algemeen te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden.

Daarvan kan sprake zijn als de redelijkheid van de duur van een strafzaak afhankelijk is van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Weliswaar rechtvaardigt de ingewikkeldheid en het horen van getuigen enige overschrijding, maar de rechtbank is van oordeel dat de verstreken termijn als onredelijk lang aangemerkt dient te worden. De rechtbank wijst in het bijzonder op de geringe voortvarendheid die is betracht in zowel de periode tussen het insturen van het aanvullend proces-verbaal in november 2005 en de zitting van 27 februari 2007, alsook de periode tussen de zitting van 19 juni 2007 en de zitting van 7 februari 2008.

De raadsman heeft betoogd dat dit verzuim tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging dient te leiden.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat in de regel overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering en slechts bij uitzondering, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een zeer grote overschrijding van die termijn, plaats is voor een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in het onderhavige geval niet van dien aard is dat dit leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, nu van een dergelijk uitzonderlijk geval in casu niet is gebleken.

De rechtbank merkt thans reeds op dat bij een eventuele strafoplegging op de wijze als bedoeld in artikel 359 Wetboek van Strafvordering rekening zal worden gehouden met voornoemde schending van artikel 6 EVRM.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de navolgende bewijsoverweging, verwijzen naar de doorlopende paginanummering of bijlagen van de in wettelijke vorm ambtsedig opgemaakte processen-verbaal, genummerd 31291 en de aanvullingen hierop.

Bij de beoordeling van het onder 1 en 2 tenlastegelegde gaat de rechtbank gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Doel van de Stichting tot Behartiging van de Belangen van Ouders en Leerlingen I.A.C. (hierna: de Stichting)

Statuten, periode: 12 augustus 1992 - 12 januari 2001

Artikel 2 lid 1 bepaalt:

De stichting heeft ten doel door het in ontvangst nemen, beheren en administreren van bijdragen van leerlingen, die een opleiding tot vlieger volgen, en/of van ouders of geldschieters der leerlingen, en uitbetalen van lesgelden voor bedoelde opleiding verschuldigd, behartigen van de belangen van die leerlingen, ouders, of geldschieters, en voorts al datgene wat met het vorenstaande verband houdt.

Artikel 2 lid 3 bepaalt:

De stichting heeft niet tot doel het maken van winst.

Artikel 3 bepaalt onder meer:

De gelden die de stichting beheert, mogen slechts worden belegd op een bankrekening, doch voor geen langere termijn dan zes maanden.

Statutenwijziging d.d. 12 januari 2001

Artikel 2 luidt met ingang van 12 januari 2001 als volgt:

1. De stichting heeft ten doel:

a. het in ontvangst nemen van opleidingsbijdragen van leerlingen die een opleiding tot vlieger volgen en het uitbetalen van de opleidingsbijdragen die voor bedoelde opleiding verschuldigd zijn;

b. (…)

2. De stichting tracht het doel te verwezenlijken door:

- fungeren als geldsluis tussen leerlingvliegers enerzijds en de statutair te Amersfoort (…) gevestigde besloten, vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IAC International B.V. (…) (hierna: IAC);

- het op aanwijzing van IAC prompt verrichten van alle betalingen, gebaseerd op basis van een door IAC en een (leerling)vlieger gesloten leerovereenkomst, welke betalingen dienen te geschieden aan IAC of de door IAC in binnen of buitenland ingeschakelde opleidings of trainingsorganisaties (…).

3. De stichting heeft niet tot doel het maken van winst.

Leerovereenkomst vliegopleiding

Blijkens de leerovereenkomst bedragen de begrootte kosten voor de gehele IAC-opleiding

(stappen 1. t/m 5.) $ 61.000,- en € 52.184,72.

Deze opleidingskosten dienen volgens een vastgesteld betalingsschema in drie termijnen

vier weken voor de aanvang van respectievelijk stap 1 en 2, stap 3, 3A en 3B, en stap 4

in de aangegeven munteenheid te worden voldaan.

Door diverse getuigen en verdachte is -kort gezegd- verklaard dat de opleidingskosten kostendekkend waren. Zo heeft getuige [getuige 1] (werkzaam geweest voor IAC) verklaard dat de prijs die de vliegeniers in opleiding betaalden ruimschoots kostendekkend was. De getuige [getuige 2] (bestuurslid van de Stichting in de periode 1991 tot 15 januari 2001) heeft eveneens aangegeven dat voor zover hij heeft kunnen zien de vergoedingen die de vliegeniers in opleiding aan de Stichting betaalden ruimschoots kostendekkend waren. Ook verdachte heeft op de vraag van verbalisanten of de opleidingskosten voor IAC kostendekkend waren “zonder meer” geantwoord.

Betalingen

Na te melden overboekingen naar de rekening van de Stichting zijn tot stand gekomen op basis van voormelde uit de leerovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichting. De leerovereenkomsten zijn aangegaan na 1 december 2001.

Op 12 december 2001 is een bedrag van € 31.764,62 overgeboekt van de rekening van [gedupeerde 1] naar de rekening van de Stichting ten behoeve van de vliegopleiding van haar zoon [gedupeerde 2]. Op 21 december 2001 is een bedrag van € 51.586,86 overgeboekt van de rekening van [gedupeerde 2] naar de rekening van de Stichting ten behoeve van zijn vliegopleiding.

Op 14 januari 2002 en 15 januari 2002 zijn bedragen van respectievelijk € 51.511,76 en

€ 27.226,85 overgeboekt van de rekening van [gedupeerde 3] naar de rekening van de Stichting ten behoeve van de vliegopleiding.

Op 14 januari 2002 en 15 januari 2002 zijn bedragen van respectievelijk € 51.511,76 en

€ 27.226,85 overgeboekt van de rekening van [gedupeerde 4] naar de rekening van de Stichting ten behoeve van de vliegopleiding.

Op 30 januari 2002 en 31 januari 2002 zijn bedragen van respectievelijk € 53.271,57 en

€ 27.226,82 overgeboekt van de rekening van [gedupeerde 5] (thans genaamd: [gedupeerde 5]) naar de rekening van de Stichting ten behoeve van de vliegopleiding van haar zoon [zoon gedupeerde 5].

Op 14 januari 2002 en 1 februari 2002 zijn bedragen van respectievelijk € 31.764,62 en

€ 53.444,87 overgeboekt van de rekening van [gedupeerde 6] naar de rekening van de Stichting ten behoeve van de vliegopleiding.

Op 21 maart 2002 en 22 maart 2002 zijn bedragen van respectievelijk € 52.036,20 en

€ 27.226,82 overgeboekt van de rekening van [gedupeerde 7] naar de rekening van de Stichting ten

behoeve van de vliegopleiding.

Geldstroom (uitgaven) van de Stichting

In 2000 en 2001 is een bedrag van in totaal fl. 870.046,- afgeschreven van de bankrekening van de Stichting, via overboekingen naar de rekening courant van IAC, ten behoeve van Aluko B.V., [verdachte] privé en het Ballonvaartcentrum V.O.F..

In 2002 is een bedrag van € 8.760,- afgeschreven via voormelde rekening naar [verdachte] privé.

De rechtbank overweegt dat omgerekend in euro’s een bedrag van in totaal € 403.569,66

is afgeschreven over de jaren 2000 tot en met 2002.

Financiële situatie

De verklaring van getuige [getuige 3] houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- in:

“Ik heb de administratie gedaan voor Aluko B.V., IAC en de Stichting. Elke onderneming moest zijn eigen administratie bijhouden. In principe moest elke B.V. zichzelf bedruipen maar dit lukte niet omdat er bij Aluko en het Ballonvaartcentrum te weinig liquide middelen waren. Op het moment dat Aluko en het Ballonvaartcentrum te weinig geld hadden moesten IAC en de Stichting financieel bijspringen. Dit bijspringen ging in opdracht van [verdachte]. We hebben [verdachte] vaak genoeg gewaarschuwd dat het fout ging. Ook werden via IAC en de Stichting alle privé-uitgaven betaald van [verdachte].

Alle inkomsten kwamen bij de Stichting binnen behalve enkele extra sessies bij IAC Compones. Bij Aluko kwam er af en toe een bedrag binnen voor de verkoop van een filter. Vanuit de Stichting werd het geld overgeboekt via een bankopdracht naar IAC. Het geld moest overgemaakt worden aan IAC omdat de bestuursleden van de Stichting nooit getekend zouden hebben als het geld vanuit de Stichting rechtstreeks aan Aluko, Ballonvaartcentrum of privé [verdachte] betaald werd.

Er waren minder inkomsten door de teruggang van het aantal leerlingen. De uitgaven bleven maar doorgaan, met name voor privé, Aluko en het Ballonvaartcentrum.

In 2000 realiseerde ik mij dat het met de ondernemingen van [verdachte] financieel slecht ging. Al het personeel had het gevoel dat het fout ging. Dit hebben we vaak tegen [verdachte] gezegd. Vanaf 2000 werd de financiële positie van de ondernemingen van [verdachte] bijna dagelijks besproken. [verdachte] zei steeds maak je maar geen zorgen, ik regel het wel. Ook de andere personeelsleden, zoals [getuige 1], zeiden dit tegen hem. [verdachte] wist eigenlijk al vanaf 2000 dat indien [verdachte] zo door zou gaan met de onttrekkingen dat het fout zou gaan met IAC en de Stichting.”

De verklaring van getuige [getuige 1] houdt onder meer -zakelijk weergegeven- in:

“Ik ben werkzaam geweest bij IAC. Ik wist dat het ene gat met het andere gevuld moest worden. Het ging financieel vanaf 1999 al heel slecht met IAC. Er moest overal geld geleend worden. Dit kan al wel vijf jaar zijn geweest. Ik wist dit, omdat ik het financiële overzicht van [getuige 3] had. Ik besprak de financiële positie altijd met [getuige 3] en [verdachte]. Ik heb [verdachte] ook altijd gewaarschuwd, maar hij ging altijd zijn eigen weg. [verdachte] wilde het financiële gedeelte in eigen hand houden. Hij had te veel nevenactiviteiten buiten IAC om. Zo kostte het filterproject Aluko vele miljoenen die aangevuld moesten worden vanuit IAC. Voor het ballonvaartcentrum heeft hij voor tonnen uitgegeven. Zonder die nevenactiviteiten was IAC nooit failliet gegaan.

Het was verschrikkelijk dat er vijf of zes jongens tegenover mij zaten met toekomstdromen die grof geld moesten betalen, terwijl ik wist dat zij hun opleiding niet af zouden kunnen maken omdat er in Amerika al grote schulden waren. Dit hebben we allemaal tegen [verdachte] gezegd, maar dan moesten we gewoon onze kop houden. Ik ben vanaf 29 januari 2001 tot en met 17 september 2001 bestuurslid geweest van de Stichting. Ik hoefde alleen een handtekening te zetten. [verdachte] zei dat hij geld nodig had. Ik controleerde de betalingen nooit en tekende de betalingsopdrachten zonder dat ik wist waarvoor het was.”

De verklaring van getuige [getuige 4] houdt onder meer -zakelijk weergegeven- in:

“Ik wist in een vroeg stadium al dat het niet goed ging met de ondernemingen van [verdachte]. Dit wisten alle personeelsleden. Ik heb in 1999 zelfs ontslag aangeboden en dan Aluko te verkopen. We hebben zelfs als personeel punten aangegeven die veranderd moesten worden binnen de bedrijven van [verdachte] om te kunnen overleven. Iedereen wist, en dus ook [verdachte], dat het heel slecht ging met de bedrijven van [verdachte]. Ik wist ook dat de financiële positie bij IAC slecht was, omdat er zoveel uitging. Dit was geen eerlijk faillissement. [verdachte] heeft allerlei mensen oneerlijk behandeld en benadeeld.”

De brief van verdachte d.d. 8 mei 2002 gericht aan ouders en andere belanghebbenden bij de vliegopleiding houdt onder meer de navolgende passage in:

“De combinatie van het door de ING in juni 2000 terugeisen van de door de bank verschafte kredietvoorzieningen en het feit, dat vrijwel alle winsten uit de voorgaande jaren vast zijn komen te zitten door de eerder omschreven investeringen in filterontwikkelingen en daarnaast de in het verleden aan leerlingvliegers en oud-leerlingen verstrekte voorschotten (leningen) welke niet meer kunnen worden ingevorderd, heeft ertoe geleid dat er vanaf 2000 wat liquiditeit betreft een periode van passen en meten aanbrak.

In 2000 konden 16 nieuwe leerlingvliegers die sterk door de selectie kwamen geen opleidingskrediet krijgen. In januari 2001 begon de Rabobank te Beek Limburg opleidingskredieten aan IAC-leerlingen te verstrekken. Dit liep redelijk goed behalve voor de financieel zwakke leerlingen die onvoldoende zekerheidsdekking van hun ouders konden krijgen. Het IAC verspeelde hierdoor in 2001 toch weer 9 leerlingen omdat de financiering niet rond kon komen. In 2002 hebben inmiddels 5 nieuwe leerlingen geen financiering kunnen krijgen. Totaal heeft het IAC ruim euro 908.376,-- (f. 2.000.000,--) aan overhead verspeeld.”

Faillissement

Bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 11 september 2002 is de Stichting in staat van faillissement verklaard.

Beoordeling van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat begin 2000 reeds sprake was van een slechte financiële situatie binnen de ondernemingen van verdachte, waaronder de Stichting. Naar het oordeel van de rechtbank moet de verdachte op dat moment in ieder geval bekend zijn geworden met het feit dat een faillissement van de Stichting in het vooruitzicht was. Door vervolgens zonder rechtsgrond diverse overboekingen te doen van de rekening van de Stichting ten behoeve van Aluko B.V., [verdachte] privé en het Ballonvaartcentrum V.O.F., heeft verdachte de rechten van de schuldeisers op bedrieglijke wijze verkort.

Tevens is verdachte vanaf 1 december 2001 leeroverkomsten met de vliegeniers in opleiding aangegaan en zijn door de ouders/geldschieters geldbedragen gestort op de bankrekening van de Stichting en zijn lesgelden geïnd, terwijl verdachte wist dat de financiële situatie van de Stichting steeds nijpender werd.

Verweer raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting -zakelijk weergegeven- betoogd dat verdachte zich geenszins schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. De vliegers in opleiding en hun geldschieters waren immers op grond van de leerovereenkomst gehouden het gehele bedrag aan opleidingskosten aan de Stichting te betalen en zij hadden geen recht om de overeenkomst eenzijdig op te schorten. Het liquiditeitsprobleem is eerst ontstaan nadat en doordat zij hun betalingsverplichtingen niet zijn nagekomen, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt dat het verweer van de raadsman reeds zijn verwerping vindt in het hetgeen hiervoor is overwogen. Bovendien doet de lezing van de raadsman niet af aan de strafbaarheid van de gedragingen van de verdachte.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld.

1.

de Stichting tot Behartiging van de Belangen van Ouders en Leerlingen I.A.C. (hierna: de Stichting) op tijdstippen in de periode van 01 januari 2000 tot en met 11 september 2002 te Amersfoort, terwijl zij bij vonnis van de rechtbank te Utrecht op 11 september 2002 in staat van faillissement is verklaard, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de Stichting, geldbedragen aan de boedel heeft onttrokken, immers heeft de Stichting zonder rechtsgrond in totaal EUR 403.568,00 of daaromtrent vanaf de bankrekening van de Stichting via overboekingen naar International Aviation Components B.V. of IAC International B.V. overgeboekt en aldus geldbedragen van in totaal EUR 403.568,00 of daaromtrent aan de boedel van de Stichting onttrokken, aan welke verboden gedragingen verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

2. primair

hij in de periode van 01 december 2001 tot en met 31 maart 2002 te Amersfoort en Goes en Dinteloord en Amsterdam en Utrecht en Spaarndam en Rotterdam, telkens met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen,

[gedupeerde 1] en [gedupeerde 2] en [gedupeerden 3] en

[gedupeerden 4] en [gedupeerde 5] en

[gedupeerde 6] en [gedupeerde 7] heeft bewogen tot de afgifte van de hierna te noemen geldbedragen, te weten

- op 12 december 2001 een geldbedrag van (ongeveer) EUR 31.764,62 ([gedupeerde1]) en

- op 12 december 2001 een geldbedrag van (ongeveer) EUR 51.586,86 ([gedupeerde 2]) en

- op 14 januari 2002 en 15 januari 2002 geldbedragen van (ongeveer) EUR 51.511,76 en

EUR 27.226,85 ([gedupeerde3]) en

- op 14 januari 2002 en 15 januari 2002 geldbedragen van (ongeveer) EUR 51.511,76 en

EUR 27.226,85 ([gedupeerde 4]) en

- op 30 januari 2002 en 31 januari 2002 geldbedragen van (ongeveer) EUR 53.271,57 en

EUR 27.226,82 ([gedupeerde 5]) en

- op 14 januari 2002 en 01 februari 2002 geldbedragen van (ongeveer) EUR 31.764,62 en EUR 53.444,87 ([gedupeerde 6]) en

- op 21 maart 2002 en 22 maart 2002 geldbedragen van (ongeveer) EUR 52.036,20 en

EUR 27.226,82 ([gedupeerde 7])

door met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- opzettelijk listiglijk

- een leerovereenkomst met de vliegeniers in opleiding aan te gaan ten behoeve waarvan door/namens de vliegeniers in opleiding voornoemde geldbedragen werden gestort op een bankrekening van de Stichting tot Behartiging van de Belangen van Ouders en Leerlingen I.A.C. en

- de lesgelden te innen onder het voorwendsel dat hij, verdachte, met gebruikmaking van deze gelden de vliegopleidingen van de vliegeniers in opleiding zou bekostigen,

zulks terwijl hij, verdachte, op voorhand reeds voornemens was om een gedeelte van de gelden aan te wenden ten behoeve van de financiële ondersteuning van de besloten vennootschap Aluko B.V. en de vennootschap onder firma Ballonvaartcentrum V.O.F. en in privé aan te wenden, waardoor eerdergenoemde personen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgiften.

Hetgeen onder 1 en 2 primair telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat zoals hiervoor is besproken.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en

2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1.

Feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging: bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon.

Ten aanzien van feit 2 primair.

Oplichting, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft door zijn handelwijze een aanzienlijk aantal jonge mensen en hun geldschieters, veelal hun ouders, in financiële problemen gebracht doordat zij grote geldbedragen hebben geïnvesteerd in een opleiding tot vlieger in Amerika, terwijl zij deze opleiding door verdachtes toedoen niet hebben kunnen afronden. De financiële gevolgen hiervan zullen de slachtoffers nog geruime tijd ondervinden. Veelal hebben zij opnieuw aanzienlijke geldbedragen geïnvesteerd om alsnog de/een vliegopleiding af te kunnen ronden teneinde hun droom -het uitoefenen van het beroep van piloot- te kunnen verwezenlijken.

De rechtbank neemt in aanmerking dat de totale schade groter is dan het onder 1 bewezenverklaarde bedrag van ruim vierhonderdduizend euro.

De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij -op het moment dat zijn ondernemingen financieel niet meer gezond waren en hij hiervan terdege op de hoogte was- het ene gat met het andere is gaan vullen ondanks bijna dagelijkse waarschuwingen van mensen in zijn werkomgeving. Hieraan doet niet af dat verdachte vóór de ten laste gelegde periode als bevlogen ondernemer gedurende een geruim aantal jaren goede piloten heeft afgeleverd door middel van zijn onderneming.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de persoon van verdachte. Blijkens het uittreksel justitiële documentatie d.d. 14 december 2007 is verdachte niet eerder in aanraking geweest met justitie ter zake van soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft de leeftijd van verdachte in aanmerking genomen bij de strafoplegging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;

- toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen naar redelijkheid en bij wijze van voorschot voor wat betreft -kort gezegd- de kosten die door hen in de eerste fase zijn gemaakt ten behoeve van de opleiding tot vliegenier.

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte als gevolg van een hersenbloeding lijdt aan afasie, waarvan hij in het bijzonder in stressvolle situaties veel last heeft en waarvoor hij op korte termijn een MRI-scan dient te ondergaan.

De rechtbank acht, alles afwegende en mede gelet op de straffen die de rechtbank in

vergelijkbare gevallen van oplichting en bedrieglijke bankbreuk pleegt op te leggen, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een taakstraf als na te melden -overeenkomstig de vordering van de officier van justitie- passend en geboden.

De rechtbank acht in beginsel een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een werkstraf van 240 uur op zijn plaats. Naar aanleiding van de geconstateerde schending van artikel 6 EVRM zal de rechtbank echter de voorwaardelijke gevangenisstraf verminderen met de helft.

Door de raadsman is weliswaar melding gemaakt van de gezondheidstoestand van verdachte onder verwijzing naar een zeer kort schrijven van de neuroloog van verdachte, maar de rechtbank acht dit -bij gebrek aan een nadere onderbouwing- onvoldoende om met die omstandigheid bij de strafoplegging rekening te houden.

De vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partijen [gedupeerde 1], [gedupeerde 3], [gedupeerde 4],

[gedupeerde 5], [gedupeerde 6], [gedupeerde 7], [gedupeerde 8], [gedupeerde 9],

[gedupeerde 10], [gedupeerde 11], [gedupeerde 12], [gedupeerde 13], [gedupeerde 14],

[gedupeerde 15], [gedupeerde 16], [gedupeerde 17], [gedupeerde 18], [gedupeerde 19], [gedupeerde 20],

[gedupeerde 21], [gedupeerde 22], [gedupeerde 23] hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het tenlastegelegde.

Ten aanzien van elk van de afzonderlijke vorderingen overweegt de rechtbank dat het voorstelbaar is dat de benadeelde partij schade heeft geleden door een of meer van bovengenoemde strafbare feiten. Gelet op de complexiteit van de inhoud van de vordering is het evenwel ondoenlijk om de hoogte van de schade in dit strafgeding vast te stellen.

De rechtbank overweegt voorts dat zij nadrukkelijk de beantwoording van de vraag of de benadeelde partij al dan niet rechtstreeks schade is toegebracht door de onder 1 en / of 2 bewezenverklaarde feiten achterwege laat, nu de benadeelde partij reeds om voormelde reden niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Daarom zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De benadeelde partij en de verdachte moeten ieder de eigen kosten dragen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57, 326 en 341 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 primair telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 3 (DRIE) MAANDEN.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling.

Bepaalt dat de benadeelde partijen [gedupeerde 1], [gedupeerde 3], [gedupeerde 4],

[gedupeerde 5], [gedupeerde 6], [gedupeerde 7], [gedupeerde 8], [gedupeerde 9], [gedupeerde 10],

[gedupeerde 11], [gedupeerde 12], [gedupeerde 13], [gedupeerde 14], [gedupeerde 15], [gedupeerde 16], [gedupeerde 17], [gedupeerde 18], [gedupeerde 19], [gedupeerde 20], [gedupeerde 21], [gedupeerde 22],

[gedupeerde 23]niet ontvankelijk zijn in de (afzonderlijke) vorderingen en dat de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.K. van Riemsdijk, A. Wassing en A.M.M.E. Doekes, bijgestaan door mr. J. Benard als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2008.