Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC4540

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
228851/ HA ZA 07-695
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kredietovereenkomst, betwisting in gebreke blijven, overeengekomen kredietmaximum, schuldsaneringsregeling, overeengekomen rentepercentage, terugbetalingsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 228851 / HA ZA 07-695

Vonnis van 20 februari 2008

in de zaak van

de naamloze vennootschap

RIBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

mede kantoorhoudende te Nieuwegein,

eiseres,

procureur mr. H. van Dijk,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. H. Hooijer.

Partijen zullen hierna Ribank N.V. en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 juni 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 12 oktober 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 7 juli 2000 hebben [gedaagde] en mevrouw [partner gedaagde], zijn toenmalige partner en latere echtgenote (hierna: [partner ]), een doorlopend kredietovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten met Ribank N.V. die aan [gedaagde] en [partner ] een kredietfaciliteit heeft verschaft van ƒ 35.000,00. Een bedrag van ƒ 20.000,00 is aan de kredietnemers betaald en een bedrag van ƒ 15.000,00 aan Nationale Nederlanden.

2.2. In de overeenkomst is onder meer bepaald:

(…)

Kredietnemer is over de bedragen, die hij op grond van deze overeenkomst verschuldigd zal zijn, aan Ribank een kredietvergoeding verschuldigd, waarvan de hoogte kan variëren. De kredietvergoeding wordt maandelijks ten laste van de rekening van kredietnemer geboekt en bedraagt tot nader bericht, berekend over het uitstaande saldo, het in vak M vermelde percentage per maand.

Kredietnemer betaalt de opgenomen gelden en de verschuldigde kredietvergoeding aan Ribank (terug) in achtereenvolgende maandelijkse termijnen volgens het artikel in de Algemene Voorwaarden waarnaar is verwezen in vak G, dan wel zoveel meer of minder als door Ribank aan kredietnemer wordt opgegeven, (…)

2.3. In de Algemene Voorwaarden bij het Doorlopend Krediet zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

1. Aansprakelijkheid

Indien deze overeenkomst met meerdere kredietnemers tezamen is aangegaan, dan zijn deze kredietnemers elk hoofdelijk en voor het geheel jegens Ribank verbonden. (…)

3. Aflossingsschema

(…)

3.b. Kredietnemer betaalt na de eerste opname aanvankelijk maandelijks alleen de

verschuldigde kredietvergoeding en geen aflossing. Na het in vak H overeengekomen

aantal maanden na de eerste opname betaalt de kredietnemer de opnamen plus de daarover

verschuldigde kredietvergoeding terug in variabele, maandelijkse termijnen ter grootte van

een vast percentage, genoemd in vak I van het hoogste, totaal opgenomen saldo tot aan enig

moment met een minimum van ƒ 150,- per maand.

(…)

5. Rente

De rente, welke door kredietgever aan kredietnemer over het debetsaldo in rekening wordt gebracht, kan door kredietgever worden aangepast. Wijzigen van het rentepercentage zullen kenbaar gemaakt worden op het overzicht van de kredietnemer.

6. Vertragingsvergoeding

De kredietnemer is vanaf de datum van ingebrekestelling vertragingsvergoeding verschuldigd indien hij, na het verstrijken van de ingebrekestelling genoemde termijn voor nakoming, nalatig blijft in het nakomen van de betalingsverplichting.(…) Vertragingsvergoeding wordt berekend op dagbasis en is maximaal gelijk aan de effectieve jaarrente die op dat moment van toepassing is voor de overeenkomst.

(…)

8. Opeisbaarheid

De restant-schuld en al hetgeen door kredietnemer verschuldigd mocht zijn krachtens deze

overeenkomst is in zijn geheel en onmiddellijk opeisbaar, indien:

a. de kredietnemer gedurende twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen

termijn bedrag en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in het nakomen van zijn

verplichtingen;

(…)

2.4. [gedaagde] en [partner ] zijn in de periode van 5 juni 2002 tot 20 december 2004 met elkaar gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen. In 2003 heeft [gedaagde] de echtelijke woning verlaten. Op 3 februari 2004 is ten aanzien van [partner ] de definitieve toepassing van de schuldsaneringregeling uitgesproken. Op 8 februari 2007 is de schuldsaneringsregeling geëindigd zonder uitdeling aan schuldeisers, met een schone lei voor [partner ]. Ribank N.V. stond op het overzicht van preferente en concurrente schuldeisers vermeld met een vordering van EUR 15.850,49.

2.5. Bij brief van 10 juni 2004 heeft Ribank N.V. aan [gedaagde] per aangetekende brief het volgende bericht, voor zover van belang:

Betreft: doorlopend krediet nr. 468123 Saldo € 16.429,99

Ondanks diverse verzoeken onzerzijds om tijdige betaling van de verschuldigde termijnen is uw betalingsachterstand inmiddels opgelopen tot € 532,84.

Overeenkomstig artikel 8A van de Algemene Voorwaarden stellen wij u thans in gebreke en is het gehele saldo opeisbaar indien voornoemd bedrag niet vóór 25 juni a.s. in ons bezit is.

Wij zullen dan genoodzaakt zijn om over te gaan tot het nemen van rechtsmaatregelen. (…)

2.6. Gerechtsdeurwaarders Jongejan Rosier Weggemans Wisseborn c.s. (hierna: de deurwaarder) heeft [gedaagde] bij brief van 1 april 2005 bericht:

Tot op heden heeft u niet gereageerd op onze aanmaningen. U heeft daarentegen nog wel rechtstreeks aan cliënte betaald, waaruit wij opmaken dat u deze zaak alsnog minnelijk wenst te voldoen.

Wij zenden u hierbij een formulier omtrent inkomsten en uitgaven dat u per omgaand volledig ingevuld aan ons dient te retourneren.

Na ontvangst daarvan zullen wij uw verzoek met onze cliënte bespreken en zullen wij u uitsluitsel geven. Mocht u ook hierop niet reageren, dan houdt cliënte vast aan de volledige opeisbaarheid der vordering en zult u in rechte worden aangesproken.

2.7. Bij brief van 19 april 2005 heeft de deurwaarder vervolgens aan de toenmalig raadsman van [gedaagde] bericht:

Onder verwijzing naar uw brief van 15 april 2005 delen wij u mede dat cliënte niet bereid is uw cliënt langer uitstel van betaling te verlenen.

Indien wij binnen tien dagen (…) geen betaling van € 17.934,61 dan wel een betalingsvoorstel in ons bezit hebben, hebben wij opdracht om tot rechtsmaatregelen over te gaan. (…)

2.8. Nadat vervolgens namens [gedaagde] bij brief van 4 mei 2005 is bericht dat een maandelijkse betaling van EUR 200,00 niet mogelijk is, maar EUR 140,00 wel, heeft de deurwaarder [gedaagde] bij brief van 10 mei 2005 bericht:

(…) wordt niet akkoord gegaan met het door u gedane voorstel.

Vanwege de hoogte van de vordering wenst cliënte m.i.v. 20/05/05 € 150,00 p.m. te ontvangen.

Wanneer u toch tot een betalingsregeling wilt komen moet dat bedrag uiterlijk binnen vijf dagen na heden in ons bezit zijn en zo vervolgens elke maand. Betalingen moeten stipt geschieden want bij enig ingebreke blijven is de regeling automatisch vervallen en wenst cliënte verdere rechtsmaatregelen.

Voor de goede orde wijzen wij u er op dat het recht wordt voorbehouden de regeling elke zes maanden te herzien.

2.9. [gedaagde] heeft in de periode van mei 2005 tot en met juli 2007 iedere maand een bedrag van EUR 150,00 aan de deurwaarder ten behoeve van Ribank N.V. betaald, behoudens de maand december 2005.

2.10. Na in januari en februari 2007 gedane verzoeken aan [gedaagde] om informatie over inkomsten en uitgaven te verstrekken heeft de deurwaarder hem bij brief van 16 maart 2007 bericht dat Ribank N.V. betalingen van EUR 500,00 per maand wil ontvangen.

2.11. [gedaagde] heeft naast de schuld aan Ribank N.V. nog een aantal andere schulden.

3. Het geschil

3.1. Ribank N.V. vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 18.783,36, vermeerderd met de contractuele rente over EUR 16.536,61 vanaf 23 maart 2007 tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, alsmede in de nakosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ribank N.V. legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] ernstig in gebreke is gebleven om zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst na te komen en de maandelijkse termijnen te voldoen. Ingevolge de toepasselijke algemene voorwaarden heeft Ribank N.V. de restantvordering ineens van [gedaagde] opgevorderd. Na aanmaning is vervolgens nog EUR 3.150,= van [gedaagde] ontvangen, zodat een bedrag van EUR 18.783,36 resteert.

4.2. [gedaagde] heeft allereerst als verweer aangevoerd dat Ribank N.V. niet meer dan het overeengekomen verstrekte kredietmaximum van EUR 15.882,31 kan vorderen en dat de gevorderde hoofdsom van EUR 16.536,61 niet juist is. De rechtbank kan [gedaagde] in dit verweer niet volgen. Immers, uit het bepaalde in de overeenkomst (zie hierboven onder 2.2.) volgt dat, naast het terugbetalen van het verstrekte krediet, ook een kredietvergoeding verschuldigd is. Uit artikel 5 van de Algemene Voorwaarden (zie hierboven onder 2.3.) volgt dat over de opgenomen gelden rente verschuldigd is. Indien [gedaagde] het verstrekte krediet niet volledig of niet op tijd aflost, brengt dit mee dat het bedrag van de kredietlimiet overschreden wordt door de berekende rente over het openstaande krediet. Niet gesteld of gebleken is immers dat het hier gaat om het verstrekken van een renteloze lening door Ribank N.V. aan [gedaagde].

4.3. Het verweer van [gedaagde] dat in verband met de voor [partner ] uitgesproken schuldsaneringsregeling – die is geëindigd zonder uitdeling en met schone lei – Ribank N.V. de vordering ook niet meer op hem kan verhalen, vindt geen steun in de wet. De schuldsaneringsregeling is immers ten aanzien van [partner ] en niet ten aanzien van [gedaagde] uitgesproken. [gedaagde] gaat er met zijn verweer verder aan voorbij dat hij en [partner ] zich hoofdelijk hebben verbonden tot terugbetaling van het krediet en de daarbij behorende vergoeding, hetgeen wordt bevestigd in artikel 1 van de Algemene Voorwaarden (zie hierboven onder 2.3.). De schuldeiser kan jegens ieder van de hoofdelijke schuldenaren nakoming van het geheel vorderen. Het feit dat Ribank N.V. in rechte geen terugbetaling van het krediet en de daarover verschuldigde vergoeding meer van één van de kredietnemers, [partner ], kan vorderen brengt niet mee dat dit dan ook geldt ten aanzien van de andere schuldeiser, [gedaagde].

4.4. [gedaagde] voert vervolgens als verweer aan dat het door partijen bij het aangaan van de overeenkomst overeengekomen rentepercentage van 9,06% per jaar nadien niet is gewijzigd. Dit verweer kan evenmin slagen. In de overeenkomst en de Algemene Voorwaarden komt immers tot uitdrukking dat de hoogte van de kredietvergoeding en de rente kan veranderen en dat het Ribank N.V. als kredietgever is die deze tarieven aanpast. Weliswaar is opgenomen dat wijzigingen van het rentepercentage kenbaar worden gemaakt op het overzicht van de kredietnemer, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat partijen eerst overeenstemming bereikt zouden moeten hebben over een wijziging, dan wel dat de kredietnemer zich eerst met een gewijzigd rentepercentage akkoord moet hebben verklaard althans te kennen hebben gegeven dat hij ermee bekend is geraakt, voordat een gewijzigd tarief van toepassing is. [gedaagde] heeft er derhalve rekening mee moeten en kunnen houden dat Ribank N.V. de rente zou kunnen aanpassen.

4.5. Verder betwist [gedaagde] dat hij ernstig in gebreke is gebleven en dat hij door Ribank N.V. is aangemaand of in gebreke is gesteld, en daarmee dat Ribank N.V. het restantbedrag ineens kan opvorderen. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de brief van 10 juni 2004 (zie hierboven onder 2.5.) volgt dat [gedaagde] niet aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan en daarmee is tekort geschoten in de nakoming van de verplichting tot maandelijkse betaling aan Ribank N.V. [gedaagde] heeft ook erkend dat hij gedurende een bepaalde periode niet heeft afgelost en Ribank N.V. heeft hem ingevolge artikel 8.a. van de Algemene Voorwaarden in gebreke gesteld. Er dient dan ook van de gehele en onmiddellijke opeisbaarheid van het krediet te worden uitgegaan.

4.6. [gedaagde] heeft zijn verweer dat er een aanvaardbare terugbetalingsregeling is overeengekomen die voor hem maximaal mogelijk is en dat Ribank N.V. geen recht heeft op een hogere maandelijkse betaling niet nader onderbouwd. Daarbij komt dat, hoewel partijen medio 2005 een betalingsregeling zijn overeengekomen van EUR 150,00 per maand en [gedaagde] zich, behoudens één maand, ook aan deze regeling heeft gehouden, Ribank N.V. bij de vastlegging van de regeling het voorbehoud heeft gemaakt dat zij na een zekere periode het recht heeft de regeling te herzien. De huidige herziening baseert zij op de door [gedaagde] in maart 2007 verstrekte gegevens omtrent zijn inkomsten, vaste lasten en de hoogte van andere schulden in relatie met de aflossingen op die andere schulden. Niet gebleken is dat de berekening van Ribank N.V. gebaseerd is op onjuiste of onvolledige gegevens. De omstandigheid dat het krediet volledig opeisbaar is geworden brengt verder mee dat niet van de (eerder overeengekomen) maandelijkse aflossing van het krediet uitgegaan moet worden, maar van de (huidige) financiële ruimte van [gedaagde], eventueel in verband met de regels die van toepassing zijn op de beslagvrije voet. Nu [gedaagde] met de door Ribank N.V. voorgestelde nieuwe maandelijkse termijn niet heeft ingestemd, kan het verweer van [gedaagde] dat Ribank N.V. geen recht en belang heeft om de tussenkomst van de rechtbank in te roepen, dan ook niet slagen.

4.7. Tot slot heeft Ribank N.V. tegenover de ongemotiveerde betwisting door [gedaagde] van de door Ribank N.V. gevorderde rente van EUR 5.396,75 een renteberekening in het geding gebracht, waaruit de gevorderde rente volgt. Verder blijkt hieruit dat met de door [gedaagde] betaalde maandelijkse bedragen bij het berekenen van die rente rekening is gehouden, zodat ook dit verweer faalt.

4.8. Gelet op het voorgaande dient de vordering van Ribank N.V. te worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. Op de overeenkomst tussen partijen is de Wet op het consumentenkrediet (WCK) van toepassing. In afdeling 3 van hoofdstuk IV WCK is dwingend voorgeschreven dat geen andere of hogere kosten in rekening mogen worden gebracht dan die zijn toegestaan op grond van de bepalingen van die afdeling. De gevorderde overeengekomen rente over het bedrag van EUR 16.536,61 zal daarom worden toegewezen met als maximum de krachtens artikel 35 WCK ten hoogste toegelaten kredietvergoeding.

4.9. De gevorderde veroordeling in nakosten moet op grond van art. 237 lid 4 Rv worden afgewezen.

4.10. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ribank N.V. worden begroot op:

- dagvaarding EUR 87,58

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 410,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.401,58

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Ribank N.V. te betalen een bedrag van EUR 18.783,36 (achttienduizendzevenhonderddrieëntachtig euro en zesendertig eurocent), vermeerderd met de overeengekomen rente, met als maximum de krachtens art. 35 WCK ten hoogste toegelaten kredietvergoeding, over het bedrag van EUR 16.536,61 vanaf 23 maart 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Ribank N.V. tot op heden begroot op EUR 1.401,58,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2008.

w.g. griffier w.g. rechter