Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC4532

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
216220/ HA ZA 06-1782
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergoeding op grond van redelijkheid & billijkheid n.a.v. ontbindingsvergoeding kantonrechter.

Passendheid aangeboden functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 216220 / HA ZA 06-1782

Vonnis van 20 februari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.D. van Vlastuin,

advocaat mr. R.H.A. Wessel te Den Haag,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEEUS WEST HOLDING B.V.,

gevestigd te Amersfoort, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEEUS GROEP B.V.,

gevestigd te Amersfoort, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

gedaagden,

procureur mr. J.M. van Noort,

advocaat mr. F.B.J. Grapperhaus te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Meeùs genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 oktober 2006 waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 16 januari 2007, waarbij door Meeùs een akte aanvulling conclusie van antwoord is genomen;

- de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van eis;

- de conclusie van dupliek;

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Meeùs is ontstaan uit de samenvoeging van een aantal zelfstandige ondernemingen, waaronder de Kamerbeek Groep, waar [eiser] werkte sinds 1975.

2.2. Meeùs was vanaf 2001 verdeeld in vijf business units, elk onder leiding van twee directeuren. Op 1 juni 2001 is [eiser] benoemd tot statutair directeur van Meeùs West Holding B.V. Hij was een van de twee directeuren van de business unit West.

2.3. In 2004 is de structuur gewijzigd naar een structuur van twaalf regio’s, die elk worden geleid door één eindverantwoordelijke regiodirecteur.

2.4. In het kader van de structuurwijziging werd [eiser] op 30 september 2004 benoemd tot Regiodirecteur Assurantiën regio West. De inhoud van die functie zou begin 2005 vollediger overeen gekomen worden.

2.5. Begin 2005 zijn tussen [eiser] en de heer [naam], die per 1 september 2004 werd aangesteld als voorzitter van de groepsdirectie van Meeùs, gesprekken gevoerd over de invulling van de functie van [eiser]. Op 8 juni 2005 bood Meeùs [eiser] de functie aan van Regiomanager Zakelijke Verzekeringen West (hierna ook: Regiomanager Zakelijk). Ook in de andere regio’s bestond die functie, maar alleen voor [eiser] zou het zijn enige functie zijn, en niet een ‘rol’ die naast een andere functie werd vervuld. [eiser] zou in de functie de commerciële assurantieactiviteiten van de regio functioneel aansturen naast zijn zelfstandige commerciële verantwoordelijkheid. Hij mocht daarbij extern de titel Commercieel Directeur voeren.

2.6. [eiser] kon zich niet vinden in de invulling van de functie en heeft – na de nodige pogingen om het alsnog eens te worden – de functie eind 2005 onder protest aanvaard.

2.7. Door de rechtbank Den Haag, sector kanton (locatie Delft), hierna: de kantonrechter, is op 14 december 2006 uitgesproken op een verzoek strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst een beschikking in de zaak van Meeùs Facility B.V. en Meeus West Holding B.V. als verzoekers en [eiser] als verwerende partij. In de beschikking is de verzoekende partij aangeduid als Meeùs. Hoewel daarmee strikt genomen niet (geheel) dezelfde partijen zijn bedoeld als in deze procedure, zal de rechtbank in het navolgende zowel de verzoekende partij in die procedure als de gedaagde partij in deze procedure aanduiden als Meeùs, omdat ook partijen de beschikking in het kader van de onderhavige procedure hebben opgevat als gewezen tussen dezelfde partijen als die partij zijn bij de onderhavige procedure.

2.8. Meeùs had in de procedure bij de kantonrechter – kort gezegd – ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht op grond van een dringende reden en subsidiair op grond van veranderingen in de omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding aan [eiser].

Meeùs had daartoe – samengevat – aangevoerd dat [eiser] als leidinggevende betrokken was geweest bij oneigenlijke betalingen aan een werknemer van een klant. [eiser] heeft in die procedure in de eerste plaats aangevoerd dat het verzoek zou moeten worden afgewezen en subsidiair dat bij ontbinding van de overeenkomst een vergoeding ten bedrage van € 800.000,00 bruto zou moeten worden toegekend. [eiser] heeft zich daarbij niet alleen beroepen op feiten en omstandigheden rond de betalingen aan een derde, maar ook op de verwijten die hij Meeùs ook in deze procedure maakt, die er kort gezegd op neerkomen dat zijn functie sinds 2004 is uitgehold en hem bij een reorganisatie geen passende functie is aangeboden, en zich op het standpunt gesteld dat het ontbindingsverzoek niet los gezien kon worden van zijn conflict met Meeùs over een passende functie en de daarover door hem jegens Meeùs aanhangig gemaakte procedure.

2.9. De kantonrechter heeft in de beschikking van 14 december 2006 de aangevoerde reden niet voldoende zwaarwegend geacht voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden, en overwogen dat bij Meeùs het vertrouwen in een verdere vruchtbare samenwerking met [eiser] is komen te ontbreken. De kantonrechter komt dan tot de conclusie dat sprake is van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de dienstbetrekking tussen partijen billijkheidshalve na korte tijd dient te eindigen. Daarbij heeft de kantonrechter ten aanzien van de vraag of aan [eiser] een vergoeding toekomt overwogen dat in het algemeen de kantonrechter het komen te vervallen van de noodzakelijke vertrouwensbasis een omstandigheid acht die voor rekening van de werkgever komt, en dat dit anders wordt als de werknemer terzake van het ontstaan van die situatie een verwijt valt te maken. De kantonrechter oordeelt dat het verwijt dat [eiser] in dit geval te maken valt er billijkheidshalve niet toe kan leiden dat aan [eiser] in het geheel geen vergoeding wordt toegekend.

2.10. In de beschikking van de kantonrechter staat verder onder meer:

(4.7.4) Ter zake van de beoordeling of en welke vergoeding billijkheidshalve aan [eiser] zou moeten worden toegekend moeten ook de duur van het dienstverband, het goed verlopen zijn van de carrière bij (voorgangers van )Meeùs, de hoogte van het laatstelijk aan Meeùs toekomende salaris, alsmede de leeftijd van [eiser] en diens kansen op de arbeidsmarkt in aanmerking genomen worden.

(4.7.5) Door [eiser] zijn overige omstandigheden aangevoerd die bij de bepaling van de hoogte moeten meewegen. De kantonrechter heeft die – behoudens de hierna onder 4.7.6 genoemde omstandigheden – in aanmerking genomen. Het gaat daarbij om de wijze waarop het onderzoek naar de betalingen is gevoerd. (…) Al het voorgaande in aanmerking nemend acht de kantonrechter in de gegeven omstandigheden de hierna te melden vergoeding billijk.

(4.7.6) Omdat [eiser] reeds een procedure bij de rechtbank te Utrecht in gang heeft gezet, waarbij hij het slecht werkgeverschap van Meeùs bij het hem toekennen van een andere functie na een interne reorganisatie, de ontslagverlening als statutair directeur en de volgens hem uit een en ander voortvloeiende aanspraken op materiele en immateriële schadevergoeding aan de orde stelt, is door de kantonrechter met die elementen bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding uitdrukkelijk geen rekening gehouden.

2.11. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Meeùs ontbonden per 31 december 2006, onder toekenning van een vergoeding aan [eiser] ten laste van Meeùs ten bedrage van € 300.000,00 bruto.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank

(A) voor recht verklaart dat de functie van Regiomanager Zakelijk door Meeùs niet in redelijkheid aan [eiser] kon worden opgedragen, althans dat de functie van Regiomanager Zakelijk niet kan worden beschouwd als een passende functie of redelijk aanbod die/dat [eiser] in redelijkheid zou moeten aanvaarden;

dat Meeùs zich jegens [eiser] aldus niet als goed werkgever heeft gedragen, jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld c.q. toerekenbaar tekort is geschoten en hem schade heeft toegebracht welke schade vergoed dient te worden;

(B) Meeùs veroordeelt een vergoeding te betalen, naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen op € 500.000,00 bruto;

(C) Meeùs veroordeelt tot vergoeding van alle schade, materieel en immaterieel, die [eiser] als gevolg van het slecht werkgeverschap, de toerekenbare tekortkoming en het onrechtmatig handelen van Meeùs lijdt of heeft geleden, te bepalen op € 302.000,00;

(D) Meeùs veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de hem in 2005 na interne reorganisatie aangeboden functie van Regiomanager Zakelijk voor hem geen passende functie is en dat de gang van zaken rond de reorganisatie en de beëindiging van zijn dienstverband bij Meeùs onjuist is geweest en hij daardoor is beschadigd.

[eiser] vordert vergoeding van de daardoor geleden schade die naar hij stelt € 302.000,00 bedraagt. Dat bedrag is voor € 152.00,00 opgebouwd uit materiële schade, te weten € 132.00,00 aan sinds 2004 gemiste bonussen en € 20.000,00 aan kosten van rechtsbijstand, en voor € 150.000,00 aan immateriële schade.

Daarnaast vordert [eiser] een vergoeding naar redelijkheid en billijkheid die tenminste het equivalent zou moeten zijn van een berekening aan de hand van de Kantonrechtersformule, met – gezien de wijze waarop de tekortkoming aan Meeùs kan worden toegerekend – toepassing van de factor C=1,5. Daarop dient dan het door de kantonrechter toegekende bedrag van € 300.000,00 in mindering te worden gebracht, zodat een bedrag van € 500.000,00 resteert.

3.3. Meeùs voert verweer. Zij betwist dat [eiser] geen passende functie is aangeboden en/of dat zij onrechtmatig heeft of niet als goed werkgever heeft gehandeld. Meeùs betwist voorts dat [eiser] schade heeft geleden en benadrukt dat in de onderhavige procedure geen ruimte is voor toekenning van een vergoeding naar billijkheid, zoals de kantonrechter kan doen. [eiser] dient zijn schade volgens Meeùs te stellen en te bewijzen en is daar niet in geslaagd.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] vorderde aanvankelijk in deze procedure naast een verklaring voor recht, vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij leed ten gevolge van het Meeùs verweten handelen, nader op te maken bij staat. Bij repliek heeft hij zijn vordering gewijzigd, onder meer naar aanleiding van voornoemde beschikking van de kantonrechter van 14 december 2006. Die wijziging komt er voor wat betreft de schadevergoeding op neer dat [eiser] thans naast de vergoeding van materiële en immateriële schade (€ 302.000,00) die hij stelt geleden te hebben, een vergoeding op basis van redelijkheid en billijkheid van € 500.000,00 vordert.

vergoeding op basis van de redelijkheid en billijkheid

4.2. [eiser] stelt dat na de ontbindingsbeslissing van de kantonrechter er nog plaats is voor de door hem gevorderde vergoeding op grond van de redelijkheid en billijkheid, thans vast te stellen door de rechtbank. Hij heeft erop gewezen dat de onderhavige procedure al aanhangig was toen Meeùs het ontbindingsverzoek deed en dat het debat over de reorganisatie en de passendheid van de hem aangeboden functie door de kantonrechter buiten de beoordeling van de ontbinding en de vaststelling van de hoogte van de vergoeding is gehouden. [eiser] doelt hier (kennelijk) op de hierboven onder 2.10. weergegeven overwegingen uit de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter, en dan in het bijzonder overweging 4.7.6.

Meeùs betwist dat er na de ontbindingsbeschikking van 14 december 2006 in de onderhavige procedure nog ruimte is om op basis van de redelijkheid en billijkheid een vergoeding te vorderen. In ieder geval is er volgens Meeùs geen plaats om thans een vergoeding vast te stellen op basis van de kantonrechtersformule, zoals [eiser] dat kennelijk voorstaat. Volgens Meeùs heeft de kantonrechter het verweer van [eiser] dat de reorganisatie en het verval van zijn oude functie de eigenlijke reden voor het ontbindingsverzoek zijn, uitdrukkelijk in de beschikking meegewogen door op basis van de door Meeùs aangevoerde ontbindingsgrond een verlaagde C-factor (C = 0,6) toe te passen en uitdrukkelijk te bepalen dat de reorganisatie, het verval van de functie en de vordering tot schadevergoeding van [eiser] niet bij de vaststelling van de vergoeding naar billijkheid worden meegenomen.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat bij een verzoek tot ontbinding op grond van art. 7:685 BW het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid in beginsel ten volle tot uitdrukking dient te komen in de hoogte van de vergoeding die de kantonrechter met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan een der partijen ten laste van de wederpartij toekent. Dit betekent dat na de ontbindingsbeschikking waarbij over de vergoeding geoordeeld is, niet ontvankelijkheid dient te volgen indien op basis van (een van) dezelfde feiten een vergoeding naar redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.

Ook indien partijen voor de indiening van het ontbindingsverzoek reeds betrokken zijn in een procedure waarin wegens overtreding van de norm van goed werkgeverschap door de werknemer schadevergoeding nader op te maken bij staat wordt gevorderd, en tijdens die procedure de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt met toekenning van een vergoeding aan de werknemer, geldt in beginsel dat de vaststelling van de vergoeding het resultaat is van een volledige toetsing aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid en daarmee dus ook aan de van die eisen deel uitmakende norm van goed werkgeverschap.

4.4. Om te kunnen beoordelen of er in dit geval na de ontbindingsbeschikking ruimte is om een vergoeding op grond van de redelijkheid en billijkheid te vorderen, is van belang te beoordelen of de kantonrechter omstandigheden die bij het vaststellen van de hoogte van de ontbindingsvergoeding een rol zouden hebben kunnen spelen buiten beschouwing heeft gelaten. De geciteerde passages van de beschikking van 14 december 2006 geven hierover geen uitsluitsel. Indien wordt aangenomen dat de kantonrechter alleen de materiële en immateriële schade(posten) buiten beschouwing heeft gelaten, en niet die elementen uit het door [eiser] aangevoerde feitencomplex rond de reorganisatie die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de toe te kennen vergoeding, is duidelijk dat [eiser] in de onderhavige procedure niet kan worden ontvangen in dit onderdeel van zijn vordering. Dan moet het er immers voor gehouden worden dat de kantonrechter alle bij het vaststellen van de vergoeding relevante omstandigheden heeft meegewogen en is het het opnieuw op basis van die omstandigheden een vordering instellen niet aan de orde.

Indien de kantonrechter echter niet alleen de schadeposten buiten beschouwing heeft gelaten maar alle feiten en omstandigheden rond de reorganisatie en de [eiser] aangeboden functie, kan er nog ruimte zijn om een vordering op basis van de redelijkheid en billijkheid te beoordelen en is [eiser] in dit deel van zijn vordering ontvankelijk.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval in het midden kan blijven of de overwegingen van de kantonrechter zo moeten worden uitgelegd dat er sprake is van ontvankelijkheid van dit deel van de vordering of niet. Indien immers veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de kantonrechter niet alleen de materiële en immateriële schadeposten buiten beschouwing heeft gelaten, maar het hele feitencomplex rond de functie van [eiser], en de vordering inhoudelijk moet worden beoordeeld, dan nog leidt hetgeen door [eiser] in deze procedure is aangevoerd niet tot de conclusie dat de vordering op basis van de redelijkheid en billijkheid dient te worden toegewezen.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6. Aan de door [eiser] op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde vordering ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de rechtbank thans zou kunnen en moeten beoordelen welke ontslagvergoeding op zijn plaats zou zijn indien de omstandigheden rond de reorganisatie en de aan [eiser] aangeboden functie daarin worden meegewogen. [eiser] vordert immers het verschil tussen de hem toegekende ontslagvergoeding en de ontslagvergoeding die naar hij meent zou zijn toegekend als de kantonrechter alle omstandigheden meegewogen had. Hij miskent daarmee echter dat beoordeling van de gang van zaken rond de reorganisatie en de hem aangeboden functie in deze procedure juist onafhankelijk dient te geschieden van de beoordeling van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en dat daarmee de vaststelling van een (eventuele) vergoeding naar redelijkheid en billijkheid op basis van de kantonrechtersformule niet aan de orde kan zijn. Als er al ruimte is voor een beoordeling van een vordering op basis van de redelijkheid en billijkheid, kan die beoordeling niet dezelfde zijn als door de kantonrechter wordt toegepast in een ontbindingsprocedure. De vraag of de kantonrechter [eiser] een hogere vergoeding zou hebben toegekend indien hij alle relevante omstandigheden in aanmerking zou hebben genomen behoeft daarom geen verder onderzoek meer.

Nu niet is gebleken dat [eiser] een andere vergoeding naar billijkheid heeft beoogd dan voornoemd verschil in ontslagvergoeding, is dit deel van de vordering niet voor toewijzing vatbaar.

aansprakelijkheid

4.7. Thans ligt ter beoordeling voor of de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden kunnen leiden tot het oordeel dat Meeùs jegens [eiser] niet heeft gehandeld zoals het een goed werkgever betaamt en de schade die [eiser] daardoor heeft geleden moet vergoeden.

4.8. In deze procedure staat vast dat de functie die [eiser] tot september 2004 vervulde, niet meer bestaat vanwege een interne reorganisatie. Er moest hem dus een andere functie worden aangeboden. Dat is ook gebeurd.

[eiser] stelt dat de hem aangeboden functie niet passend is en in feite neerkomt op een demotie met interne en externe uitstraling. Hij heeft zijn stelling onderbouwd door een vergelijking te maken tussen zijn positie in de organisatie in 2004, en zijn positie in de organisatie eind 2005 en hij maakt Meeùs in dat verband een aantal verwijten. [eiser] wijst er in de eerste plaats op dat hij geen eindverantwoordelijkheid heeft in zijn nieuwe functie en geen leiding geeft, terwijl hij tot 2004 als directeur van een business unit verantwoordelijk was voor een grote omzet en leiding gaf aan ongeveer 250 mensen. Uit het feit dat de aangeboden functie in andere regio’s wordt gezien als een ‘rol’ die anderen erbij doen, wordt volgens [eiser] al duidelijk dat er geen sprake is van een volwaardige functie. [eiser] wijst er voorts op dat hij niet langer tekeningsbevoegd is en transacties aan anderen ter goedkeuring dient voor te leggen. Bij gelegenheid van de pleidooien heeft [eiser] voor wat betreft het leidinggeven verklaard dat binnen de regio West zo’n 250 mensen op het gebied van de assurantiën werkten, verdeeld over de diverse kantoren. Hij stuurde deze mensen beleidsmatig, via de diverse leidinggevenden, aan. Daarbij nam hij deel aan het managementoverleg en behoorde hij tot de top van Meeùs. Meeùs heeft dat niet weersproken.

4.9. Meeùs heeft benadrukt dat [eiser] ook tot 2004 niet (alleen) eindverantwoordelijk is geweest en binnen de business unit West directeur was op het gebied van assurantiën. Meeùs heeft aangevoerd dat [eiser] buitengewoon goede commerciële kwaliteiten had en daarom ook zeer werd gewaardeerd, maar dat hij niet de aangewezen man was om een business unit of regio te leiden. Zij wijst er op dat [eiser] vóór 2004 ook niet in aanmerking kwam als voorzitter van de business unit West (terwijl in de andere units een van de twee directeuren voorzitter werd). Meeùs verwijst in dit verband ook naar verslagen van functioneringsgesprekken met [eiser]. Het lag dan ook volgens Meeùs niet in de rede om [eiser] binnen de nieuwe organisatiestructuur een leidinggevende functie te laten vervullen. De nieuwe functie sluit volgens Meeùs goed aan bij de kwaliteiten van [eiser], terwijl zijn arbeidsvoorwaarden gelijk bleven en hij de titel van directeur zou mogen (blijven) voeren.

Voor wat betreft de tekeningsbevoegdheid heeft Meeùs aangevoerd dat die voor iedereen is ingeperkt en dat dat niet wijst op een degradatie van [eiser]. Ook als hij regiodirecteur zou zijn geworden in de huidige structuur, zou zijn tekeningsbevoegdheid zijn verminderd.

4.10. De rechtbank is van oordeel dat uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt dat [eiser] als directeur in de periode van 2001 tot 2004 tezamen met de andere directeur – en later ook de voorzitter – eindverantwoordelijk was voor de resultaten van de business unit West, waarbij hij kort gezegd de portefeuille assurantiën had. Daaruit volgt dat [eiser] wel degelijk eindverantwoordelijkheid droeg, maar ook dat hij dat niet zelfstandig deed, maar gezamenlijk. In de functie van Regiomanager Zakelijk is die – al dan niet gedeelde – eindverantwoordelijkheid er niet. In die functie is er ook geen sprake van het leidinggeven aan anderen, terwijl [eiser] dat – al was het niet in de direct aansturende zin – in zijn oude functie wel deed. Door deze beide aspecten is de functie van Regiomanager Zakelijk een andere dan de functie die [eiser] voorheen bekleedde. Zijn positie binnen de organisatie van Meeùs is anders; hij is niet meer één van de directeuren. Dit betekent echter niet zonder meer dat de functie van Regiomanager Zakelijk niet passend was en dat van [eiser] in redelijkheid niet gevergd kon worden die functie te aanvaarden.

4.11. In de eerste plaats is van belang dat vaststaat dat de oude functie van [eiser], waarbij hij samen met een ander verantwoordelijk was voor de resultaten van een gebied, niet langer bestaat. In de nieuwe structuur is er steeds één eindverantwoordelijke voor een regio, zowel voor wat betreft assurantiën als voor wat betreft onroerend goed. Een dergelijke functie heeft [eiser] niet bekleed binnen Meeùs, zodat niet reeds op grond van zijn vroegere functie duidelijk is dat hem een leidinggevende functie met zelfstandige eindverantwoordelijkheid aangeboden zou moeten worden en/of dat een functie zonder die aspecten in de nieuwe structuur niet passend is. Andere feiten en omstandigheden die leiden tot die conclusie zijn in deze procedure niet gesteld of gebleken. Dit betekent dat in beginsel van [eiser] gevergd kon worden een functie te aanvaarden zonder eindverantwoordelijkheid of direct leidinggevende taken. Die andere functie zal dan wel voldoende moeten aansluiten bij – onder meer – zijn opleiding en ervaring, zijn werkniveau en werkkring.

4.12. Tussen partijen is niet in geschil dat de eisen die in de nieuwe functie gesteld werden aansluiten bij de capaciteiten en de ervaring en het werkniveau van [eiser] en dat zijn salaris (afgezien van pensioen- en bonusregeling, waarover geschil bestaat) hetzelfde zou zijn als in zijn oude functie. In zoverre is de nieuwe functie passend. Ook de verminderde tekeningsbevoegdheid leidt naar het oordeel van de rechtbank op zich niet tot de conclusie dat de nieuwe functie een degradatie betekent of niet passend is. Dat de nieuwe functie voor wat betreft de daarin vervatte taken niet passend zou zijn is niet komen vast te staan.

Het gaat [eiser] om zijn veranderde positie binnen de organisatie, en hij stelt dat Meeùs op onzorgvuldige wijze is omgegaan met zijn belangen rond de structuurverandering. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank echter niet tot het oordeel dat de functie Regiomanager Zakelijk niet passend was en dat van [eiser] in redelijkheid niet gevergd kon worden de functie te aanvaarden. Het aanbieden van deze functie aan [eiser] onder de gegeven omstandigheden leidt niet tot het oordeel dat Meeùs niet als goed werkgever heeft gehandeld. Ook overigens is niet komen vast te staan dat Meeùs jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld of tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens [eiser]. Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat de gang van zaken rond de structuurverandering en de onduidelijkheid over de invulling van zijn functie binnen Meeùs op zich onrechtmatig jegens hem was, heeft hij zijn stelling niet voldoende onderbouwd. Daartoe wordt overwogen dat die onduidelijkheid – zoals Meeùs heeft gesteld – het gevolg is geweest van het feit dat partijen het over de nieuwe functie niet eens waren. Hetgeen [eiser] in dit verband heeft aangevoerd over de berichtgeving rond de structuurwijziging en het overleg over de inhoud van de nieuwe functie rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat Meeùs onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld.

4.13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de stellingen van [eiser] zijn vorderingen niet kunnen dragen, zodat die zullen worden afgewezen.

4.14. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Meeùs worden begroot op:

- vast recht € 4.732,00

- salaris procureur € 12.900,00 (5,0 punten × tarief € 2.580,00)

totaal € 17.632,00

Daarbij is het volgende nog van belang. [eiser] en Meeùs is aan vast recht elk een bedrag van € 248,00 in rekening gebracht, op basis van de vordering zoals die aanvankelijk luidde. Na wijziging van eis is er echter sprake van vordering met een concreet geldelijk belang, te weten € 802.000,00, waarbij een bedrag van € 4.732,00 in rekening wordt gebracht.

Bij de hierna uit te spreken kostenveroordeling is de rechtbank reeds uitgegaan van dat bedrag. Partijen kunnen echter nog verzet instellen tegen de aanpassing van het griffierecht. Indien en voor zover dat verzet gegrond wordt verklaard, zal de rechtbank zonodig ambtshalve een verbetervonnis wijzen.

4.15. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet mede kunnen wijzen in verband met benoeming elders.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Meeùs tot op heden begroot op € 17.632,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe, mr. P. Dondorp en mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2008.

w.g. griffier w.g. rechter