Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC4446

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
16/711503-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Utrecht heeft een verdachte, die twee vrouwen bij een pinautomaat heeft beroofd, veroordeeld tot 25 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Bovendien heeft verdachte twee winkeldiefstallen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/711503-07

Datum uitspraak: 25 januari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, te Nieuwegein.

Raadsvrouwe: mr. J. van Koesveld.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank overweegt omtrent het onder 1 en 2 tenlastegelegde dat verdachte ter terechtzitting heeft bekend dat hij op 22 augustus 2007 en op 24 augustus 2007 een vrouw, die bij een pinautomaat aan het pinnen was, van achteren heeft vastgepakt en vastgehouden en de betreffende vrouw vervolgens van geld heeft beroofd. Op 22 augustus 2007 heeft verdachte bovendien een mes tegen de keel van aangeefster gezet om de door hem geuite bedreiging haar overhoop te steken als zij niet zou pinnen kracht bij te zetten. Uit de verklaringen van de aangeefsters [aangever 1] respectievelijk [aangever 2] blijkt de handelwijze van verdachte, zoals hij ter terechtzitting verklaard heeft.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte zich de ING-bankpas heeft toegeëigend. De bankpas is volgens aangeefster door verdachte meegenomen en nadien, door de twee mannen die verdachte achterna zijn gegaan, gevonden.

Op 6 november 2007 heeft verdachte bij de Expert te Nieuwegein een hoofdtelefoon weggenomen. Verdachte heeft ter zitting dit feit bekend.

Op diezelfde dag heeft verdachte tevens een siermes gestolen uit de winkel PZH te Nieuwegein door de deur van de vitrinekast kapot te maken en het mes uit deze kast weg te nemen. Uit de verklaring van aangeefster [aangever 3] blijkt dat zij verdachte achterna is gelopen en hem heeft vastgepakt, waarop verdachte zich heeft losgerukt en haar een harde duw heeft gegeven. Aangeefster is ten val gekomen en heeft haar knieschijf gebroken. Verdachte heeft ook dit feit ter zitting bekend, zij het dat in zijn herinnering hij de vrouw niet een harde duw heeft gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de gedetailleerde verklaring van aangeefster en gezien het feit dat verdachte naar eigen zeggen heel erg dronken was ten tijde van het voorval hetgeen – naar moet worden aangenomen – zijn waarneming en herinnering negatief zal hebben beïnvloed, ook het tenlastegelegde bewezen worden.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan in die zin dat:

1.

hij op 22 augustus 2007 te Nieuwegein met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (van 100,- euro), toebehorende aan [aangever 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte

- achter die [aangever 1] ging staan en

- vervolgens haar bij de nek greep en

- haar in de houtgreep nam en haar keel dichtkneep en

- een mes tegen haar keel zette en

- tegen haar zei "pinnen, pinnen. Als je dat niet doet dan steek ik je

overhoop" en

- haar bleef vasthouden;

2.

hij op 24 augustus 2007 te Nieuwegein met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (van 250,- euro) en een ING-bankpas, toebehorende aan [aangever 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, achter haar ging staan en met

zijn arm met kracht haar om haar nek pakte;

3.

hij op 6 november 2007 te Nieuwegein met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een siermes (merk Master cutlery), toebehorende aan PZH en [aangever 3], waarbij verdachte dat siermes onder zijn bereik heeft gebracht door de deur van een vitrine kapot te maken en welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen die [aangever 3], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld hierin bestond dat verdachte, (toen die [aangever 3] hem had vast gepakt) zich los rukte en die [aangever 3] een harde duw gaf;

4.

hij op 6 november 2007 te Nieuwegein met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoofdtelefoon (merk Sennheiser) toebehorende aan Expert.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf, hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Ten aanzien van feit 4:

Diefstal.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich eind augustus 2007 schuldig gemaakt aan twee diefstallen met geweld bij een pinautomaat. De eerste keer heeft verdachte een mes op de keel van het slachtoffer gezet. Verdachte had dit mes bewust meegenomen om dit delict te plegen. Ook de tweede keer had verdachte met het oog op de door hem te plegen overval een scherp voorwerp, te weten een schaar, meegenomen, maar die schaar heeft verdachte uiteindelijk niet gebruikt. Feiten als de onderhavige worden door de slachtoffers als buitengewoon bedreigend ervaren en hebben niet zelden tot gevolg dat de slachtoffers nog geruime tijd de nadelige psychische gevolgen van hetgeen hun is aangedaan zullen ondervinden. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van mevrouw [aangever 1] blijkt dat zij zich niet meer veilig voelt in haar eigen buurt, veel last heeft van hoofdpijn en moeilijk slaapt. De verdachte heeft bij zijn handelen alleen oog gehad voor zijn eigen geldelijk gewin en is volledig voorbij gegaan aan deze gevolgen van zijn handelingen voor de slachtoffers. Daarnaast brengen feiten zoals het onderhavige bij de burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Tijdens de periode dat de voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst, heeft hij op 6 november 2007 twee winkeldiefstallen gepleegd. Met name de gevolgen die het bij de diefstal van het siermes gebruikte geweld heeft gehad voor de eigenaresse van de winkel rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Toen zij verdachte wilde tegenhouden heeft verdachte zich losgerukt en haar op de grond geduwd, waardoor zij ernstig letsel heeft opgelopen.

Daar komt bij dat dergelijke feiten ongemak en financiële schade toebrengen aan de ondernemers en/of hun verzekeraar(s).

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 december 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;

- voorlichtingsrapporten betreffende de verdachte van Centrum Maliebaan d.d. 1 oktober 2007, 8 november 2007 en 7 januari 2008, alle opgemaakt door mevrouw B.I.M. Mes, reclasseringswerker;

- een omtrent verdachte opgemaakt psychiatrisch rapport d.d. 6 november 2007 van K. Langerak (psychiater in opleiding) en N.A.J. van de Laar (juridisch forensisch psychiater), inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten - indien bewezen - lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, zodat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundigen over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank zal, overeenkomstig het bepaalde in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de proeftijd bepalen op twee jaren. Nu naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet en duidelijk is wat het vervolgtraject zal zijn na de observatie-opname van verdachte in De Wier, kan dit thans niet meegenomen worden in de bijzondere voorwaarde.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten een cd-rom,

acht de rechtbank de Rabobank te Nieuwegein degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank zal gelasten dat dit voorwerp aan genoemde rechtspersoon wordt teruggegeven.

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten een mes,

acht de rechtbank de vader van verdachte ([vader verdachte]) degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank zal gelasten dat dit voorwerp aan genoemde persoon wordt teruggegeven.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 1.418,00 wegens immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 1 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht aannemelijk dat de schade van de benadeelde partij in ieder geval € 1.000,00 bedraagt en zal de vordering daarom tot voormeld bedrag toewijzen.

Hetgeen door de benadeelde partij meer of anders is gevorderd, is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het door [aangever 3] ingevulde voegingsformulier benadeelde partij d.d. 1 januari 2008, merkt de rechtbank op grond van de inhoud niet aan als een vordering overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering, maar als een schriftelijke slachtofferverklaring van aangeefster.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 25 MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Centrum Maliebaan te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen, ook als dat inhoudt een observatie-opname voor de duur van ten hoogste drie maanden bij GGZ Altrecht, afdeling De Wier.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van een cd-rom aan de Rabobank te Nieuwegein.

Gelast de teruggave van een mes aan de vader van verdachte: W.M. van den Akker.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1], wonende te Nieuwegein, ten dele toe tot een bedrag van € 1.000,00 (zegge duizend euro en nul eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1.000,00 (zegge duizend euro en nul eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs C.W. Bianchi, voorzitter, W. Foppen en G.A. Bos, rechters, bijgestaan door mr. A. van Beek als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 januari 2008.