Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC3674

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
234974/ HA ZA 07-1480
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid, verplichte rechtshandeling.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 42
Faillissementswet 43
Faillissementswet 44
Faillissementswet 45
Faillissementswet 46
Faillissementswet 47
Faillissementswet 48
Faillissementswet 49
Faillissementswet 50
Faillissementswet 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2008, 336
JIN 2008/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 234974 / HA ZA 07-1480

Vonnis van 6 februari 2008

in de zaak van

MR. ROBERT ANTON FRANKEN Q.Q.,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Utrechts Dakdekkersbedrijf B.V.,

wonende te Groenekan, gemeente De Bilt,

eiser,

procureur mr. S.M. van Luijk,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. I.A.E. de Wit.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde c.s.] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Deze procedure betreft een voortzetting van de zaak met zaak-/rolnummer 207947 HAZA 06-283 die op verzoek van partijen op 23 mei 2007 is doorgehaald. Op 1 augustus 2007 hebben partijen het verzoek gedaan de zaak op de rol te plaatsen voor het wijzen van vonnis. Daarop is door de rechtbank een nieuw zaak-/rolnummer aan de zaak toegekend en vonnis bepaald.

1.2. De procedure in de onderhavige zaak blijkt uit de in deze zaak onder zaak-/rolnummer 207947 HAZA 06-283 verrichte handelingen:

- de dagvaarding

- akte uitlating getuigen

- de conclusie van antwoord

- het tussenvonnis van 17 mei 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 5 oktober 2006.

2. De feiten

2.1. Gedaagde sub 1 is enig aandeelhouder en bestuurder geweest van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Utrechts Dakdekkersbedrijf B.V., hierna te noemen: de vennootschap. Gedaagden sub 2 en 3 zijn bestuurders geweest van gedaagde sub 1.

2.2. Op 16 juni 2005 heeft de vennootschap een verzoek tot faillietverklaring gedaan.

2.3. Op 17 juni 2005 is bij spoedoverboeking een bedrag overgemaakt van

EUR 20.000,00 van de bankrekening van de vennootschap naar de bankrekening van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nebiprofa B.V., hierna te noemen: Nebiprofa. Deze spoedoverboeking zal hierna mede aangeduid worden als: de betaling.

2.4. Bij vonnis van 22 juni 2005 heeft deze rechtbank de vennootschap in staat van faillissement verklaard en de curator tot curator benoemd.

3. Het geschil

3.1. De curator vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde c.s.] tot betaling van een bedrag van EUR 20.000,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde c.s.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft de curator aangevoerd dat [gedaagde c.s.] onrechtmatig jegens de schuldeisers van de vennootschap heeft gehandeld door een dag na de aanvraag van het faillissement van de vennootschap de onder 2.3 bedoelde spoedoverboeking te verrichten van EUR 20.000,00 aan één van de schuldeisers, Nebiprofa.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat een bestuurder op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad alleen uit onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk is voor handelen of nalaten van de vennootschap, indien zijn handelen of nalaten als bestuurder in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.3. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 juni 2000 (JOR 2000, 201) overwogen dat uit het stelsel van artikel 42 tot en met 51 Faillissementswet, en meer in het bijzonder artikel 47, onder meer het uitgangspunt van de wetgever ten grondslag ligt dat de schuldenaar (de failliete vennootschap) geen verwijt kan worden gemaakt, wanneer hij datgene doet waartoe voor hem een rechtsplicht bestaat. In lijn met dit uitgangspunt heeft de wetgever op de regel dat geen sprake is van nietigheid van verplichte (rechts-)handelingen in artikel 47 slechts twee nauwkeurig geformuleerde uitzonderingen gemaakt, namelijk voor het geval dat de ontvangende partij wist dat het faillissement van de schuldenaar was aangevraagd, en voor het geval dat de betaling het gevolg was van overleg tussen schuldenaar en schuldeiser met als doel laatstgenoemde door de betaling boven andere schuldeisers te begunstigen.

4.4. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft de curator verklaard dat de onderhavige betaling geen onverplichte rechtshandeling was in de zin van artikel 42 Faillissementswet zodat deze bepaling niet van toepassing was, alsmede dat hij artikel 47 Faillissementswet niet aan de vordering ten grondslag heeft gelegd, omdat hij niet zou kunnen bewijzen dat Nebiprofa op het moment van de betaling wetenschap had van de faillissementsaanvraag.

4.5. De rechtbank leidt uit de ter comparitie afgelegde verklaring van de curator af dat hij het standpunt inneemt dat de betaling moet worden aangemerkt als een verplichte rechtshandeling. Uit het feit dat de curator expliciet heeft afgezien van de mogelijkheid van artikel 47 Faillissementswet tot vernietiging van de rechtshandeling strekkende tot betaling, moet worden afgeleid dat er geen aanleiding is om te veronderstellen, althans dat er onvoldoende bewijs is om aan te tonen dat Nebiprofa ten tijde van de betaling wist van het aanstaande faillissement van de vennootschap of dat de betaling het gevolg was van overleg tussen schuldenaar en schuldeiser met als doel deze laatste boven andere schuldeisers te begunstigen. Het voorgaande rechtvaardigt in het licht van voormeld arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2000 de conclusie dat de vennootschap geen verwijt kan worden gemaakt doordat zij een betaling verrichtte (aan Nebiprofa), waartoe voor haar een rechtsplicht bestond. Met het oog hierop valt zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in te zien waarom de bestuurder van de vennootschap, die feitelijk de opdracht geeft tot het verrichten van de betaling, ten aanzien daarvan een persoonlijk en ernstig verwijt te maken is. De omstandigheid dat de schuldeisers van de vennootschap door de betaling zijn benadeeld, dat de betaling heeft gevonden na de aanvraag van het faillissement door de vennootschap en dat de betaling zou zijn verricht om Nebiprofa na faillietverklaring van de vennootschap als leverancier te behouden, zijn gegeven het vaststaande verplichte karakter van deze rechtshandeling onvoldoende om een dergelijk ernstig, persoonlijk verwijt aan te nemen.

4.6. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.7. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde c.s.] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 495,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.653,00

4.8. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde c.s.] tot op heden begroot op EUR 1.653,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2008.

w.g. griffier w.g. rechter