Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC3436

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
16-602677-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

6 WVW, zwaar lichamelijk letsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/602677-06

Datum uitspraak: 1 februari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres], [woonplaats]

Raadsvrouwe: mr. M. Jongkind.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaardingen is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

Primair

hij op 09 juni 2006 in de gemeente Bunschoten, als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de Bisschopsweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend - nadat hij te laat had gezien dat een aantal auto's vóór hem fors had afgeremd en/of ten einde een botsing te voorkomen met die voorligger, het door hem bestuurde rijtuig scherp naar links, de weghelft voor het hem tegemoetkomende verkeer op te sturen, op het moment dat een tegemoetkomende personenauto zó dicht was genaderd, dat een frontale botsing heeft plaatsgevonden tussen het motorrijtuig van hem, verdachte, en genoemde tegenligger,waardoor de inzittenden van het tegemoetkomende voertuig, te weten [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Het proces-verbaal Verkeersongevals Analyse .

Uit het proces-verbaal dat de Fiat op 9 juni 2006 over de Bisschopsweg te Bunschoten reed, komende uit de richting Bunschoten-Spakenburg en gaande in de richting van Baarn. De Ford kwam uit tegenovergestelde richting aanrijden. De rijbaan van de Bisschopsweg was ter plaatse een nagenoeg rechte weg en bestond uit één rijbaan bestemd voor verkeer in beide richtingen. Op de wegas was een onderbroken streep aangebracht.

Ten tijde van de botsing bevond de Fiat zich geheel op de rijstrook van het hem tegemoet komende verkeer.

De verklaring van [aangever 1]

[aangever 3] heeft verklaard dat hij de bestuurder van de Ford was en dat hij samen met [aangever 3] en [aangever 2] op weg was naar Bunschoten. Op de Bisschopsweg passeerde hij een rij auto’s die in de richting van Baarn reden. Plotseling kwam hem, op zijn weghelft, een blauwe auto tegemoet rijden. De blauwe auto botste met zijn voorkant tegen de voorkant van zijn auto.

De verklaring van [aangever 2]

[aangever 2] heeft verklaard dat hij op 9 juni 2006 samen met [aangever 1] en [aangever 3] onderweg was naar Bunschoten. Op de andere weghelft stond een file van vier a vijf auto’s. Vanuit Bunschoten kwam een auto aanrijden die vlak voor de file uitweek en op hun weghelft terecht kwam.

Het door de slachtoffers opgelopen letsel:

Uit de in het dossier opgenomen medische verklaringen van de slachtoffers, [aangever 1] d.d. 18 juli 2006, [aangever 2] d.d. 10 augustus 2006 en [aangever 3] d.d. 18 augustus 2006 volgt dat ten gevolge van het ongeluk [aangever 1] letsel aan zijn ribben en rechter schouder en een zwelling bij zijn linkeroog heeft opgelopen, dat [aangever 2] 3 gebroken ribben heeft opgelopen en 5 dagen in het ziekenhuis is opgenomen en dat [aangever 3] verdraaiingen aan zijn nek en schouder en 4 gekneusde rechter ribben heeft opgelopen en ten tijde van het opmaken van de verklaring nog niet aan het werk was en fysiotherapie onderging.

Voorts zijn in een aanvullend proces-verbaal de telefonische verklaringen d.d. 11 oktober 2006 opgenomen van de slachtoffers [aangever 1] en [aangever 3], aangaande hun opgelopen letsel en het verloop van het herstel. [aangever 1] heeft onder andere aangegeven dat hij zijn rechter sleutelbeen en 3 ribben, rechts, heeft gebroken. Voorts heeft hij aangegeven dat hij tweemaal per week fysiotherapie krijgt, op 10 november 2006 een operatie zal ondergaan in verband met een ontsteking aan zijn linkeroog en dat hij nog niet aan het werk is. [aangever 3] heeft onder andere aangegeven dat hij ten gevolge van de kneuzingen aan zijn nek, schouder en ribben nog eenmaal per week fysiotherapie ondergaat en dat hij sinds een maand weer aan het werk is.

[aangever 2] heeft onder andere verklaard dat hij ten gevolge aan zijn gebroken ribben, fysiotherapie krijgt en ten gevolge van het letsel nog steeds niet aan het werk is.

[aangever 2] heeft ter zitting meegedeeld dat [aangever 1] en hijzelf nog steeds onder medische behandeling zijn voor de lichamelijke gevolgen van de aanrijding en dat zij beiden nog niet aan het werk zijn.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 18 januari 2008 – zakelijk weergegeven -:

Ik was de bestuurder van de Fiat. Het verkeer in mijn richting, de richting naar Baarn, was druk. Het verkeer uit de tegenovergestelde richting Amersfoort was niet druk. Het was droog weer en het zicht was goed. De afstand tussen mijn auto en de auto voor mij was ongeveer 2-3 auto’s. Ik zag op een gegeven moment dat door een paar auto’s voor mij geremd werd. Ook de auto voor mij remde. Ik haalde mijn voet van het gaspedaal. Ik heb toen nog niet geremd. Ik keek een moment in mijn achteruitkijkspiegel om te zien of de auto’s achter mij in de gaten hadden dat voor mij werd geremd. Op dat moment deed ik nog iets met mijn gordel, hij zat niet helemaal goed of zo. Vervolgens ging het in een flits. Ik keek weer voor mij en zag dat de auto voor mij remde. Ik probeerde te remmen en merkte dat ik het niet kon halen. Ik heb toen mijn stuur omgegooid naar links omdat ik mijn voorganger niet wilde raken. Op dat moment zag ik nog geen auto uit de tegenovergestelde richting komen. Vervolgens zag ik een auto op mij af komen. Ik corrigeerde nog meer naar links en toen kwam de botsing.

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting aangevoerd dat er in de onderhavige zaak sprake is van een loutere verkeersfout en dat er verder geen omstandigheden zijn die met zich meebrengen dat haar cliënt een extra verwijt gemaakt kan worden. De raadsvrouwe stelt dat de ondergrens van het voor artikel 6 WVW vereiste schuldverwijt niet wordt gehaald en dat haar cliënt van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dat verdachte, gelet op zijn verklaring ter zitting, ten gevolge van zijn onoplettendheid en het niet voldoende remmen op het moment dat hij zag dat zijn voorliggers afremden, onvoldoende afstand heeft gehouden tot zijn voorliggers zodat hij zijn auto niet tijdig tot stilstand kon brengen zonder een aanrijding te veroorzaken. Verdachte heeft vervolgens zijn auto naar links gestuurd en is op de rijbaan van het tegemoet komende verkeer terecht gekomen en is daar frontaal op de auto van [aangever 1] gebotst.

De rechtbank concludeert dat hier sprake is van meer dan een loutere verkeersfout en is van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, waardoor hij degene is geweest die het betreffende ongeluk heeft veroorzaakt.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouwe.

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er bij de slachtoffers sprake is van zwaar lichamelijk letsel nu het dossier geen informatie bevat over de huidige gezondheidssituatie van de slachtoffers en nu in het strafdossier evenmin is vermeld of ter zake het letsel de noodzaak bestond om medisch in te grijpen.

De rechtbank is van oordeel dat het hierboven in de bewijsmiddelen genoemde letsel van de slachtoffers op grond van de geldende jurisprudentie wel degelijk valt te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouwe.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zichzelf in een zodanige positie gebracht dat hij niet meer in staat was zijn auto tijdig tot stilstand te brengen teneinde een aanrijding met zijn voorligger te voorkomen. Om een aanrijding te voorkomen heeft verdachte zijn auto vervolgens naar links gestuurd en is op de rijbaan voor het hem tegemoetkomende verkeer terecht gekomen. Verdachte heeft hierdoor een ernstig verkeersongeluk veroorzaakt waarbij de inzittenden van de tegemoet komende auto zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Twee van de slachtoffers zijn nu, na lange tijd, nog onder medische behandeling voor de lichamelijke gevolgen van het ongeval.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 november 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het onder primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een geldboete van € 1500,00, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis;

- ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden duur alsmede een geldboete als na te melden passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die gelijk is aan die zoals door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan. De rechtbank heeft hierbij, net als de officier van justitie, rekening gehouden met de lange periode die gelegen is tussen het ongeval en de zitting van 18 januari 2008. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het ernstige letsel dat verdachte zelf tijdens het ongeval heeft opgelopen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot betaling van een GELDBOETE van € 1500,00 (vijftienhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 6 maandelijkse termijnen van elk € 250,00.

Veroordeelt de verdachte voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Dit vonnis is gewezen door mrs I.P.H.M. Severeijns, J.R. Krol en R.P.G.L.M. Verbunt, bijgestaan door G. van Engelenburg als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 01 februari 2008.

Mrs. I.P.H.M. Severeijns en R.P.G.L.M. Verbunt zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.