Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC3435

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
16-602712-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor zijn aandeel in een serie straatroven, diefstallen en een poging tot een overval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/602712-07

Datum uitspraak: 5 februari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres]

Raadsman: mr. R.P. Ronday.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1A is ten laste gelegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1B tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- de aangifte van [aangever C] p.24 e.v. I-verbaal (PL0960/07-015989I)

- de bekennende verklaring van verdachte onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-

Het klopt dat ik op 2 september 2007 te IJsselstein betrokken was bij de beroving van een jongen. Ik heb de medeverdachten vervoerd. Ik heb ze vlakbij de jongen afgezet. De bedoeling was om hem het geld te laten pinnen. Dat hadden we van tevoren besproken. Ik wist dat [medeverdachte 1] een mes bij zich had. Ik heb gezien dat [medeverdachte 2] de jongen beetpakte. Na de beroving ben ik door [medeverdachte 2] gebeld met de mededeling dat ze in Benschop waren. Ik heb hen toen opgehaald. Ik heb een deel van de buit gehad, namelijk een kettinkje en een armband.

De raadsman heeft betoogd dat er geen sprake is van medeplegen. Zijn cliënt heeft zich immers onttrokken aan het geweld en bedreiging met geweld. Hij was er ook niet van op de hoogte dat er gewelddadig zou worden opgetreden. Hij was evenmin de actor intellectualis. Weliswaar heeft zijn cliënt een goed verstand, maar hij is niet degene die heeft bedacht dat de jongen beroofd moest worden of dat er een mes meegenomen moest worden.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende. Verdachte was van tevoren op de hoogte van het plan dat iemand beroofd zou worden en heeft gezien dat er geweld werd gebruikt. Verdachte mocht er ook niet op vertrouwen dat de beroving zonder slag of stoot zou gaan; hij heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de medeverdachte geweld zouden gebruiken. Bovendien heeft de medeverdachten vervoerd op zijn scooter. Toen het allemaal lang ging duren heeft hij bewust toenadering gezocht met de medeverdachten. Ten slotte heeft hij hen opgehaald en ook nog gedeeld in de buit. Een en ander leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van medeplegen.

De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 1B tenlastegelegde geconstateerd dat in de tekst van de tenlastelegging in de eerste plaats ontbreekt dat respectievelijk [aangever C] is gedwongen tot afgifte van de goederen zoals genoemd in de tenlastelegging. In de tweede plaats ontbreekt dat deze afgifte heeft plaatsgevonden door middel van geweld en/of bedreiging met geweld. Uit de context van de tenlastelegging als geheel en de feitelijke uitwerking in het bijzonder begrijpt de rechtbank dat de officier van justitie kennelijk de bedoeling heeft gehad dit ten laste te leggen mede gelet op het verband met het onder 1A tenlastegelegde. De rechtbank leest de tenlastelegging derhalve in die zin als verbeterd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1B ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als hierna is vermeld.

hij op 2 september 2007 te IJsselstein tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever C] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met inhoud en een mobiele telefoon toebehorende aan [aangever C] welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- die [aangever C] op de grond heeft gegooid, en

- vervolgens een mes op de keel van die [aangever C] heeft gezet, en

- tegen die [aangever C] heeft gezegd dat zijn keel doorgesneden zou worden als die [aangever C] zou gillen, en

- een schop/trap tegen het scheenbeen, van die [aangever C] heeft gegeven;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1B bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Op de dagvaarding is aan verdachte medegedeeld dat de ad informandum gevoegde strafbare feiten ter bepaling van de strafmaat ter kennis van de rechtbank worden gebracht en dat verdachte daarvoor niet afzonderlijk zal worden vervolgd indien de rechtbank met die feiten rekening houdt.

Nu verdachte de feiten heeft bekend zal de rechtbank rekening houden met 9 ad informandum gevoegde feiten, zoals vermeld op blad 2 en 3 in bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan twee straatroven waarbij geweld of dreiging met geweld niet werd geschuwd. Ook heeft verdachte getracht een supermarkt te overvallen. Dat dit bij een poging is gebleven is slechts te danken aan het adequate optreden van het slachtoffer. Op professionele wijze werd een en ander voorbereid door verdachte en zijn companen. Verdachte heeft volgens de verklaringen van de medeverdachten en ook blijkens zijn eigen verklaring een goed verstand en werd om die reden ingezet voor het inschatten van risico’s. Hij deed kortgezegd het denkwerk terwijl [medeverdachten 1 en 2] het uitvoerende deel voor hun rekening namen. De slachtoffers zijn doodsbang geweest. Dit blijkt ook uit een aantal schriftelijke slachtofferverklaringen die het dossier bevat. Ook heeft verdachte zich schuldiggemaakt aan een zestal inbraken en een diefstal in vereniging. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat verdachte niet direct openheid van zaken heeft gegeven in zijn nadeel moet meewegen. Dit had tot gevolg dat in een eerder stadium zijn aandeel nog niet goed in beeld kon worden gebracht en verdachte derhalve is vrijgekomen, terwijl zijn medeverdachten nog vast zaten. Ook speelt mee dat verdachte zeventien jaar is en bijna twee jaar ouder dan [medeverdachte 1]. In het voordeel van verdachte weegt dat hij zelf geen geweldshandelingen heeft verricht.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 oktober 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake strafbare feiten.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, d.d. 18 januari 2008, opgemaakt door N. el Addouti, reclasseringswerkster.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 16 januari 2008, opgemaakt door M. van Wijngaarde, raadsonderzoekster.

- een omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 18 december 2007 van drs. K.B. Schultz onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op basis van zijn boven gemiddelde intelligentie kan [verdachte] goed in staat worden geacht om de consequenties van zijn gedrag en handelen te beredeneren en te overzien. Hij heeft niet uit impulsiviteit gehandeld, maar hij heeft de gepleegde delicten samen met medeverdachten zorgvuldig voorbereid en bewust de keuze gemaakt het plan uit te voeren. [Verdachte] was zich voor het plegen van de tenlastegelegde feiten ervan bewust dat hij een strafbaar feit ging plegen. [Verdachte] kan als toerekeningsvatbaar worden beschouwd. Vanuit gedragsdeskundig oogpunt valt geen uitspraak te doen over de kans op recidive, daar geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling geconstateerd is. Zijn ambivalentie, beïnvloedbaarheid, vriendenkring en het ontbreken van een nuttige vrijetijdsbesteding kunnen een risico vormen. Hoewel geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling is geconstateerd is het wel van belang om [verdachte]’s ontwikkeling en functioneren gedurende een langere termijn goed te kunnen monitoren. Toezicht door Jeugdreclassering wordt dan ook geadviseerd. Geadviseerd wordt om deze begeleiding om te leggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 1A wordt vrijgesproken en ter zake van het onder 1B ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- jeugddetentie voor de duur van 10 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk (proeftijd 2 jaar) met als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp & Steun waarvan de eerste 6 maanden ITB+, en behandeling bij de Waag zolang de reclassering dat nodig acht;

- de vordering van de benadeelde partij [aangever D] niet-ontvankelijk en [aangever C] geheel toewijzen met de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke aansprakelijkheid.

Hoewel de rechtbank zich realiseert dat verdachte zich in een schorsing van de voorlopige hechtenis bevindt meent de rechtbank dat zij, gelet op de ernst en de hoeveelheid feiten alsmede op de straffen van de [mededaders 2 en 1], niet kan volstaan met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de voorlopige hechtenis tot op heden.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.

In het belang van het verder vervolgen van zijn opleiding zal de rechtbank evenwel bepalen dat het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal worden tenuitvoergelegd in de vorm van nachtdetentie.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

De vordering van de benadeelde partijen

[Aangever C]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1A en 1B ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 1171,16 wegens materiële schade en een bedrag van € 1475,-- wegens immateriële schade.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de schoolboeken en schoolgeld is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 1A en 1B bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 1475,-- en de materiële schade wordt begroot op € 367,34.

De vordering zal daarom tot een totaalbedrag van € 1842,34 worden toegewezen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

[Aangever D]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1A ten laste gelegde feit.

Nu aan de verdachte voor wat betreft het onder 1A ten laste gelegde feit geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De benadeelde partij en de verdachte moeten ieder de eigen kosten dragen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 77a, 77g, 77x, 77y, 77z, 77aa en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1A ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1B ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1B bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot JEUGDDETENTIE voor de duur van 10 maanden (zegge: tien maanden) welke tenuitvoer zal worden gelegd in de rijksinrichting Eikenstein te Zeist en bepaalt tevens dat veroordeelde daarbij in aanmerking komt voor nachtdetentie in de vorm van onbegeleid meerdaags verlof (conform de regels neergelegd in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen).

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 8 maanden (zegge: acht maanden), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- dat de veroordeelde in het kader van de maatregel Hulp en Steun zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, te geven aanwijzingen, zolang die instelling dat nodig acht; ook als dat inhoudt dat de veroordeelde

- de eerste zes maanden van de proeftijd deel moet nemen aan het project ITB-plus;

- zich onder behandeling moet stellen van De Waag.

- met de opdracht aan die jeugdreclasseringinstelling ex artikel 77aa Wetboek van Strafrecht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever C], wonende te [woonplaats] ten dele toe tot een bedrag van € 1842,34 (zegge achttienhonderdtweëenveertig euro en vierendertig eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering (de schoolboeken en het schoolgeld)en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1842,34 (zegge achttienhonderdtweëenveertig euro en vierendertig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Verklaart de benadeelde partij [aangever D] niet ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Beveelt de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van veroordeelde, te weten niet eerder dan met ingang van 11 februari 2008.

Dit vonnis is gewezen door mr L.E. Verschoor-Bergsma, kinderrechter en mrs I. Bruna en S.K. Bouwman, bijgestaan door mr. V.H. van der Horst als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2008.

Mrs Bouwman en Bruna zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.