Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC3318

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
SBR 08/167, 08/286, 08/288 en 08/289
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bouwvergunningen geschorst. Gelet op de defintie voor "stacaravan" in de planvoorschriften is geen sprake van stacaravans als bedoeld in het bestemmingsplan, maar van recreatiewoningen. Met de bouw van deze bouwwerken wordt het maximale aantal recreatiewoningen dat ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 08/167, 08/286, 08/288 en 08/289

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 januari 2008

inzake

Recreantenvereniging Bonte Vlucht,

gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente de Utrechtse Heuvelrug,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek met zaaknummer SBR 08/167 betreft het besluit van 20 december 2007 (besluitnummer 20070907) waarbij aan Recreatiepark Bonte Vlucht BV (hierna: vergunninghoudster) bouwvergunning is verleend voor het plaatsen van 4 stacaravans (type “Berk”) op het perceel Leersumsestraatweg 23 te Doorn (hierna: het perceel).

Het verzoek in zaaknummer SBR 08/286 betreft het besluit van eveneens 20 december 2007 (besluitnummer 20070908) waarbij aan de vergunninghoudster bouwvergunning is verleend voor 8 stacaravans (type “Eik”) op het perceel.

Het verzoek met zaaknummer SBR 08/288 betreft het besluit van 21 december 2007 (besluit nummer 20070909) waarbij aan de vergunninghoudster bouwvergunning is verleend voor het plaatsen van 12 stacaravans (type “Rode Beuk”) op het perceel.

Het verzoek met zaaknummer SBR 08/289 betreft het besluit van eveneens 21 december 2007 (besluitnummer 20070910) waarbij aan de vergunninghoudster bouwvergunning is verleend voor 10 stacaravans (type “Eik Deluxe”) op het perceel.

1.2 De verzoeken zijn op 25 januari 2008 ter zitting behandeld, waar verzoekster is verschenen bij haar bestuurders P.F. Schotte, B.A.M. Verkade en L.J. Weber. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.A. Renger, werkzaam bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De vergunninghouder is ter zitting verschenen bij haar directeuren J. Bergervoet en T.H. Verspaget, bijgestaan door mr. T.J. van Veen, advocaat te Veenendaal.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld, het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met redelijke eisen van welstand beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerst lid, onderdeel a, van deze wet.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Woongebieden en recreatieterreinen” (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming “Recreatieve doeleinden I”. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften verstaan onder recreatiewoning: een permanent ter plaatse aanwezig gebouw dat uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor recreatief verblijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben; hieronder worden tevens trekkershutten begrepen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder o, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder toeristisch kampeermiddel verstaan: een onderkomen zoals een tent, tentwagen, een kampeerauto, een caravan, met uitzondering van een stacaravan of enig ander (gedeelte van een) (voormalig) voertuig dat periodiek dient als woning voor recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben en waarvoor geen bouwvergunning ingevolge de Woningwet is vereist;

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder p, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder stacaravan verstaan: een kampeermiddel in de vorm van een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat periodiek dient als woning voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben en mede gelet op de afmetingen kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstanden als aanhangsel van een auto te worden voorbewogen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder bouwwerk verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder gebouw verstaan: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder u, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder onderkomen verstaan: een voor verblijf geschikt – al of niet aan zijn bestemming onttrokken –voer- vaar- of vliegtuig, ark, caravan of livingvan, voor zover deze niet als bouwwerk is aan te merken alsook een tent.

Ingevolge de doeleindenomschrijving in artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor Recreatieve doeleinden I aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatie, alsmede bos. Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten: recreatiewoningen, stacaravans, toeristische kampeermiddelen, centrale voorzieningen, dienstwoningen, groenvoorzieningen, ontsluitingsverhardingen, parkeerplaatsen, alsmede bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Ingevolge de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften kan de wijze waarop met het bestemmingsplan de in het eerste lid genoemde doeleinden worden nagestreefd als volgt worden omschreven:

a. bij de recreatieterreinen wordt zoveel mogelijk gestreefd naar instandhouding van het karakter van de terreinen. Dit houdt in dat de terreinen voor verblijfsrecreatief gebruik ingericht moeten zijn en blijven;

b. wijzigingen van de recreatieterreinen mogen alleen voortvloeien uit veranderde eisen die uit het oogpunt van verblijfsrecreatie aan de recreatieterreinen worden gesteld;

c. het aantal recreatiewoningen mag daarbij niet toenemen.

Ingevolge de bebouwingsvoorschriften in artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd onder de voorwaarde, voor zover hier van belang, dat per bestemmingsvlak niet meer recreatiewoningen mogen worden gebouwd dan op de plankaart is aangegeven.

Op de plankaart is aangegeven dat het maximaal aantal recreatiewoningen op het perceel 86 bedraagt.

2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bouwwerken moeten worden aangemerkt als stacaravans als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder p, van de planvoorschriften en dat het plaatsen daarvan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Nu het bouwplan voorts in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand, de bouwverordening en het bouwbesluit, moeten de vergunningen volgens verweerder verleend worden.

2.5 Verzoekster betoogt dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de welstandsnota van de gemeente de Utrechtse Heuvelrug. Zij stelt dat er geen inhoudelijk welstandsadvies voorhanden is en zij wijst erop dat verweerder bouwvergunningen heeft verleend zonder dat hij beschikte over een advies van de welstandscommissie.

2.6 De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de stempels op de bouwtekeningen blijkt dat de commissie Welstand en Monumenten Midden Nederland (hierna: de welstandscommissie) op 7 januari 2008 een positief welstandsadvies heeft gegeven. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de welstandscommissie reeds op 26 november 2007 heeft aangegeven dat het bouwplan in overeenstemming wordt geacht met redelijke eisen van welstand en dat naar aanleiding van de bezwaren van verzoekster alsnog om een nadere motivering zal worden gevraagd. Het ontbreken van een inhoudelijk welstandsadvies vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf geen reden om de bouwvergunning te schorsen, nu de volledige heroverweging in het kader van de bezwaarprocedure de mogelijkheid biedt eventuele fouten of tekortkomingen bij de totstandkoming van het besluit te herstellen. Verweerder dient bij handhaving van het primaire besluit in de beslissing op bezwaar alsnog gemotiveerd in te gaan op de door verzoekster naar voren gebrachte bezwaren op dit punt.

2.7 Verzoekster betoogt verder dat het plaatsen van de bouwwerken waarvoor de vergunningen zijn verleend in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voert daartoe aan dat het niet gaat om stacaravans, maar om chalets, zodat sprake is van recreatiewoningen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder n, van de planvoorschriften. Verzoekster verwijst in dit verband ook naar de verkoopinformatie waarin de bouwwerken te koop worden aangeboden als chalets. Met de bouw van deze recreatiewoningen wordt volgens verzoekster het ingevolge het bestemmingsplan maximaal toegestane aantal recreatiewoningen overschreden.

2.8 Dit betoog slaagt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geeft het bestemmingsplan aanleiding het begrip stacaravan beperkt uit te leggen. Daartoe is overwogen dat het aantal recreatiewoningen, in tegenstelling tot het aantal stacaravans uitdrukkelijk in het bestemmingsplan is vastgesteld en dat uit de beschrijving in hoofdlijnen blijkt dat het streven erop is gericht het karakter van de recreatieterreinen te behouden. Niet in geschil is dat reeds 86 recreatiewoningen op het terrein aanwezig zijn.

Uit de bouwtekeningen blijkt dat de vergunde bouwwerken een nokhoogte van 3.80 m hebben, schuin aflopend naar een goothoogte van 3 m. Het dak is voorzien van dakgoten en regenpijpen. De bouwwerken worden geplaatst op een ingegraven stelconplaat met een dikte van ongeveer 16 cm. De bouwwerken zijn aan de onderzijde rondom gesloten zodat het chassis en de wielen aan het oog zijn onttrokken. Zowel het uiterlijk als de constructie duidt erop dat de bouwwerken zijn bedoeld om permanent op de eenmaal ingenomen standplaats te blijven staan en het is niet aannemelijk geworden dat de bouwwerken, nadat ze zijn geplaatst, eenvoudig en zonder ingrepen in het terrein zijn te verwijderen of te verplaatsen. De relatief kleine wielen zijn zodanig geplaatst ten opzichte van de balken waar zij aan zijn verbonden en de eenvoudig verwijderbare dissel is in relatie tot het bouwwerk zodanig uitgevoerd dat het aannemelijk is dat deze slechts zijn bedoeld voor het laden en lossen van de bouwwerken op de vrachtwagen die ze ter plaatse aflevert en niet om de bouwwerken naderhand nog over het terrein te verplaatsen.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat sprake is van “bouwwerken” als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften. Deze bouwwerken vormen een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimten, zodat moet worden geconcludeerd dat sprake is van gebouwen in de zin van de planvoorschriften. Gelet op de definitie van “stacaravan”, in de zin van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de definitie “onderkomens” in de zin van de planvoorschriften kan niet staande worden gehouden dat de bouwwerken voldoen aan het in artikel 1, aanhef en onder p, van de planvoorschriften bepaalde criterium dat sprake is van een “kampeermiddel in de vorm van een caravan of een soortgelijk onderkomen op wielen”. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is veeleer sprake van gebouwen die zijn aan te merken als recreatiewoningen, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van de planvoorschriften. De voorzieningenrechter merkt daarbij nog op dat in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van het bestemmingsplan uitdrukkelijk is bepaald dat ook een trekkershut wordt aangemerkt als recreatiewoning.

2.9 Gelet op het voorgaande dienen de bouwwerken aangemerkt te worden als recreatiewoningen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van de planvoorschriften. Met het plaatsen hiervan wordt het maximale aantal recreatiewoningen dat ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan overschreden. De bouwvergunningen hadden dan ook geweigerd moeten worden op grond van artikel 44, van de Woningwet.

2.10 De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de bouwvergunningen, verleend bij de besluiten van 20 december 2007 en 21 december 2007, te schorsen tot zes weken nadat verweerder heeft beslist op verzoeksters bezwaar tegen die besluiten. De voorzieningenrechter ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om in te gaan op de overige in bezwaar aangevoerde gronden. Wel zal verweerder op grondslag van het bezwaarschrift de besluiten volledig moeten heroverwegen en bij het nemen van een besluit op bezwaar op deze gronden gemotiveerd moeten ingaan.

2.11 De voorzieningenrechter is niet gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel zal verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht moeten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

3.1 wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst de besluiten van verweerder van 20 december 2007 (besluitnummer 20070907), 20 december 2007 (besluitnummer 20070908), 21 december 2007 (besluit nummer 20070909 ) en van 21 december 2007 (besluitnummer 20070910) tot zes weken na bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar;

3.3 bepaalt dat de gemeente Utrechtse Heuvelrug het door verzoekster betaalde griffierecht ten bedrage van (in totaal) € 1140,- aan haar vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. drs. R in ´t Veld en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2008.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. S. Meurs mr. drs. R in ´t Veld

Afschrift verzonden op: