Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC3232

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
16-601319-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK-snelrecht. Uitgaansgeweld. Ontkennende verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/601319-07

Datum uitspraak: 29 januari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Noord-Holland Noord, Huis van Bewaring te Zwaag.

Raadsman: mr. G.Tj. de Jong.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2008.

De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 18 november 2007 te Maarssen, althans in het

arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met

dat opzet meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp,

in het lichaam van die [aangever] gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 18 november 2007 te Maarssen met een ander of anderen, op

of aan de openbare weg, de Kaatsbaan, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever], welk

geweld bestond uit het meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp, steken in het lichaam van die [aangever] en/of het meermalen,

althans eenmaal, (met kracht) tegen/in het gezicht, althans het hoofd, en/of

tegen het lichaam van die [aangever] stompen en/of slaan;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Het bewijs en de beoordeling daarvan

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen van het primair ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd, dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte heeft gestoken. Het subsidiair ten laste gelegde kan in de visie van de raadsman wel worden bewezen, voor zover dat ziet op het slaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.

[aangever] heeft verklaard, dat hij op 18 november 2007, omstreeks 00.15 uur, over de Kaatsbaan te Maarssen liep. Al telefonerend is hij daar door een groepje jongens heengelopen dat zich ophield voor horeca- gelegenheid […]. Hij hoort dat hij door één van de jongens uit de groep - een donkergekleurde jongen - wordt aangesproken, waarop hij zich omdraait. Vervolgens komt de groep jongens om hem heen staan, waardoor [aangever] zich bedreigd voelt. Hij hoort uit de groep zeggen: “wat moet je nou”. Omdat [aangever] de confrontatie met deze groep wil ontlopen steekt hij de straat over. Daar wordt hij aangesproken door een meisje dat hem vertelt dat hij bloedt. [aangever] had dat tot dat moment niet in de gaten gehad.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 18 november 2007 samen met zijn broer [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op de Kaatsbaan te Maarssen was en dat hij daar [aangever] heeft geduwd en geslagen. Verdachte heeft voorts verklaard, dat hij op de videobeelden – die ter terechtzitting zijn getoond – kan worden herkend als de persoon met de witte muts. Verdachte ontkent echter [aangever] te hebben gestoken.

Van het incident is – onder andere – [getuige 1] getuige geweest. Uit zijn verklaring blijkt, dat hij de jongen met de witte muts stekende bewegingen ziet maken in de richting van [aangever].

[aangever] blijkt twee steekwonden in zijn linkerbil te hebben opgelopen, één in zijn rechterbil en één op zijn borstbeen.

Uit de ter terechtzitting getoonde videobeelden blijkt voorts dat verdachte, zijn broer [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] na het incident met versnelde pas weglopen; verdachte en zijn broer gaan daarbij als eerste weg, [medeverdachte 2] volgt kort daarna. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] blijkt, dat zij vervolgens in de auto van [verdachte] zijn gestapt en dat zij zijn weggereden. In de auto van verdachte hoort [medeverdachte 2] hem zeggen: “dat wapen of steekwapen moet weg”. [medeverdachte 2] verklaart vervolgens over de locatie waar verdachte iets zou hebben weggegooid, overigens zonder dat hij ziet dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Tevens hoorde hij verdachte zeggen dat hij [aangever] had geprikt.

De verdediging heeft gesteld dat [medeverdachte 2] leugenachtig heeft verklaard over de rol van verdachte.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 2] in een vroeg stadium - daags na het incident - zij het schoorvoetend heeft verklaard wat er volgens hem was gebeurd. De rechtbank gaat ervan uit dat op dat moment hij met de inhoud van het dossier en de verklaring van de zojuist genoemde [getuige 1] niet bekend was noch was hem op dat moment bekend dat ook op verdachte een verdenking van betrokkenheid bij het incident op de Kaatsbaan rustte. Weliswaar heeft [medeverdachte 2] voor zijn aanhouding telefonisch contact gehad over het incident, maar de inhoud van die informatie betrof niet verdachte maar [medeverdachte 2] zelf; hij zou door de politie gezocht worden in verband met een steekpartij. Nu ook overigens geen aanknopingspunten in het dossier voorhanden zijn op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de geloofwaardigheid van [medeverdachte 2] kan zijn verklaring naar het oordeel van de rechtbank tot het bewijs dienen.

Aan de omstandigheid, zoals door de verdediging bepleit, dat door twee mensen onafhankelijk van elkaar is verklaard dat [aangever] door een “kankerneger” zou zijn gestoken, hecht de rechtbank geen waarde. De aangifte kenmerkt zich door het lacunaire geheugen van [aangever]; hij heeft alleen verklaard over het eerste contact met een donkergekleurde jongen (kennelijk [medeverdachte 2]) en het volgende moment waarop hij merkt dat het bloed hem door de broekspijpen loopt. In het licht daarvan moet naar het oordeel van de rechtbank de opmerking van [aangever] over de “kankerneger” worden beoordeeld. Daarbij komt, dat de getuige [getuige 2] in haar tweede verklaring terugneemt dat zij zou hebben gezegd dat [aangever] door een neger is gestoken.

Uit het bovenstaande vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort, dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte [aangever] heeft gestoken. Evenwel kan niet worden bewezen, dat verdachte daarbij het [volle] opzet op de dood van [aangever] heeft gehad noch dat hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [aangever] daarbij het leven zou laten en dat gevolg op de koop toe heeft genomen. Voor die conclusie biedt het dossier naar het oordeel van de rechtbank eenvoudigweg onvoldoende aanknopingspunten, reeds vanwege het feit dat onduidelijk is gebleven waarmee [aangever] is gestoken en hoe diep de steekwonden waren. Van die onderdelen van het verwijt zal verdachte worden vrijgesproken.

De aard van de gedraging van verdachte, het geconstateerde letsel bij [aangever] en de inhoud van de bewijsmiddelen, waaronder de hiervoor genoemde verklaringen alsmede het feit van algemene bekendheid dat met een scherp voorwerp ernstige verwondingen teweeg kunnen worden gebracht, laten redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangever] zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 18 november 2007 te Maarssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om opzettelijk [aangever] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam van die [aangever] gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging tot zware mishandeling.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

1. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

2. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

3. Door de verdediging is bepleit dat verdachte van het primair tenlastegelegde dient te

worden vrijgesproken en dat voor het overige kan worden volstaan met een

onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

4. De rechtbank acht een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur op zijn plaats op grond van de navolgende overwegingen.

5. Verdachte heeft zich samen met anderen, waaronder zijn broer, schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van uitgaansgeweld, dat heeft plaatsgevonden in de vroege uren van 18 november 2007. Verdachte heeft daarbij het slachtoffer niet alleen geslagen en geduwd, maar ook gestoken. Bij het slachtoffer zijn vier steekwonden geconstateerd.

Dit soort uitgaansgeweld heeft een enorme invloed op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid en intolerantie neemt hierdoor steeds grotere vormen aan. Uitgaansgeweld heeft in de afgelopen jaren al veel dodelijke slachtoffers geteld. In dat opzicht mag verdachte zich gelukkig prijzen dat het letsel van het slachtoffer betrekkelijk beperkt is gebleven.

6. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van soortgelijke (gewelds)delicten.

7. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het voorlichtingsrapport d.d. 10 januari 2008 van N. Zwaan van Reclassering Nederland.

8. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Met name de jeugdige leeftijd van verdachte en het feit dat hij van poging tot doodslag wordt vrijgesproken geeft de rechtbank aanleiding om in aanzienlijke mate af te wijken van de door de officier van justitie geformuleerde eis. Een strafoplegging zoals door de raadsman voorgesteld doet evenwel naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van met name het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht een voorwaardelijke strafdeel op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

9. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en heeft in overeenstemming met het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van zijn vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 255,84 wegens materiële schade en een bedrag van € 1.244,16 wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde feit.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van

18 (ACHTTIEN) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (ZES) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever], wonende te Maarssen, toe tot een bedrag van € 1.500,00 (zegge duizendvijfhonderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1.500,00 (zegge duizendvijfhonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.K. van Riemsdijk, M.P. Gerrits-Janssens en G.A. Bos, bijgestaan door mr. J.A. van Wageningen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2008.

Mr. Gerrits-Janssens is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.