Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC3195

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
16-711480-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezen is verklaard: bedreiging met brandstichting, feitelijke aanranding van de eerbaarheid en diefstal. Enkelvoudige spiegelconfrontatie meegenomen voor het bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/711480-07

Datum uitspraak: 24 januari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichtingen Utrecht, Huis van Bewaring Nieuwegein te Nieuwegein.

Raadsman: mr. W.C. den Daas.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 januari 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Verdachte heeft aangever om verdovende middelen en geld gevraagd, kort voordat in de auto van aangever werd ingebroken, en een getuige heeft verdachte ten tijde van de diefstal in de onmiddellijke omgeving van de auto gezien. Hoewel dit sterke aanwijzingen zijn van betrokkenheid van verdachte bij het onder 1 ten laste gelegde feit, is dit niet voldoende om te komen tot het wettig en overtuigend bewijs.

De verdachte moet daarom van het hem onder 1 ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu er weliswaar voldoende wettig bewijs is, maar geen overtuiging.

Het door de raadsman gevoerde verweer wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen zoals hieronder is weergegeven.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde het volgende betoogd. De telefoon van het slachtoffer [aangever] is aangetroffen in het bezit van [medeverdachte] en uit de printgegevens van die telefoon is gebleken dat er gebeld is naar twee bij de politie ambtshalve bekende inwoners van Zeist. Naar deze gegevens is onvoldoende nader onderzoek gedaan en verdachte is ten gevolge hiervan ten onrechte als enige verdachte aangemerkt.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman. De gestolen telefoon van [aangever] betreft een Samsung C300. Door getuige [getuige 1] is vrijwillig afstand gedaan van een mobiel telefoontoestel van het merk Samsung type SGH-U600. Zij heeft verklaard deze van [medeverdachte] te hebben gekregen. Uit de processen-verbaal met nummer PL0920/07-174155 op de pagina’s 38-40 en 50-53 blijkt dat deze door [getuige 1] afgegeven mobiele telefoon (afkomstig van [medeverdachte]) de telefoon is die van [rechthebbende telefoon] is gestolen en dus niet de hiervoor genoemde Samsung C300.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde voorts betoogd dat de spiegelconfrontatie niet volgens de regels is verlopen en de resultaten daarvan dus niet mogen meewerken aan het bewijs. Hij heeft daartoe –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de spiegelconfrontatie heeft plaatsgevonden na een foto-oslo en aan verdachte voorafgaande aan de spiegelconfrontatie niet de cautie is gegeven.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman. De gang van zaken rond de spiegelconfrontatie verdient weliswaar niet de schoonheidsprijs maar in het onderhavige geval hoeft dat niet te leiden tot uitsluiting van bewijs. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte was op het politiebureau te Zeist aanwezig in verband met niet betaalde boetes. Verdachte is door de politie uit zijn cel gehaald voor een enkelvoudige spiegelconfrontatie. Toen verdachte werd meegenomen voor de spiegelconfrontatie is hem niet de cautie gegeven. Omdat aan verdachte geen enkele vraag is gesteld, heeft dit geen rechtsgevolg.

Het slachtoffer heeft in de eerste fotoserie die haar werd getoond niemand herkend als haar belager. Toen ze een tweede fotoserie bekeek, heeft ze twijfel geuit bij een foto van verdachte. Ze heeft over die foto het volgende gezegd: “Daar lijkt hij veel op. Hij heeft in ieder geval dezelfde blik in zijn ogen.”

Het houden van een enkelvoudige spiegelconfrontatie na het zien van een fotoserie brengt het gevaar met zich mee dat de verdachte niet als zodanig wordt herkend, maar van zijn foto wordt herkend. De rechtbank acht dit in deze echter niet aannemelijk, omdat het slachtoffer niet kort na het tonen van de fotoserie met verdachte is geconfronteerd en omdat het slachtoffer heeft getwijfeld bij de fotoconfrontatie maar geen enkele twijfel heeft getoond toen ze verdachte in persoon zag. Hierbij neemt de rechtbank ook in overweging dat het slachtoffer de man die haar lastig viel lange tijd heeft kunnen observeren omdat zij vanaf station Driebergen-Zeist tot de Utrechtseweg te Zeist in dezelfde bus hebben gezeten en verdachte haar al was opgevallen door zijn ergerlijke gedrag. Daarna heeft het slachtoffer de verdachte van heel dichtbij gezien op het moment dat zij door hem werd lastig gevallen.

Dit alles overziende ziet de rechtbank geen aanleiding de spiegelconfrontatie van het bewijs uit te sluiten.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan met dien verstande dat:

Ten aanzien van feit 2:

hij op 4 augustus 2007 te Zeist, [aangever 2] heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk die [aangever 2] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik steek je huis in brand en jou erbij”.

Ten aanzien van feit 3:

hij op 18 maart 2007 te Zeist door een feitelijkheid [aangever] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij die [aangever] door haar hand vast te pakken en/of te houden en tegen haar te zeggen : “Je bent een mooi meisje” en het onverhoeds strelen van die [aangever], [aangever] gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit het haar meermalen op het gezicht en in de nek kussen en het brengen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [aangever].

Ten aanzien van feit 4:

hij op 18 maart 2007 te Zeist, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Samsung, type C300), toebehorende aan [aangever].

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 2, 3 en 4 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de navolgende bewijsoverwegingen, verwijzen naar de paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, met nummer PL0920/07-015750.

Overweging ten aanzien van feit 2 en 3.

De rechtbank overweegt in zijn algemeenheid ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten dat uit de verklaringen van de aangevers dan wel getuigen meermalen naar voren komt dat verdachte onder invloed van alcohol en verdovende middelen zichzelf niet in de hand heeft en dat verdachte meermalen mensen om geld dan wel verdovende middelen heeft gevraagd .

Ten aanzien van feit 2.

Op 4 augustus 2007 wordt aangeefster bedreigd door verdachte, ze belt hierover met “112” en doet op 6 augustus 2007 aangifte bij de politie. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ter plaatse was, maar door aangeefster was uitgenodigd. Getuige [getuige 2] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaard dat hij verdachte niet heeft kunnen verstaan. Deze getuige heeft bij de politie echter wel verklaard dat hij aangeefster heeft horen bellen met “112” en haar toen heeft horen zeggen dat ze bedreigd werd en dat verdachte het huis van aangeefster in de fik zou steken met de kinderen erbij. Bij de rechter-commissaris heeft deze getuige verklaard dat er op hoge toon gesproken werd en dat hij verdachte wel op een eerder moment in de zomer bedreigingen tegen [aangever 2] heeft horen uiten (de rechtbank begrijpt: een incident in de tuin bij aangeefster waarvan op 15 juli 2007 melding bij de politie is gemaakt). Het voorgaande levert naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en ook overtuigend bewijs op. Of verdachte al dan niet uitgenodigd was doet aan deze bewezenverklaring niets af.

Ten aanzien van feit 3 en 4.

Op 18 maart 2007 doet [aangever] aangifte van aanranding en diefstal door één en dezelfde persoon gepleegd op 18 maart 2007 .

Aangeefster heeft verklaard dat zij op 18 maart 2007 omstreeks 11.00 uur in de bus zit op het traject Wijk bij Duurstede-Driebergen/Zeist-Utrecht. Bij station Driebergen/Zeist stapt een man in de bus. Die man heeft een blikje bier in de hand en bejegent de passagiers uitdagend. Aangeefster zelf wordt in de bus niet door de man aangesproken. Op de Utrechtseweg in Zeist stapt aangeefster uit de bus. De man voornoemd is dan al voor haar uitgestapt. Aangeefster steekt de weg over en gaat op een bankje zitten wachten op een vriend met wie ze heeft afgesproken. De man gaat naast haar zitten. De man pakt haar hand, die ze terugtrekt, en zegt tegen aangeefster dat ze mooi is. De man wordt handtastelijker en begint aangeefster te omhelzen en te strelen. De man kust haar in de nek vlak onder dan wel achter haar rechteroor. Aangeefster weet niet precies wat de man deed, maar op een geven moment deed het pijn. Aangeefster heeft verklaard dat het net leek of hij met zijn tanden beet. Aangeefster duwt de man weg maar die is sterker dan zij en hij gaat door. De man gaat aangeefster over haar hele gezicht kussen en steekt zijn tong in haar mond. Aangeefster heeft vervolgens verklaard: “Ik was zo geschrokken van alles, ik was helemaal verlamd.” Het lukt aangeefster op een gegeven moment om de man weg te duwen. De man vraagt vervolgens aan aangeefster of hij haar telefoon mag gebruiken. Dat wil ze niet. De man trekt dan de tas van aangeefster open en pakt haar telefoon, een roze Samsung C300, uit haar tas. De man loopt weg richting Nieuweroord te Zeist. Aangeefster gaat achter hem aan en vraagt haar telefoon terug. Hierop zegt de man: “heb je dan 20 euro, dan krijg je je telefoon terug”. Aangeefster zegt geen 20 euro te hebben. Hierop zegt de man woorden als “kanker op” en loopt hard weg. Aangeefster kan de man niet bijhouden. De man heeft tegen aangeefster gezegd dat hij 28 jaar is, [verdachte] heette en op de [adres] te [woonplaats] woont.

Op 7 april 2007 wordt een enkelvoudige spiegelconfrontatie gehouden, waarbij aangeefster verdachte herkent als de man die haar op 18 maart 2007 heeft lastig gevallen en haar telefoon heeft gestolen .

Op 18 maart en op 19 maart 2007 heeft aangeefster een selectie politiefoto’s bekeken. Zij heeft blijk gegeven een foto van verdachte voor 65% te herkennen .

De dader van het onder 3 en 4 ten laste gelegde feit heeft tegen het slachtoffer gezegd dat hij [verdachte] heet, op de [adres] te [woonplaats] woont en 28 jaar oud is. Verdachte woont op de [adres] te [woonplaats] en heeft als voornaam [verdachte].

Het verweer van de raadsman van verdachte dat iemand anders de persoonsgegevens van verdachte heeft gebruikt acht de rechtbank, gelet op de herkenning van verdachte door aangeefster niet aannemelijk.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Bedreiging met brandstichting

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

diefstal

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Aanrandingen en bedreigingen zijn feiten die gevoelens van onveiligheid doen opleven, niet alleen bij de individuele slachtoffers, zoals mag blijken uit de slachtofferverklaring van [aangever 2] en het voegingsformulier benadeelde partij van [aangever], maar ook in de maatschappij.

Verdachte heeft een vrouw, die alleen met haar kinderen woont, bedreigd. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat deze vrouw lange tijd in angst heeft geleefd en bang is voor het moment dat verdachte weer op vrije voeten komt.

Verdachte heeft voorts een nog jonge vrouw op een dusdanige wijze aangerand dat zij lange tijd niet meer alleen over straat durfde te gaan en last had van nachtmerries. Daarbij heeft verdachte het niet bij deze nare aanranding gelaten maar ook nog de mobiele telefoon van zijn slachtoffer gestolen.

De rechtbank acht dit gedrag dusdanig verwerpelijk dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend wordt geacht.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 oktober 2007, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens diefstallen en drugs- dan wel alcoholgerelateerde delicten.

- een omtrent verdachte opgemaakt psychiatrisch rapport d.d. 21 december 2007, waaruit blijkt dat verdachte geen medewerking wenst te verlenen aan het opstellen van een rapport.

- een brief betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 8 november 2007, waaruit blijkt dat verdachte gezegd heeft geen hulpvraag te hebben.

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij verdovende middelen gebruikt. Uit diverse verklaringen in het dossier (voetnoot: 1) en het uittreksel uit het justitiële documentatieregister voornoemd blijkt dat verdachte wel degelijk drugs en/of alcohol gebruikt. Ook blijkt dat verdachte onder invloed van deze middelen zichzelf niet meer in de hand heeft. Het zou verdachte daarom gesierd hebben als hij wel zijn medewerking had verleend aan het psychiatrische onderzoek en het opstellen van een reclasseringsrapport.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 1 wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren;

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Dit betekent dat aan verdachte een hogere straf wordt opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd, aangezien met de door de officier van justitie gevorderde straf niet kan worden volstaan.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen de ernst van de feiten en de persoon van verdachte, die zichzelf na gebruik van verdovende middelen en/of alcohol niet meer in de hand heeft en weigert inzicht te (laten) geven in zijn handelen en weigert hulp te aanvaarden.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering, omdat niet duidelijk is welk bedrag gevorderd wordt.

De vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De rechtbank heeft geen inzicht kunnen krijgen in de hoogte van het gevorderde bedrag en een eventueel reeds vergoed deel van dat bedrag.

Daarom zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De benadeelde partij zal worden verwezen in de tot op heden door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 60,- wegens materiële schade en een bedrag van € 300,- wegens immateriële schade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij vatbaar is voor integrale toewijzing.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 300,- en de materiële schade wordt begroot op € 60,-, derhalve in totaal € 360,-.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285, 246 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2, 3 en 4 telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij [aangever] niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verwijst de benadeelde partij in de tot op heden door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakte kosten, vastgesteld op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever], wonende te [plaats], toe tot een bedrag van € 360,- (zegge driehonderd en zestig euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 360,- (zegge driehonderd en zestig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs P. Bender, A.J.P. Schotman en S.K. Bouwman, bijgestaan door mr. L.M. Janssens-Kleijn als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 januari 2007.