Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC3189

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
16-600715-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling. Straf lager dan gevorderd in verband met bijzondere omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/600715-07

Datum uitspraak: 24 januari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres], [woonplaats],

Raadsman: mr. S.A.S. Jansen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 januari 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte primair ten laste is gelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door het één keer slaan met een hamer niet de aanmerkelijke kans aanvaard het slachtoffer van het leven te beroven, zodat ook van een poging daartoe niet gesproken kan worden. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

Het door de raadsman gevoerde verweer inhoudende dat verdachte moet worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan met dien verstande dat:

hij op 27 juni 2007 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet deze [aangever] met een (klauw)hamer een klap tegen diens hoofd heeft gegeven, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de navolgende bewijsoverwegingen, verwijzen naar de paginanummering van de in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, genummerd PL0940/07-010472 en PL0940/07-010472A.

Op 28 juni 2007 heeft [aangever] (hierna: slachtoffer) aangifte gedaan bij de politie van mishandeling .

Het slachtoffer heeft toen verklaard dat hij en zijn vrienden door verdachte werden aangesproken op hun (vermeend) asociaal gedrag. Op een gegeven moment is verdachte voor het slachtoffer gaan staan met het voorwiel van de brommer van het slachtoffer tussen zijn benen. Het slachtoffer wilde rechts langs verdachte wegrijden en is daarbij over de linkervoet van verdachte gereden. Daarop voelde het slachtoffer dat verdachte hem met één hand vastpakte aan zijn jas. Het slachtoffer hoorde zijn jas kraken en zag vanuit zijn ooghoek dat verdachte zijn rechterarm omhoog zwaaide en met kracht liet neerkomen in de richting van zijn hoofd. Het slachtoffer werd geraakt tegen zijn linkeroor en het deel van het hoofd achter het linkeroor. Het slachtoffer voelde daar veel pijn.

Deze aangifte vindt steun in de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .

Verdachte heeft ter terechtzitting ten aanzien van het feit, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard:

“Ik wilde de jongens tegenhouden totdat de politie zou komen. Ik was alleen en wilde mezelf groter maken dan ik ben. Daarom heb ik een hamer en moersleutel gepakt. Het slachtoffer wilde weg voordat de politie gearriveerd was. Ik dacht toen: “Ik ga ervoor staan.” Het wiel van de brommer had ik tussen mijn benen. Het slachtoffer wilde weg en startte zijn brommer, gaf gas en reed over mij heen. In mijn val heb ik zijn jas gepakt met de ene hand en met de andere hand, met daarin de hamer, een zwaaiende beweging gemaakt”.

Bij de politie heeft verdachte, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard :

Ik sloeg de jongen puur uit reactie, omdat de jongen weg wilde gaan en ik dat niet wilde, omdat ik samen met hem op de politie wilde wachten. Ik hoorde pas later dat ik de jongen op zijn hoofd heb geraakt. Het was niet de bedoeling de jongen te slaan met de hamer. Het was gewoon een reactie zoals ik al zei.

Het handelen van verdachte had kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging tot zware mishandeling

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de in verzekeringstelling onrechtmatig is geweest en dat dit tot strafvermindering dient te leiden, omdat het hulpofficier van justitie-certificaat van de hoofdagent die verdachte in verzekering heeft gesteld, verlopen was.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt. Verdachte is in verzekering gesteld door een hoofdinspecteur van politie. De rang van een hoofdinspecteur van politie houdt automatisch in dat deze tevens een hulpofficier van justitie is. Wel moet deze hulpofficier van justitie tijdig zijn of haar certificaten halen. Dit laatste nu is niet gebeurd, maar houdt niets meer in dan een administratieve omissie die in deze geen belang van verdachte heeft geschaad en die geen consequenties heeft gehad ten aanzien van de bewijsgaring.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte woonde ten tijde van het plegen van het delict in een wijk die last had van hanggroepjongeren die kennelijk regelmatig vernielingen pleegden bij een kinderdagverblijf dan wel op andere wijze overlast veroorzaakten. Verdachte zag op 27 juni 2007 een groepje jongens vernielingen aanbrengen bij het kinderdagverblijf voornoemd en belde daarop de politie. In afwachting van de politie is verdachte naar het groepje jongens toegelopen. Verdachte wilde dat de jongens bleven wachten tot de politie zou komen. De jongens hadden daar anderen ideeën over en vertrokken één voor één. De jongen die als laatste wilde vertrekken (het slachtoffer), zat op een brommer. Verdachte is voor het slachtoffer gaan staan en heeft met zijn benen het voorwiel van de brommer klem gezet. Het slachtoffer wilde daarop wegrijden en toen is de situatie geëscaleerd. Toen het slachtoffer met zijn brommer wegreed, kwam verdachte ten val en tijdens zijn val heeft verdachte met de hamer op het slachtoffer geslagen, waarbij deze op het hoofd werd geraakt. Verdachte heeft wellicht het goede willen doen, maar heeft daar op een totaal onjuiste manier invulling aan gegeven. Het slachtoffer heeft dan ook, zoals uit zijn slachtofferverklaring blijkt, nog lang last gehad van de gevolgen van het bewezenverklaarde feit.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 7 januari 2008, opgemaakt door L. van Os, reclasseringswerker, waarin de rechtbank verzocht wordt geen verplicht reclasseringstoezicht op te leggen, aangezien verdachte in staat wordt geacht zijn leven zonder hulp van de reclassering constructief op te bouwen. De reclassering heeft de indruk dat het strafbare gedrag een incident is geweest waarvan verdachte heeft geleerd.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, geheel voorwaardelijk;

- een werkstraf van 180 uur, met aftrek van het voorarrest;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ten bedrage van € 80,-.

De rechtbank is van oordeel dat in een zaak waarin een poging zware mishandeling bewezen wordt verklaard in het algemeen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Gelet echter op dit specifieke geval waarin onder meer van belang is dat de intentie van verdachte niet verkeerd was, acht de rechtbank, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een taakstraf als na te melden passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan, met name gelet op de omstandigheden van onderhavige zaak, zoals hiervoor is weergegeven.

De vordering van de benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 80,- wegens materiële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte subsidiair ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit.

De materiële schade wordt begroot op € 80,-.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf, bestaande deze straf uit een werkstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 80 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 80,- (zegge tachtig euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 80,- (zegge tachtig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs S.K. Bouwman, P. Bender en A.J.P. Schotman, bijgestaan door mr. L.M. Janssens-Kleijn als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 januari 2008.