Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC3127

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
SBR 07/1264
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zelfstandig schadebesluit. Tijdigheid beroep op schending 6 EVRM. Finale geschilbeslechting. Inhoudelijke beoordeling van het verzoek om immateriele schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/1264

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 21 januari 2008

inzake

[eiser],

wonende te Maartensdijk,

eiser,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar tegen het besluit van 30 november 2006, waarbij verweerder eisers verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.

1.2 Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser alsnog ongegrond verklaard.

1.3 Bij schrijven van 6 november 2007 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld het beroep van eiser, onder toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede gericht te achten tegen het alsnog genomen besluit op bezwaar van 5 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit).

1.4 Het geding is behandeld ter zitting van 18 december 2007, waar namens eiser is verschenen mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht. Namens verweerder is verschenen F. Snatager, werkzaam bij het Uwv.

Feiten

2.1 Per 1 januari 1998 is eisers eerder toegekende invaliditeitspensioen omgezet in een WAO-uitkering met een bovenwettelijk invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.2 Bij besluit van 11 september 2003 heeft verweerder met terugwerkende kracht van 1 januari 1999 tot 1 januari 2001 en van 1 januari 2002 tot 1 januari 2003 de WAO-uitkering onder toepassing van artikel 44 van de WAO uitbetaald als ware eiser 65 tot 80% respectievelijk 35 tot 45% arbeidsongeschikt. Bij besluit van 31 oktober 2003 heeft verweerder van eiser een bedrag aan WAO-uitkering van € 32.469,91 als onverschuldigd betaalde WAO-uitkering bruto teruggevorderd.

2.3 Bij besluit van 2 respectievelijk 7 december 2004 heeft verweerder de besluiten van 11 september 2003 respectievelijk 31 oktober 2003 gehandhaafd. Deze rechtbank heeft de daartegen ingestelde beroepen bij uitspraak van 12 september 2005 (SBR nummers 04/2977 en 04/3338) gegrond verklaard. Bij besluit van 20 februari 2006 respectievelijk 20 maart 2006 heeft verweerder eisers bezwaren alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard.

2.4 Op 3 november 2006 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om een immateriële schadevergoeding. Verweerder heeft het verzoek aangemerkt als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens schending van de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951,154; 1990,156; 1994,165: EVRM) genoemde redelijke (berechtings)termijn.

2.5 Bij besluit van 30 november 2006 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat artikel 6 van het EVRM ziet op rechterlijke procedures en niet op de bezwaarprocedure als zodanig. Verder heeft verweerder te kennen gegeven dat op grond van zijn interne richtlijn van 17 november 2005 bij wijze van coulance een vergoeding van immateriële schade in bezwaar plaats kan vinden, mits het verzoek daartoe wordt gedaan voordat de beslissing op bezwaar is genomen.

2.6 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft bij het bestreden besluit erkend dat artikel 6 van het EVRM eveneens ziet op de bezwaarprocedure, maar zijn standpunt dat eiser niet tijdig heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade gehandhaafd. Volgens verweerder kan dit aspect niet meer aan de orde komen, omdat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen de besluiten van 20 februari 2006 respectievelijk 20 maart 2006.

Standpunten van partijen

2.7 Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit ten onrechte gebaseerd is op de richtlijn, aangezien deze niet gepubliceerd is en hetgeen daarin is opgenomen niet als beleidsregels aangemerkt kan worden. Verder is eiser van mening dat het in rechte vaststaan van de besluiten van 20 februari 2006 respectievelijk 20 maart 2006 hem niet tegengeworpen kan worden voor zover het betreft de traagheid van de besluitvorming, te meer daar de werkelijke duur van de overschrijding pas kan worden vastgesteld nadat de beslissing op bezwaar is afgegeven. In dit verband wijst hij op de uitspraak van deze rechtbank van 2 juni 2005 (LJN: AT9380). Uit deze uitspraak blijkt zijns inziens dat een belanghebbende de keuze heeft om ofwel de weg van artikel 8:73 van de Awb te bewandelen ofwel die van het zelfstandig schadebesluit. Volgens eiser kan dan ook na de procedure door middel van het uitlokken van een zelfstandig schadebesluit nog een beroep gedaan worden op artikel 6 van

het EVRM.

2.8 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit op goede gronden genomen is. De richtlijn is geen formeel beleid dat openbaar gemaakt moet worden, maar een interne handleiding waarin aan de jurisprudentie van de CRvB ontleende voorwaarden zijn opgenomen om in aanmerking te komen voor een vergoeding van immateriële schade vanwege schending van de redelijke termijn. Verder is verweerder van mening dat, los van de richtlijn, sprake is van een te laat ingediend verzoek, omdat na afloop van de procedure de besluiten formele rechtskracht hebben gekregen en dan geldt als uitgangspunt dat die beslissingen niet onrechtmatig zijn, noch vanuit het oogpunt van artikel 6 van het EVRM noch wegens overschrijding van de beslistermijn. Als na afloop van de procedure verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade, dan wordt dat verzoek als een reguliere schadeclaim behandeld en getoetst aan het strengere criterium dat de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschonden of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Verweerder wijst op jurisprudentie van de CRvB, waaronder de uitspraken van 8 april 2005 (LJN: AT4151) en 5 augustus 2005 (LJN: AU1487), waaruit volgt dat uiterlijk ter zitting een verzoek om schadevergoeding ingediend kan worden. Verweerder leidt hieruit af dat een verzoek om schadevergoeding slechts gehonoreerd kan worden indien dit gedaan wordt voor het einde van de procedure. Verweerder is van mening dat analoge toepassing van deze jurisprudentie op onderhavig verzoek tot de conclusie leidt dat geen schadevergoeding meer toegekend hoeft te worden, aangezien het verzoek eerst na de procedure is ingediend.

Beoordeling van het geschil

Beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar

2.9 Zoals hiervoor onder punt 1.1 is vermeld, heeft verweerder op 30 november 2006 geweigerd aan eiser een schadevergoeding toe te kennen. Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Door eiser is vervolgens op 21 mei 2007 beroep ingesteld ter zake van het niet tijdig beslissen van verweerder op het door hem ingediende bezwaarschrift. Inmiddels is door verweerder alsnog op dit bezwaarschrift beslist en wel bij besluit van 5 oktober 2007.

2.10 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij handhaving van het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, zodat dat beroep wegens verlies aan procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.11 De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 80,50 als kosten van rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 0,25).

Beroep voor zover gericht tegen het besluit van verweerder van 5 oktober 2007

2.12 Onder verwijzing naar de uitspraken van de CRvB van 24 september 1997 (AB 1997/431), 4 juni 2002 (JB 2002/281) en de uitspraak van deze rechtbank van 2 juni 2005 (LJN: AT9380), overweegt de rechtbank dat een belanghebbende, voor zover de overschrijding van de redelijke termijn is veroorzaakt door een bestuursorgaan, bij de indiening van het verzoek tot schadevergoeding in het algemeen de keuze heeft om ofwel de weg van artikel 8:73 van de Awb te bewandelen ofwel die van het zelfstandig schadebesluit. Naar het oordeel van de rechtbank is de gelding in de bezwaarprocedure van de in artikel 6 van het EVRM neergelegde eis van behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn niet beperkt tot die gevallen waarin om schadevergoeding is verzocht op grond van artikel 8:73 van de Awb. Zoals ook overwogen door de CRvB in de reeds genoemde uitspraak van 4 juni 2002 ligt het vereiste van een redelijke beslistermijn (ook) opgesloten in het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat een ander oordeel ertoe zou leiden dat een belanghebbende ter compensatie van geleden immateriële schade als gevolg van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM gedwongen zou worden beroep in te stellen tegen een verder materieel gezien geheel juist besluit, hetgeen zij onjuist acht.

2.13 De door verweerder aangehaalde jurisprudentie van de CRvB kan niet tot een ander oordeel leiden. De CRvB heeft in de bedoelde uitspraken geoordeeld dat een belanghebbende in beroep uiterlijk ter zitting nog een verzoek tot schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb kan indienen. Deze jurisprudentie ziet niet, anders dan verweerder kennelijk meent, op het al dan niet bestaan van de mogelijkheid om in plaats van een dergelijk verzoek een zelfstandig schadebesluit uit te lokken. Voor een analoge toepassing van deze op de goede procesorde betrekking hebbende jurisprudentie op een geval als het onderhavige ziet de rechtbank geen ruimte.

2.14 De rechtbank is, gelet op het feit dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat eiser niet tijdig een beroep heeft gedaan op schending van de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn, van oordeel dat het bestreden besluit niet gedragen wordt door een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

2.15 De rechtbank ziet ter finale geschilbeslechting aanleiding het verzoek van eiser om immateriële schadevergoeding inhoudelijk te beoordelen. In de uitspraak van de CRvB van 8 december 2004 (USZ 2005/56) is overwogen dat, indien wordt vastgesteld dat de totale duur van de procedure van dien aard is dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden en deze overschrijding geheel of gedeeltelijk het gevolg is van een niet-verontschuldigbare traagheid van besluitvorming door het bestuursorgaan, beoordeeld moet worden of er termen aanwezig zijn om de belanghebbende voor het bestuurlijk aandeel in de termijnoverschrijding een compensatie te verlenen. Gezien de uitspraak van de CRvB van 7 juli 2006 (AB 2007/221) geldt hierbij dat in het geval van een schending van de redelijke termijn wordt voorondersteld dat de betrokkene spanning en frustratie heeft ondergaan. Slechts wanneer het bestuursorgaan concrete omstandigheden aandraagt die aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning en frustratie, of wanneer de rechter zelf dergelijke omstandigheden onderkent, zal de rechter op dit punt onderzoek moeten verrichten. Komt de rechter tot de conclusie dat er van daadwerkelijke spanning en frustratie geen sprake is, dan dient hij dit in zijn uitspraak vast te stellen en te motiveren.

2.16 De rechtbank stelt in dit geval vast dat vanaf de indiening van het bezwaarschrift op 14 november 2003 tot aan de besluiten van 20 februari 2006 respectievelijk 20 maart 2006 twee jaar en drie respectievelijk vier maanden zijn verstreken. Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn overschreden. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van eiser een rechtvaardiging kan worden aangetroffen voor de lange duur van de procedure.

2.17 Gelet op het aandeel van verweerder in de duur van de overschrijding (bijna 16 maanden) concludeert de rechtbank dat er sprake is van schending van de redelijke termijn. Er zijn geen omstandigheden aangedragen die aanleiding geven tot twijfel aan de aanwezigheid van spanning en frustratie bij eiser als gevolg van de schending van de redelijke termijn. De rechtbank stelt het door het Uwv aan eiser te betalen bedrag aan immateriële schadevergoeding vast op € 1.200,--

2.18 Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het besluit van 30 november 2006 te herroepen en te bepalen dat het Uwv de door eiser geleden schade ad € 1.200,-- vergoedt.

2.19 In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten begroot de rechtbank op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, maal 322,--, wegingsfactor 1). Nu het primaire besluit vanwege aan verweerder te wijten onrechtmatigheid herroepen wordt, acht de rechtbank eveneens termen aanwezig verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten begroot de rechtbank op € 644,--. (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, maal 322,--, wegingsfactor 1). Tezamen met de onder 2.11 reeds toegekende € 80,50, begroot de rechtbank de totale kosten van verleende rechtsbijstand op € 1.368,50.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2006 niet-ontvankelijk,

3.2 verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond,

3.3 vernietigt het bestreden besluit,

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dat besluit en herroept het besluit van 30 november 2006,

3.5 bepaalt dat het Uwv de door eiser geleden schade ten bedrage van € 1.200,--, aan hem vergoedt,

3.6 bepaalt dat het Uwv het door eiser betaalde griffierecht ad € 39,-- aan hem vergoedt,

3.7 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in dit geding, ad € 1.368,50, te betalen door het Uwv.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2008.

De griffier: De rechter:

mr. A.E. Kneepkens mr. D.A.J. Overdijk

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daarin niet wilt berusten.