Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC3119

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
238559/ HA ZA 07-1981.
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op tussenvonnis van 21 november 2007 naar aanleiding van de akte van de Postbank over haar belang bij waarmerking als Europese Executoriale Titel zal de rechtbank het verzoek daartoe toewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 238559 / HA ZA 07-1981

Vonnis van 23 januari 2008

in de zaak van

de naamloze vennootschap

POSTBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur: mr. P.J. Soede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 21 november 2007

- de akte van eiseres d.d. 5 december 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten omtrent haar belang bij toewijzing van haar verzoek om waarmerking van het vonnis als een Europese Executoriale Titel (EET). Eiseres heeft in haar akte aangegeven dat het niet ondenkbeeldig is dat gedaagde partijen die in Nederland woonachtig zijn op enig moment naar een ander Europees land verhuizen (en dat zij dat meermalen heeft geconstateerd), en dat zulks tot onnodige extra kosten zou leiden wanneer naderhand een apart verzoekschrift tot waarmerking als EET moet worden ingediend.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat eiseres in het licht hiervan voldoende belang heeft bij waarmerking van dit vonnis als EET en dat dit verzoek moet worden toegewezen. De rechtbank zal daarom het door EG-verordening nr. 805/2004 voorgeschreven formulier afgeven.

ten aanzien van de ongeoorloofde debetstand

2.3. Eiseres heeft een bedrag aan buitengerechtelijke (incasso-)kosten gevorderd.

De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden dient het tegendeel te worden afgeleid. Het verzenden van aanmaningen, het opvragen van gegevens, het opeisbaar stellen van de vordering en het aanzeggen van de dagvaarding zijn volgens vaste jurisprudentie geen buitengerechtelijke werkzaamheden (vgl. HR 14 januari 2005, LJN: AR2760 en HR 18 februari 2005, NJ 2005, 216).

Eiseres heeft verder een aantal werkzaamheden genoemd die in een voorkomend geval worden verricht alsmede welke werkzaamheden worden verricht bij een eventuele betalingsregeling. Eiseres heeft echter niet gesteld dat deze werkzaamheden in het onderhavige geval ook daadwerkelijk zijn verricht.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten moet daarom worden afgewezen.

ten aanzien van de kredietovereenkomst

2.4. Op de overeenkomst tussen partijen is de Wet op het consumentenkrediet (WCK) van toepassing. In afdeling 3 van hoofdstuk IV WCK is dwingend voorgeschreven dat geen andere of hogere kosten in rekening mogen worden gebracht dan die zijn toegestaan op grond van de bepalingen van die afdeling.

voor het overige

2.5. Het gevorderde komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.

2.6. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 300,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 452,00 (1,0 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 836,31

3. De beslissing

De rechtbank

ten aanzien van de ongeoorloofde debetstand

3.1. veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van EUR 511,46 (vijfhonderdelf euro en zesenveertig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 18% per jaar over het bedrag van EUR 467,69 vanaf 26 september 2007 tot de dag van volledige betaling,

ten aanzien van de kredietovereenkomst

3.2. veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van EUR 9.579,69 (negenduizendvijfhonderdnegenenzeventig euro en negenenzestig eurocent), vermeerderd met de overeengekomen rente, op het moment van dagvaarden bedragende 10,5% per jaar, met als maximum de krachtens art. 35 WCK ten hoogste toegelaten kredietvergoeding, over het bedrag van EUR 9.108,07 vanaf 26 september 2007 tot de dag van volledige betaling,

voor het overige

3.3. veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op EUR 836,31,

3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Delft-Baas en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2008.