Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC3111

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
210841/ HA ZA 06-957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN BA7384, geen schending zorgplicht, kredietwaardigheidsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 210841 / HA ZA 06-957

Vonnis van 30 januari 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IDM FINANCIERINGEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.D. van Vlastuin,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. G.J.J.M. Pubben,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. H.K. Jap-A-Joe.

Partijen zullen hierna IDM en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 juni 2007

- de akte na tussenvonnis van IDM

- de antwoordakte na tussenvonnis van [gedaagde sub 1]

- de mededeling van de procureur van [gedaagde sub 2] dat hij niet in staat is een akte na tussenvonnis te nemen

- de antwoordakte van IDM

- de antwoordakte van [gedaagde sub 1]

- de beslissing van de rolrechter dat de antwoordakte van IDM wordt geweigerd voor zover IDM daarin is getreden buiten het onderwerp waarover een akte mocht worden genomen (voormelde mededeling van de procureur van [gedaagde sub 2]).

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. De rechtbank blijft bij de inhoud van het tussenvonnis van 13 juni 2007 en bouwt daarop voort. Zij passeert het in de akte na tussenvonnis door IDM ingenomen standpunt, inhoudende dat het tussenvonnis innerlijk tegenstrijdig is omdat voorafgaand aan rechtsoverweging 4.17 van het tussenvonnis wordt overwogen dat IDM niets van doen heeft met de belegging van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], maar in rechtsoverweging 4.17 vervolgens wordt verzocht aan te geven in welke mate IDM bij haar kredietwaardigheidsonderzoek rekening heeft gehouden met het rendement uit de betreffende belegging en eventuele tegenvallers terzake. Naar het oordeel van de rechtbank is van een tegenstrijdigheid geen sprake. Immers, de omstandigheid dat de zorgplicht van IDM niet leidt tot een verplichting om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te waarschuwen voor aan de belegging klevende risico's, betekent niet dat de belegging geen enkele rol heeft of kan hebben gespeeld bij de verlening van het onderhavige krediet. Zoals de rechtbank immers heeft overwogen, bestaat er wel degelijk een koppeling tussen de kredietovereenkomst en de belegging, namelijk tussen de aflossing van het krediet en het moment waarop opbrengst uit de belegging verwacht kan worden.

2.2. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 13 juni 2007 het beroep van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op nietigheid en vernietigbaarheid van de kredietovereenkomst verworpen. In het kader van de beoordeling van het verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat IDM in de nakoming van haar zorgplicht tekortgeschoten is, heeft de rechtbank geoordeeld dat de zorgplicht van IDM zich in het onderhavige geval heeft beperkt tot een toetsing van de kredietwaardigheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en partijen, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten:

- over de wijze waarop IDM haar kredietwaardigheidsonderzoek met betrekking tot de onderhavige kredietovereenkomst heeft uitgevoerd, en

- over het antwoord op de vraag of IDM op basis van de destijds door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangeleverde gegevens en door haar gehanteerde uitgangspunten voor kredietwaardigheid ook een geldlening tot het betreffende bedrag aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zou hebben verstrekt, indien deze lening niet zou worden aangewend voor de betreffende belegging.

2.3. De vraag die aan de hand van de door partijen genomen aktes dient te worden beantwoord is of IDM haar zorgplicht jegens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft geschonden door op basis van het door haar uitgevoerde kredietwaardigheidsonderzoek de onderhavige kredietovereenkomst aan te gaan.

2.4. IDM heeft in haar akte na tussenvonnis - onweersproken - gesteld dat haar kredietwaardigheidsonderzoek heeft bestaan uit een berekening (overgelegd als productie 4 bij de akte na tussenvonnis (hierna te noemen: de berekening)), die is gebaseerd op een ingevulde vragenlijst van Groen Invest Nederland met gegevens over het inkomen en de uitgaven van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], alsmede op toegezonden salarisstroken van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Bij dit onderzoek is IDM uitgegaan van de leencapaciteit van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en heeft zij niet de omstandigheid betrokken dat met de lening een beleggingsproduct zou worden gekocht, aldus IDM.

2.5. [gedaagde sub 2] heeft haar procureur niet in staat gesteld een antwoordakte te nemen.

2.6. [gedaagde sub 1] heeft in zijn antwoordakte onder meer aangegeven dat de berekening van de kredietwaardigheid zijns inziens berust op een onjuist netto-inkomen van [gedaagde sub 2], en dat IDM in haar akte na tussenvonnis uitgaat van een onjuist bedrag aan vrij besteedbaar inkomen.

2.7. De rechtbank is van oordeel dat de berekening van de kredietwaardigheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een onzorgvuldigheid vertoont. Uit de berekening blijkt dat IDM conform de vragenlijst van Groen Invest Nederland is uitgegaan van een netto-inkomen van [gedaagde sub 2] van fl. 1.600,00, terwijl uit de overgelegde salarisstrook blijkt dat zij destijds een netto-inkomen had van (afgerond) fl. 1.562,00. IDM beschikte in het kader van haar kredietwaardigheidsonderzoek over de salarisstrook van [gedaagde sub 2], zodat IDM in beginsel in haar berekening van het daarin vermelde bedrag aan netto-inkomen had dienen uit te gaan. Het verschil tussen voormelde bedragen van fl. 38,00 is echter naar het oordeel van de rechtbank te gering om de conclusie te rechtvaardigen dat het kredietwaardigheids-onderzoek daarmee ondeugdelijk is geweest, en dat IDM daarmee in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht.

2.8. Voor zover [gedaagde sub 1] stelt dat IDM in haar akte na tussenvonnis ten onrechte uitgaat van een vrij besteedbaar inkomen van fl. 500,00, is dit betoog juist, maar kan dit hem niet baten. De rechtbank begrijpt dat IDM haar in haar akte na tussenvonnis ingenomen standpunt terzake van de hoogte van het vrij besteedbaar inkomen baseert op de vragenlijst van Groen Invest Nederland, waarin dit bedrag als vrij besteedbaar inkomen is vermeld. In deze vragenlijst wordt uitgegaan van een onjuist netto-inkomen van [gedaagde sub 2], en de som van de vermelde bedragen is eveneens (door Groen Invest Nederland) onjuist berekend (de som van de vermelde bedragen moet leiden tot een bedrag van fl. 472,00 in plaats van fl. 500,00). Echter, niet gesteld of gebleken is dat IDM in haar berekening van de kredietwaardigheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is uitgegaan van een vrij besteedbaar bedrag van fl. 500,00. In de berekening zelf is het vrij besteedbaar bedrag niet vermeld, maar is de kredietwaardigheid berekend op basis van de bij IDM bekende inkomsten en vaste lasten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], en wordt uitgegaan van het vermogen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om maandelijks een termijnbedrag te dragen van fl. 285,05. Voor zover in de berekening uitgegaan is van een vrij besteedbaar bedrag, is dat het bedrag dat volgt uit het verschil tussen het totale netto-inkomen en de uitgaven, die zijn vermeld in de berekening zelf (hetgeen neerkomt op een vrij besteedbaar inkomen van fl. 402,72

(fl. 3.377,00- fl. 2.974,28)). [gedaagde sub 1] heeft niet gesteld, althans (in het geval van de kosten van levensonderhoud) onvoldoende gemotiveerd betwist dat - buiten het netto-inkomen van [gedaagde sub 2] - de bedragen die in de berekening zijn opgenomen, juist zijn. Het verschil van fl. 38,00 tussen het bedrag van het daadwerkelijke netto-inkomen van [gedaagde sub 2] en het terzake in de berekening opgenomen bedrag is niet van zodanige omvang dat deze wezenlijke invloed op de berekende kredietwaardigheid (en het vrij besteedbaar inkomen) kan hebben gehad.

2.9. [gedaagde sub 1] heeft daarnaast ten aanzien van de uitvoering van het kredietwaardigheidsonderzoek door IDM aangevoerd dat IDM ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat er in zijn algemeenheid een reële kans op echtscheiding bestaat, en met de mogelijkheid dat de resultaten uit de aangegane belegging zouden kunnen tegenvallen. Volgens [gedaagde sub 1] had IDM dat wel moeten doen, omdat een eventuele echtscheiding gevolgen heeft voor de kredietwaardigheid en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij een niet renderende belegging niet in staat zouden zijn de extra tussentijdse aflossingen te verrichten.

2.10. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele mogelijkheid dat kredietnemers gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst over zouden kunnen gaan tot echtscheiding, niet een omstandigheid die IDM bij de berekening van de kredietwaardigheid moet betrekken. Het is aan de kredietnemers zelf om voor die mogelijkheid toereikende voorzieningen voor de aflossing van het krediet te treffen.

2.11. Voor zover [gedaagde sub 1] met zijn stelling ten aanzien van het niet verdisconteren van de mogelijkheid van een niet renderende belegging betoogt dat dit tot gevolg moet hebben dat het kredietwaardigheidsonderzoek niet deugdelijk is geweest, wordt dit betoog verworpen. Deze omstandigheid leidt er slechts toe dat het resultaat van het uitgevoerde kredietwaardigheidsonderzoek van IDM de conclusie moet kunnen dragen dat de kredietwaardigheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zodanig was dat zij in staat waren uit andere bron dan de belegging zelf op 15 oktober 2003 en 15 oktober 2012 extra aflossingen te doen van respectievelijk fl. 4.000,-- en fl. 35.850,42, alsmede de overige financiële verplichtingen uit de overeenkomst te dragen. De rechtbank zal in het navolgende beoordelen of dat het geval is.

2.12. Uit de overgelegde berekening blijkt dat het kredietwaardigheidsonderzoek heeft geleid tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een bedrag van een fl. 21.108, 00 zouden kunnen lenen, met een maandelijks termijnbedrag van fl. 285,05 en een aflossingstermijn van 108 maanden. Blijkens de gesloten kredietovereenkomst hebben partijen evenwel gekozen voor een ander termijnbedrag en een andere aflossingstermijn dan in het kredietwaardigheidsonderzoek tot uitgangspunt is genomen. De verschillen zijn hieronder weergegeven:

berekening IDM kredietovereenkomst

kredietsom fl. 21.108,00 fl. 21.108,00

verschuldigde kredietvergoeding fl. 9.677,40 fl. 36.382,42

aflossingstermijn 108 maanden 180 maanden

maandelijks termijnbedrag fl. 285,05 fl. 98,00

extra aflossingen? nee ja,

na 8 jaar: fl. 4.000,--

na 15 jaar: fl. 35.850,42

2.13. Uitgangspunt van het kredietwaardigheidsonderzoek is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op basis van de berekening zoals door IDM gemaakt in staat moesten worden geacht een termijnbedrag van fl. 285,05 per maand terzake van de kredietovereenkomst te dragen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben blijkens de kredietovereenkomst gekozen voor een laag termijnbedrag (fl. 98,--) in combinatie met 2 hoge extra termijnbedragen, kennelijk ervan uitgaande dat de belegging na respectievelijk 8 en 15 jaar voldoende rendement zou genereren om de extra aflossingen te doen. De belegging kende echter ‘slechts’ een gegarandeerde eindwaarde van fl. 9.375,--, zodat de keuze voor deze kredietvorm voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aanleiding had moeten zijn om zekerheidshalve een bedrag te reserveren voor het geval het rendement van de belegging op de betreffende momenten niet voldoende was om de aflossingen te verrichten. Indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat zouden hebben gedaan, zouden zij in ieder geval in staat zijn geweest de extra aflossing van fl. 4.000,00 te verrichten. Immers, naast het verschuldigde termijnbedrag van fl. 98,00 bleef - in het licht van een kredietwaardigheid voor in ieder geval een maandelijks bedrag van fl. 285,05 - nog voldoende ruimte over om gedurende acht jaar een kapitaalopbouw te realiseren van fl. 4.000,--.

Indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het termijnbedrag van fl. 285,05 dat zij ingevolge de berekening in staat waren te dragen, ook volledig voor de kredietovereenkomst zouden hebben gereserveerd, dan zou dat hebben geresulteerd in een eindbedrag na 180 maanden van fl. 51.309,00. Dit bedrag wijkt relatief gezien slechts in geringe mate af van het op basis van de kredietovereenkomst vereiste eindbedrag van fl. 57.490,42. Het vrij besteedbaar bedrag van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] was, op basis van het kredietwaardigheids-onderzoek (uitgaande van het juiste netto-inkomen van [gedaagde sub 2]) hoger dan het berekende termijnbedrag van fl. 285,05, namelijk fl. 364,72 (fl. 3.339,00 - fl. 2.974,28), en wel van zodanige omvang dat deze ruim voldoende was om geld te reserveren voor het doen van de tweede extra aflossing van fl. 35.850,42. Immers, in het geval dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het volledige vrije besteedbare inkomen zouden hebben gereserveerd, zou dit leiden tot een eindbedrag van fl. 65.649,60 (fl. 364,72 x 12 x 15), derhalve ruim boven het vereiste eindbedrag van fl. 57.490,42. De rechtbank is hierbij - anders dan [gedaagde sub 1] - uitgegaan van reservering van geld over de gehele contractsperiode van 15 jaar, nu het verrichten van de zeer aanzienlijke extra aflossing aan het einde van de contractsperiode reeds bij de aanvang daarvan voorzienbaar was. Verder zou - zoals IDM onweersproken heeft gesteld - de te betalen rente in ieder geval gedurende een gedeelte van de leenperiode fiscaal aftrekbaar zijn, hetgeen per saldo leidt tot lagere financiële lasten.

2.14. Het voorgaande dient tot de conclusie te leiden dat de door IDM berekende kredietwaardigheid van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst zodanig was dat zij in staat moesten worden geacht uit andere bron dan de belegging zelf de extra aflossingen te verrichten en ook de overige financiële verplichtingen van de kredietovereenkomst te dragen. IDM had - gezien de uitkomst van het kredietwaardigheidsonderzoek - [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een kredietovereenkomst met dezelfde voorwaarden kunnen aanbieden, indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tot het afsluiten van een beleggingsovereenkomst met Groen Invest Nederland zouden zijn overgegaan. IDM heeft dan ook niet in strijd met haar zorgplicht gehandeld door op basis van het door haar uitgevoerde kredietwaardigheidsonderzoek de onderhavige krediet-overeenkomst met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan te gaan.

2.15. Het voorgaande betekent dat ook het laatste verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tegen de in de conventie ingestelde vorderingen moet worden afgewezen. De vorderingen in conventie zijn dan ook in beginsel voor toewijzing vatbaar.

2.16. Op de overeenkomst tussen partijen is de Wet op het consumentenkrediet (WCK) van toepassing. In afdeling 3 van hoofdstuk IV WCK is dwingend voorgeschreven dat geen andere of hogere kosten in rekening mogen worden gebracht dan die zijn toegestaan op grond van de bepalingen van die afdeling. Dit heeft tot gevolg dat de gevorderde rente zal worden toegewezen onder de voorwaarde dat deze rente niet het maximum krachtens de WCK te boven zal gaan.

2.17. Op grond van artikel 7.1 van de algemene voorwaarden van IDM zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in geval van vervroegde aflossing boeterente verschuldigd. Krachtens voormelde afdeling van de WCK dient, wanneer de kredietnemer vervroegd betaalt, de boeterente evenwel te worden berekend overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 13 en 14 Besluit Kredietvergoeding. Dit is echter anders indien het bepaalde in artikel 7.1 van de algemene voorwaarden tot een lagere boeterente zou leiden. De vordering zal dan ook op de hierna te melden wijze worden toegewezen.

2.18. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van IDM worden begroot op:

- dagvaarding EUR 76,32

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 320,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.130,00 (2,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.526,32

2.19. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

in reconventie

2.20. De in reconventie ingestelde vorderingen vinden hun grondslag in de verweren die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in conventie hebben gevoerd. Deze verweren zijn door de rechtbank in het geding in conventie verworpen, zodat de reconventionele vorderingen dienen te worden afgewezen.

2.21. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van IDM worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

2.22. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan IDM te betalen een bedrag van EUR 14.247,33 (veertienduizendtweehonderdzevenenveertig euro en drieëndertig eurocent), vermeerderd met de vertragingsvergoeding van 0,744% per maand, met als maximum de krachtens art. 35 WCK ten hoogste toegelaten vertragingsvergoeding, over het bedrag van EUR 12.493,25 vanaf 13 januari 2006 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, aan IDM te voldoen - voor het geval daadwerkelijke gehele of gedeeltelijke voldoening plaatsvindt na dit vonnis en vóór het einde van de looptijd (15 oktober 2012) - de boeterente, te berekenen op de voet van artikel 34 sub c WCK juncto Hoofdstuk IV van het Besluit Kredietvergoeding, met als maximum de op grond van artikel 7.1 van de algemene voorwaarden verschuldigde boeterente,

3.3. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van IDM tot op heden begroot op EUR 1.526,32,

3.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.6. wijst de vorderingen af,

3.7. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van IDM tot op heden begroot op EUR 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2008.