Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC3106

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
217147/ HA ZA 06-1942
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease, Sprintplan, 40% eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 217147 / HA ZA 06-1942

Vonnis van 30 januari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. P.J. Soede,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

procureur mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiser] en Spaarbeleg genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 oktober 2006;

- het proces-verbaal van comparitie van 9 maart 2007, met daaraan gehecht de stukken die [eiser] bij brief van 27 februari 2007 aan de rechtbank en de wederpartij heeft toegezonden ten behoeve van de te houden comparitie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

2. Inleiding

2.1. Spaarbeleg is een financiële instelling die overeenkomsten sluit met betrekking tot financiële producten, waaronder het zogenaamde SprintPlan. Bij een SprintPlan-overeenkomst wordt gedurende een periode van vijf jaar belegd met een door Spaarbeleg verstrekte lening. Met het geleende bedrag worden voor de belegger participaties aangekocht in het Spaarbeleg Garantiefonds. De participaties worden op naam van de Stichting Aegon BeleggingsGiro (door de jaren heen soms anders genaamd) gesteld die deze voor rekening en risico van de cliënt gaat houden. Na afloop van de looptijd van de overeenkomst worden de participaties in het Garantiefonds verkocht en wordt de lening afgelost. Het SprintPlan-product kent een gegarandeerde einduitkering (de zogenaamde garantiewaarde) waarmee het geleende bedrag kan worden terugbetaald.

2.2. Deze rechtbank heeft in verband met de SprintPlan-overeenkomsten in de afgelopen jaren reeds vonnis gewezen in een tweetal collectieve acties tegen Spaarbeleg, aanhangig gemaakt door de Gedupeerden SprintPlan (GeSp) (vonnis van 22 december 2004, NJF 2005/60) en door de Vereniging Consument & Geldzaken (vonnis van 4 januari 2006, NJF 2006/152), alsmede in diverse procedures die door individuele deelnemers aan het SprintPlan tegen Spaarbeleg zijn aangespannen. In deze vonnissen is bij de opsomming van de feiten steeds uitgebreid geciteerd uit het door Spaarbeleg aan de deelnemers van het SprintPlan verstrekte informatiemateriaal.

In zijn arrest van 15 november 2007 (in de zaak GeSp, LJN BB7971) heeft het Hof Amsterdam (onder meer) geoordeeld dat -kort gezegd- de SprintPlan-overeenkomsten tot stand zijn gekomen doordat de persoon die het verlangen had zo’n overeenkomst aan te gaan een ingevuld inschrijfformulier aan Spaarbeleg heeft doen toekomen (aan te merken als aanbod tot het aangaan van een SprintPlan-overeenkomst) en doordat Spaarbeleg het in dat formulier uitgesproken verlangen vervolgens heeft gehonoreerd en aan die persoon (de deelnemer) een door haar ondertekend certificaat heeft doen toekomen (aanvaarding van het aanbod). In vervolg hierop heeft het Hof vastgesteld dat het ‘welkomstpakket’ met informatie betreffende het SprintPlan, dat (veelal) door Spaarbeleg gelijktijdig met het certificaat aan de deelnemer is toegezonden, door de deelnemer is ontvangen nadat de SprintPlan-overeenkomst reeds tot stand gekomen was. De inhoud van het welkomstpakket dient daarom buiten beschouwing te worden gelaten bij de beoordeling van wat de deelnemer op het moment van het aangaan van de SprintPlan-overeenkomst wist of kon weten over de aard en werking van het Sprintplan. Het Hof heeft dan ook slechts de op voorhand aan de deelnemers verstrekte brochure betreffende het SprintPlan en de op de achterzijde van het inschrijfformulier afgedrukte samenvatting van de algemene voorwaarden in dat verband in zijn oordeel betrokken.

De rechtbank volgt het Hof Amsterdam in zijn oordeel betreffende het moment van tot stand komen van de SprintPlan-overeenkomst. Dit betekent dat de deelnemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst enkel beschikte over de informatie zoals die bleek uit mogelijk op voorhand verstrekte informatie over het SprintPlan en uit het voorgedrukte inschrijfformulier.

2.3. De rechtbank acht de vonnissen die zij in verband met de SprintPlan-overeenkomsten heeft gewezen en die (bijna) allemaal zijn gepubliceerd op (in ieder geval) rechtspraak.nl, eveneens inmiddels bekend bij de advocaten die namens hun cliënten tegen Spaarbeleg procederen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat op stellingen en verweren die in deze procedure worden aangevoerd, in één of meer van haar eerdere vonnissen reeds is beslist, zal zij bij de motivering van haar oordeel over deze stellingen en verweren volstaan met een verwijzing naar deze eerdere vonnissen.

3. De feiten

3.1. [eiser] heeft na het insturen van het Inschrijfformulier van Spaarbeleg een Certificaat ontvangen. Voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst heeft [eiser] een Brochure ontvangen.

3.2. Het door [eiser] afgesloten SprintPlan had een looptijd van november 2000 tot en met november 2005. [eiser] heeft ter uitvoering van de overeenkomst aanvankelijk, tot 29 mei 2001, een maandelijks termijnbedrag van EUR 113,45 (NLG 250,--) aan Spaarbeleg voldaan en vervolgens, tot 30 november 2005, een maandelijks termijnbedrag van EUR 45,38 (NLG 100,--), derhalve in totaal een bedrag van EUR 3.131,22.

Op basis van de met [eiser] gesloten overeenkomst is door Spaarbeleg een bedrag van EUR 6.806,71 (NLG 15.000,--) belegd in het Garantiefonds.

4. Het geschil

4.1. [eiser] vordert - samengevat - terugbetaling van alle door hem aan Spaarbeleg betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente wegens:

- nietigheid van de overeenkomst op grond van strijd met artikel 9 van de Wet op het Consumenten Krediet (Wck),

- ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming wegens schending van de zorgplicht,

- ontbinding wegens wegens toerekenbare tekortkoming door niet aan- en verkopen participaties,

- vernietiging op grond van dwaling,

- misleidende reclame,

- onrechtmatig handelen wegens schending van de zorgplicht.

4.2. Spaarbeleg voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Nietigheid wegens strijd met Wck

5.1. De rechtbank ziet in de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971), gezien het belang van de rechtseenheid, op dit punt aanleiding het Hof te volgen in haar oordeel dat de SprintPlan-overeenkomst geen krediettransactie is in de zin van artikel 1 aanhef en onder a Wck. Nu de Wck niet van toepassing is, is reeds daarom geen sprake van nietigheid van de SprintPlan-overeenkomst vanwege mogelijke strijdigheid met een of meer bepalingen van die wet. Daarom wordt de vordering van [eiser] afgewezen, voor zover gebaseerd op de stelling dat de SprintPlan-overeenkomst nietig is wegens strijd met de Wck.

Ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming door schending van de zorgplicht

5.2. Deze rechtbank heeft in haar vonnis van 18 oktober 2006, LJN AZ0660, geoordeeld dat zij schending van de zorgplicht door Spaarbeleg niet langer zal kwalificeren als een toerekenbare tekortkoming, doch enkel als een onrechtmatige daad. De rechtbank heeft dit oordeel nadien in diverse andere vonnissen met betrekking tot het SprintPlan herhaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. Ook deze vordering wordt daarom afgewezen.

Ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming door niet aan- en verkopen participaties

5.3. [eiser] heeft aangevoerd dat Spaarbeleg niet heeft voldaan aan haar verplichtingen uit de overeenkomst, omdat zij nimmer daadwerkelijk participaties heeft gekocht van het voorgeschoten bedrag, althans dat ieder bewijs van deze aankoop ontbreekt. Spaarbeleg heeft deze stelling betwist.

5.4. De rechtbank merkt op dat [eiser] heeft overgelegd een in een brief, gedateerd 8 februari 2006, aan hem van Spaarbeleg opgenomen “Fiscaal overzicht 2005 SprintPlan”. Uit de inhoud van die brief, en met name uit de in die brief opgenomen “Stand van de (Samengestelde) Index van uw Sprintplan” blijkt dat participaties zijn gekocht in de fondsen Nikkei25 (40%), S&P 500 (25%) en EuroStoxx50 (35%), alsmede dat de beginstand en de eindstand van de waarde van die participaties zijn vermeld.

De rechtbank volgt de stelling van [eiser] dat Spaarbeleg geen participaties heeft aangekocht dan ook niet. Temeer nu [eiser] verstrekkende gevolgen verbindt aan deze stelling (te weten ontbinding van de overeenkomst wegens het niet nakomen door Spaarbeleg van haar verplichtingen uit de overeenkomst) had het op zijn weg gelegen om deze stelling nader te onderbouwen. Nu hij dat niet heeft gedaan, gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij.

Vernietiging op grond van dwaling

5.5. [eiser] heeft een beroep gedaan op dwaling met de stelling dat hij dacht dat het SprintPlan een spaarproduct was en dat Spaarbeleg onvoldoende heeft gewezen op het risico dat de inleg verloren kon gaan. Ter comparitie heeft hij nog aangevoerd dat hij uit de term “Garantiewaarde” en uit het informatiemateriaal had begrepen dat na vijf jaar gegarandeerd een uitkering gedaan zou worden ter hoogte van die garantiewaarde, op basis van een rente van 8% in zijn geval van NLG 37.500,--.

5.6. Daargelaten het door Spaarbeleg gedane beroep op verjaring, kan het beroep op dwaling van [eiser] niet slagen.

De rechtbank heeft reeds in diverse vonnissen, recent nog in haar vonnis van de meervoudige kamer van 24 januari 2007 (LJN AZ7231), geoordeeld dat deelnemers aan het SprintPlan uit de door Spaarbeleg verstrekte schriftelijke informatie zelfs bij oppervlakkige lezing niet kunnen en mogen afleiden dat het SprintPlan een spaarproduct was. Bij oplettende bestudering van de informatie hadden zij bovendien kunnen en moeten begrijpen dat het SprintPlan inhield dat zij maandelijks een bedrag aan rente zouden betalen over een bij Spaarbeleg afgesloten lening en dat Spaarbeleg vervolgens met deze lening voor rekening en risico van hen participaties zou kopen in het GarantieFonds. De rechtbank nam de tekst van de Algemene Voorwaarden hierbij als uitgangspunt. Echter, in navolging van het arrest van het Hof Amsterdam van 15 november 2007 (LJN BB7971) is de rechtbank thans van oordeel dat deze Algemene Voorwaarden geen deel uitmaken van de overeenkomst. Uitgegaan dient te worden van de informatie die [eiser] heeft ontvangen voorafgaand aan de totstandkoming ervan, te weten de Brochure als overgelegd door Spaarbeleg.

In de Brochure is vermeld dat Spaarbeleg direct een groot bedrag voorschiet en dat het maandbedrag een vergoeding (rente) is voor het bedrag dat Spaarbeleg voorschiet. Voorts wordt aangegeven dat het bedrag in het Aegon Garantiefonds wordt belegd en dat de deelnemer alleen risico loopt over de rentebetalingen. De looptijd is vijf jaar en nadien wordt de waarde van de belegging uitgekeerd, minus het door Spaarbeleg voorgeschoten bedrag. Tot slot is vermeld dat bij tussentijdse beëindiging de garantie op het voorgeschoten bedrag komt te vervallen.

5.7. In voormeld vonnis van 24 januari 2007 heeft de rechtbank voorts overwogen dat de deelnemers de op het Certificaat vermelde garantiewaarde niet hebben kunnen en mogen begrijpen als een gegarandeerde einduitkering. Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt, mochten de deelnemers er - bij bestudering van het informatiemateriaal - juist niet van uitgaan dat de overeenkomst een spaarproduct was, zodat zij er ook niet van uit mochten gaan dat zij aan het einde van de looptijd recht zouden hebben op enig spaarbedrag, laat staan op een bedrag dat vele malen hoger is dan het totaal van de maandelijkse betalingen.

5.8. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die aanleiding geven om van dit oordeel af te wijken. [eiser] heeft immers erkend dat hij voormelde informatie over het SprintPlan heeft ontvangen. Van [eiser] mocht worden verwacht dat hij dit informatiemateriaal heeft gelezen. [eiser] heeft bovendien ter comparitie bevestigd dat hij dit (op de voornaamste punten) ook heeft gedaan. Als hij dan toch stelt te hebben gedwaald omtrent de inhoud van de overeenkomst, omdat hij dacht dat hij ging sparen, dan moet deze dwaling naar het oordeel van de rechtbank voor zijn eigen rekening blijven. Het beroep op dwaling wordt dan ook afgewezen. De enkele stelling dat, zoals [eiser] ter comparitie naar voren heeft gebracht, de adviseur hem heeft uitgelegd dat het om een vorm van sparen ging, maakt dit niet anders. Gelet op voormelde schriftelijke informatie kan [eiser] de gestelde dwaling dan ook evenmin wijten aan de uitlatingen die de tussenpersoon volgens hem heeft gedaan.

Misleidende reclame

5.9. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat Spaarbeleg misleidende informatie heeft verstrekt aangevoerd dat door de Spaarbeleg gebruikte termen in de informatie van Spaarbeleg niet duidelijk waren.

5.10. Zoals de rechtbank in het bovenstaande ten aanzien van het beroep op dwaling reeds heeft overwogen, had [eiser] bij oplettende bestudering van de aan hem voor of bij het sluiten van de overeenkomst verstrekte informatie kunnen en moeten begrijpen wat het SprintPlan inhield en dat het niet een spaarproduct betrof. De rechtbank heeft in haar vonnissen van 22 december 2004 (NJF 2005/60) en 4 januari 2006 (NJF 2006/152) reeds uitgebreid gemotiveerd dat naar haar oordeel de door Spaarbeleg verstrekte informatie betreffende het SprintPlan niet misleidend is in de zin van artikel 6:194 BW. Misschien wekte de informatie van Spaarbeleg wel verwarring, maar deze is niet misleidend. Ook het Hof Amsterdam heeft op 15 november 2007 (LJN 7971) geoordeeld dat Spaarbeleg niet onrechtmatig heeft gehandeld door het openbaar maken of laten maken van misleidende mededelingen over het SprintPlan voor het aangaan daarvan. Nu [eiser] in de onderhavige procedure geen nieuwe argumenten aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.

Onrechtmatig handelen wegens schending zorgplicht

5.11. [eiser] heeft gesteld dat Spaarbeleg heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht door hem niet volledig te informeren over de aard en de omvang van de risico’s (meer in het bijzonder het risico dat hij na ommekomst van de overeenkomst zijn volledige inleg kwijt zou zijn) die hij met de overeenkomst aanging. Daarnaast stelt hij dat Spaarbeleg in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door na te laten om te informeren naar de inkomens- en vermogenspositie van [eiser] en naar zijn beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen. Mitsdien is Spaarbeleg op grond van onrechtmatige daad verplicht de door [eiser] dientengevolge geleden schade te vergoeden, aldus [eiser].

5.12. De rechtbank heeft reeds in diverse uitspraken (onder meer 22 december 2004, NJF 2005/60; 4 januari 2006, NJF 2006/152; 24 januari 2007, LJN AZ7231) geoordeeld dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer, en tevens dat Spaarbeleg aan de op haar, in het kader van deze zorgplicht, rustende verplichtingen niet heeft voldaan. Zo heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager dan het totaal van de door deelnemer betaalde maandtermijnen, en zelfs nihil kon zijn. Spaarbeleg had, zeker nu zij ervoor heeft gekozen om het SprintPlan aan te bieden aan een breed, niet gesegmenteerd publiek, dienen te verifiëren of de deelnemer uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van dit risico had begrepen en of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van deze individuele deelnemer. De combinatie van elementen van een geldlening en elementen van een belegging, die in de SprintPlan-overeenkomst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maken dat de rechtbank in tegenstelling tot het Hof Amsterdam (15 november 2007, LJN BB7971) van oordeel blijft dat de zorgplicht zich niet slechts uitstrekt tot de inkomens- en vermogenspositie van een deelnemer, maar tevens tot diens beleggingsdoelstelling en -ervaring.

5.13. Ook in het onderhavige geval komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden. Zoals reeds in eerdere vonnissen is geoordeeld, diende de potentiële deelnemer de informatie uit de toegezonden bescheiden te combineren en enkele denkstappen te maken om de risicio’s geheel te kunnen doorgronden. Spaarbeleg heeft niet bij [eiser] geverifieerd of hij al die denkstappen had gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen en om te beoordelen of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van [eiser]. Hetgeen Spaarbeleg hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

causaal verband

5.14. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Spaarbeleg dat het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de door [eiser] gestelde schade ontbreekt. [eiser] heeft ter comparitie aangevoerd dat zijn doel met het SprintPlan was het opbouwen van een vermogen teneinde dit aan te kunnen wenden als hij met de VUT zou gaan. Hij heeft tevens in de dagvaarding gesteld dat hij nooit aan het SprintPlan begonnen zou zijn als hem duidelijk was geweest dat er aan het SprintPlan risico’s verbonden waren. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het SprintPlan niet zou hebben afgesloten als Spaarbeleg aan haar zorgplicht had voldaan.

schade

5.15. De stelling van Spaarbeleg dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, is door de rechtbank in voorgaande vonnissen (waaronder 24 januari 2007, LJN AZ7231) steeds verworpen. De rechtbank gaat ook nu aan die stelling voorbij.

In de recente arresten van het Hof Amsterdam van 1 maart 2007 (LJN AZ9722), 16 augustus 2007 (LJN BB1855) en 15 november 2007 (LJN BB7971), ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan zij tot nu toe heeft gedaan. De verplichting waarin Spaarbeleg is tekortgeschoten, strekt ertoe te voorkomen dat een belegger lichtvaardig of met ontoereikend inzicht een beleggingsovereenkomst sluit. De informatieverstrekking ten aanzien van het verloren kunnen gaan van de rente was, zoals reeds is geoordeeld, onvolledig. De schending van de zorgplicht door het onvoldoende wijzen op dit risico en de onzekere financiële last van de overeenkomst vanwege de onzekere opbrengst bij de verkoop van de aandelen maken naar het oordeel van de rechtbank dat de rente in beginsel wél dient te worden beschouwd als schade ontstaan vanwege de schending van de zorgplicht. Voldoende aannemelijk is immers dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen en de betaalde rente dus niet verloren was gegaan, indien de verplichtingen uit hoofde van de zorgplicht zouden zijn nagekomen. Dat de rentelast van tevoren bij [eiser] bekend kon zijn maakt dit niet anders. Bovendien overweegt hetzelfde Hof in zijn arrest van 24 mei 2007 (LJN BA5684) dat betaalde rente wel als schade ten gevolge van het schenden van de zorgplicht van een aanbieder van effectenleaseovereenkomsten kan worden aangemerkt.

eigen schuld

5.16. In voorgaande vonnissen betreffende het SprintPlan heeft de rechtbank een beroep van Spaarbeleg op eigen schuld bij de deelnemer al verscheidene keren gehonoreerd (onder meer 18 oktober 2006, LJN AZ0660; 29 november 2006, LJN AZ3654). De rechtbank heeft bij deze beslissingen steeds van belang geacht dat de deelnemer er bij oplettende bestudering van het informatiemateriaal niet zonder meer ervan uit had mogen gaan dat het SprintPlan als een spaarproduct kon worden gezien en dat hij/zij, bij twijfel, zich nader had dienen te informeren.

5.17. De eigen schuld die de deelnemer heeft aan het ontstaan van zijn of haar schade door geen nader onderzoek naar het product SprintPlan in te stellen alvorens de overeenkomst te sluiten wordt door de rechtbank afgezet tegen de zorgplicht die op Spaarbeleg rustte. Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige - die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten - beleggers aantrekt die zich van de risico’s van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden.

5.18. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de schade die een deelnemer als gevolg van een schending van de zorgplicht heeft geleden, voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer. Concreet betekent dit dat in beginsel 60% van de schade voor rekening van Spaarbeleg blijft. Bij het vaststellen van dit uitgangspunt heeft de rechtbank - samenvattend - rekening gehouden met het feit dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, en daarom een lager risico kent, maar ook dat de informatie over de inhoud van het SprintPlan en de daaraan verbonden risico’s (door de versnipperde wijze van aanbieden hiervan) moeilijker te doorgronden is dan bij de meeste andere aandelenlease-producten het geval is.

5.19. Voor de vaststelling van de mate van eigen schuld zijn daarnaast de specifieke omstandigheden van het geval van belang, zoals:

- de omvang van de risico’s die de deelnemer heeft genomen;

- de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;

- de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;

- de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;

- de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;

- de rol van een eventuele tussenpersoon.

Deze omstandigheden zullen door de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en voor zover door partijen belicht, in ieder concreet geval worden gewogen.

5.20. [eiser] was ten tijde van het afsluiten van SprintPlan 55 jaar oud, gehuwd en kostwinner. Hij betaalde aanvankelijk gedurende een korte periode een bedrag van NLG 250,00 en vervolgens een bedrag van NLG 100,-- per maand. [eiser] heeft zijn voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2000 alsmede bankrekeningoverzichten uit het jaar 2000 overgelegd, waaruit zijn financiële positie ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan is af te leiden. Hieruit blijkt dat hij in 2000 een belastbaar inkomen had van bruto NGL 56.424,00 en dat de saldi op de rekeningafschriften ongeveer NLG 6.000,-- in totaal bedroegen. Uit de door [eiser] overgelegde combinatieaanslag 2006 blijkt dat de echtelijke woning op de waardepeildatum 01-01-2003 een WOZ-waarde van EUR 119.535,00 had en was belast met hypothecaire lening. Daaruit blijkt evenwel niet de waarde van de woning ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Gelet op de ontwikkeling op de woningmarkt met betrekking tot de waarde van woning is niet onaannemelijk dat de waarde van de woning gelijk dan wel minder was dan de waarde als vermeld op de overgelegde combinatieaanslag.

[eiser] heeft gesteld dat hij geen beleggingservaring heeft. Hij heeft een schildersopleiding gevolgd op (wat thans zou zijn) MBO-niveau.

5.21. De rechtbank ziet in het bovenstaande geen aanleiding om naar boven, noch naar beneden af te wijken van haar uitgangspunt dat 60% van de schade voor rekening van Spaarbeleg dient te blijven. Het inkomen van [eiser]is gemiddeld en zo ook zijn woonlasten. Voorts geven het opleidingniveau, noch de leeftijd van [eiser] aanleiding om een groter deel van de eigen schuld voor eigen rekening te laten. Daar komt bij dat onvoldoende gesteld of gebleken is dat die maandelijkse door [eiser] gedane betalingen onevenredig zwaar op zijn inkomen drukten.

De rechtbank komt, dit alles afwegende, tot een verdeling van de schade, waarbij 60% voor rekening van Spaarbeleg komt. De totale schade, bestaande uit de door [eiser] betaalde bedragen aan Spaarbeleg wordt mitsdien vastgesteld op EUR 3.131,22 (6 maal EUR 113,45 en 54 maal EUR 45,38), waarvan Spaarbeleg EUR 1.878,73 dient te vergoeden.

5.22. Spaarbeleg zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 248,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.100,87

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt Spaarbeleg om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 1.878,73 (éénduizendachthonderdachtenzeventig euro en drieënzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over zestig procent van de maandelijks door [eiser] uit hoofde van de overeenkomst aan Spaarbeleg betaalde bedragen telkens vanaf de dag van deze maandelijkse betaling tot de dag van volledige betaling,

6.2. veroordeelt Spaarbeleg in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.100,87,

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2008.