Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC2807

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
28-01-2008
Zaaknummer
237670/ HA ZA 07-1872
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Relatieve bevoegdheid. Internationale rechtsmacht. HvJ 3 mei 2007, RvbW 2007, 501.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 237670 / HA ZA 07-1872

Vonnis in incident van 23 januari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

procureur mr. J.M. van Noort,

tegen

de rechtspersoon naar Belgisch recht

NEBEL BVBA,

gevestigd te Kapellen, België,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. J. Ran.

Partijen zullen hierna [eiser] en Nebel genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. Nebel vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.2. Ter onderbouwing van haar beroep op onbevoegdheid van de rechtbank heeft Nebel primair aangevoerd dat de verbintenis die aan de eis van [eiser] ten grondslag ligt (de verbintenis tot betaling van de verzonden facturen) niet in het arrondissement Utrecht dient plaats te vinden, zodat de rechtbank Utrecht ingevolge artikel 5 lid 1 EEG-Executieverdrag niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

Subsidiair stelt Nebel zich op het standpunt dat de meeste werkzaamheden op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst binnen het arrondissement Den Haag zijn uitgevoerd, zodat ook op deze grond de rechtbank Utrecht niet bevoegd is.

Meer subsidiair kan de bevoegdheid van de rechtbank Utrecht niet ontleend worden aan artikel 6 Rv, nu deze bepaling uitsluitend de internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter betreft, en niet de relatieve bevoegdheid.

2.3. De rechtbank begrijpt dat Nebel de internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet betwist, en terecht. Anders dan Nebel evenwel meent, berust deze bevoegdheid niet op het EEG-Executieverdrag, maar op Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder tevens te noemen: Verordening 44/2001), aangezien deze verordening verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaten van de Europese Unie, en Nederland en België beide lidstaat zijn van de Europese Unie. Blijkens het bepaalde in artikel 68 van Verordening 44/2001 is deze verordening voor de lidstaten van de Europese Unie in de plaats getreden van het EEG-Executieverdrag. Ingevolge artikel 5 lid 1 sub a van Verordening 44/2001 kan een persoon in een andere lidstaat worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Bij een overeenkomst tot verstrekking van diensten, zoals de onderhavige aannemingsovereen-komst, geldt - ingevolge artikel 5 lid 1 sub b tweede streepje - als plaats van uitvoering van de verbintenis: de plaats in de lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt worden of verstrekt hadden moeten worden. Vaststaat tussen partijen dat alle aannemingswerkzaamheden zijn verricht in Nederland, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

2.4. Nebel betwist wel de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Utrecht. Ook deze bevoegdheid dient in het onderhavige geval te worden beoordeeld aan de hand van Verordening 44/2001. Artikel 5 lid 1 sub b van de Verordening bepaalt immers zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid (“de plaats in een lidstaat”, vgl. Hof van Justitie 3 mei 2007, RvdW 2007,501). Op grond van de onderhavige aannemingsovereenkomst zijn evenwel werkzaamheden op diverse plaatsen in Nederland verricht: Utrecht, Rotterdam, Poeldijk, West-Kapelle, ’s-Gravenhage en Delft. Derhalve is niet eenduidig één plaats van verstrekking van de diensten aan te wijzen.

Naar het oordeel van de rechtbank leent de uitspraak van het Hof van Justitie van 3 mei 2007, RvdW 2007, 501, zich - gelet op de overeenkomsten tussen het bepaalde in artikel 5 lid 1 sub b eerste en tweede streepje - voor analoge toepassing op een geval waarin meerdere plaatsen in een lidstaat aan te wijzen zijn waar diensten op grond van een overeenkomst zijn verstrekt. In die uitspraak heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat artikel 5 lid 1 sub b eerste streepje aldus moet worden uitgelegd dat in het geval van een verscheidenheid van leveringsplaatsen binnen één lidstaat het gerecht binnen het rechtsgebied waarvan de hoofdlevering heeft plaatsgevonden bevoegd is van de vorderingen uit de overeenkomst kennis te nemen. De plaats van de hoofdlevering dient op basis van economische criteria te worden bepaald. Het Hof van Justitie heeft in deze uitspraak gekozen voor de plaats van de hoofdlevering, omdat die plaats de nauwste band verzekert tussen de overeenkomst en het bevoegde gerecht.

2.5. Voormelde uitspraak van het Hof van Justitie naar analogie toegepast op het onderhavige geval (van artikel 5 lid 1 sub b tweede streepje) betekent dat de vraag beantwoord moet worden in welke plaats de nauwste band aanwezig is tussen een overeenkomst tot het verrichten van diensten en een bevoegd gerecht. De rechtbank is van oordeel dat deze nauwste band - bij een verscheidenheid van plaatsen van verstrekking van diensten - aanwezig is in de plaats waar de voornaamste verstrekking van diensten heeft plaatsgevonden. Bij de bepaling van deze plaats is het navolgende van belang:

- de bepaling van de plaats van de voornaamste verstrekking van diensten strekt ertoe de nauwste band tussen de overeenkomst tot verstrekking van diensten en het bevoegde gerecht vast te stellen. Dat betekent dat deze bepaling dient te geschieden op basis van de inhoud van de overeenkomst, en niet op basis van de ingestelde vordering. Aan de hand van de overeenkomst moet bepaald worden waar de voornaamste verstrekking van diensten heeft plaatsgevonden of had moeten plaatsvinden.

- de plaats van de voornaamste verstrekking moet bepaald worden op basis van economische criteria (vgl. voormelde uitspraak van het Hof van Justitie). Economisch gezien ligt het gewicht van een overeenkomst tot verstrekking van diensten in de plaats waar voor het grootste financiële belang aan diensten wordt verricht. In de praktijk komt dit in de meeste gevallen neer op de plaats waarin het gefactureerde bedrag voor die diensten het hoogst is. Anders dan partijen kennelijk menen, is de plaats waar het grootste aantal uren is gewerkt economisch gezien niet doorslaggevend (hoewel dat in een geval als het onderhavige met elkaar kan overeenkomen). Voor een dienstverlenende onderneming is immers de voor de diensten te ontvangen vergoeding van groter belang dan het aantal gewerkte uren. Voorts bestaat een overeenkomst tot verstrekking van diensten in de meeste gevallen ook niet uitsluitend uit gewerkte uren, maar ook uit kosten voor materiaal e.d. Het voorgaande dient tot de conclusie te leiden dat bij de bepaling van de plaats van de voornaamste verstrekking van diensten doorslaggevend is in welke plaats voor het grootste financiële belang aan diensten op grond van de overeenkomst is of zou worden verricht, i.e. in welke plaats voor het hoogste bedrag is of zou worden gefactureerd terzake van de verrichte of te verrichten werkzaamheden.

- niet van belang is in welke stad of gemeente de voornaamste verstrekking heeft plaatsgevonden, maar in het rechtsgebied van welke rechter (in Nederland: het arrondissement). Voor het bestaan van een nauwe band tussen een overeenkomst en een bevoegd gerecht is immers meer van belang voor welk bedrag in totaal aan werkzaamheden in een arrondissement is gefactureerd, dan in welke stad of gemeente in Nederland het hoogste bedrag is gefactureerd.

2.6. Het voorgaande toepast op het onderhavige geval leidt tot de volgende conclusies. Partijen hebben een mondelinge aannemingsovereenkomst gesloten, inhoudende dat [eiser] op verschillende bouwlocaties in Nederland metselwerkzaamheden zou verrichten. Nu partijen over de inhoud van deze overeenkomst niets nader hebben gesteld, moet de inhoud daarvan afgeleid worden uit de wijze waarop partijen uitvoering aan de mondelinge overeenkomst hebben gegeven. [eiser] heeft in de periode van 1 april 2004 tot en met 17 april 2006 op door Nebel aangewezen bouwlocaties metselwerkzaamheden verricht en daartoe facturen aan Nebel verzonden. Blijkens de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde facturen heeft [eiser] voor de verrichte diensten - uitgesplitst over de verschillende arrondissementen - de volgende bedragen gefactureerd:

arrondissement Utrecht:

factuur 5044 EUR 1.008,00

factuur 5045 EUR 1.008,00

factuur 6001 EUR 252,00

factuur 6006 ged. (Utrecht) EUR 1.260,00

factuur 6007 EUR 504,00

totaal= EUR 4.032,00

arrondissement Middelburg:

factuur 6003 ged. (West-Kapelle) EUR 252,00

factuur 6004 EUR 1.197,00

factuur 6005 ged. (West-Kapelle) EUR 1.008,00

factuur 6006 ged. (West-Kapelle) EUR 252,00

totaal= EUR 2.709,00

arrondissement ’s-Gravenhage:

factuur 6003 ged. (Poeldijk) EUR 756,00

factuur 5005 ged. (Den Haag) EUR 126,00

factuur 6010 ged. (Delft) EUR 252,00

factuur 6011 EUR 1.212,75

factuur 6013 EUR 1.260,00

factuur 6014 EUR 1.008,00

totaal= EUR 4.614,75

arrondissement Rotterdam:

factuur 6002 EUR 1.260,00

factuur 6010 ged. (Rotterdam) EUR 504,00

totaal= EUR 1.764,00

2.7. Uit het voorgaande blijkt dat [eiser] het grootste bedrag heeft gefactureerd voor werkzaamheden die verricht zijn in het arrondissement ’s-Gravenhage. In het licht van de onder 2.5 weergegeven uitgangspunten moet dat arrondissement als de plaats van de voornaamste verstrekking van diensten in het kader van de onderhavige aannemingsovereenkomst worden aangemerkt, zodat de rechtbank ’s-Gravenhage op grond van artikel 5 lid 1 sub b tweede streepje de relatief bevoegde rechter is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. De rechtbank zal de zaak dan ook naar die rechtbank verwijzen.

2.8. Nebel zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

3.2. veroordeelt Nebel in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 452,00,

in de hoofdzaak

3.3. verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank

‘s-Gravenhage, sector civiel recht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2008.

w.g. griffier w.g. rechter