Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC2732

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
SBR 06-4089
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet openbaarheid van bestuur. Beroep tegen het niet openbaar maken grondprijzenbrief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Grondzaken 2008/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 06/4089

uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 7 januari 2008

inzake

college van bestuur van de Universiteit Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

tegen

college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 november 2006, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 30 juni 2006 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres om toezending van de Nota grondbeleid en de grondprijzenbrief geldend voor het jaar 2003 afgewezen.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 24 oktober 2007, waar eiseres is verschenen bij mr. V.H. Affourtit, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door mr. R.G.C. van der Lee, werkzaam bij KPMG Meijburg en Co te Amsterdam en E. van Ginkel, vastgoedmanager bij de Universiteit Utrecht. Verweerder is verschenen bij mr. M.P.H. van Wezel, advocaat te Utrecht, bijgestaan door drs. P.M. Venema en mr. W. Adelaar, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht.

Overwegingen

Feiten

2.1 Eiseres heeft bij brief van 3 mei 2006 het Ontwikkelingsbedrijf van de gemeente Utrecht verzocht om toezending van de grondprijzenbrief 2003 en de Nota grondbeleid geldend voor het jaar 2003.

2.2 Bij besluit van 30 juni 2006 heeft verweerder geweigerd de grondprijzenbrief openbaar te maken, op de grond dat openbaarmaking de gemeente in een nadelige onderhandelingspositie zou kunnen plaatsen doordat wederpartijen zich op de hoogte zouden kunnen stellen van de bandbreedtes waarbinnen financiële onderhandelingen zullen plaatsvinden. Het belang van openbaarmaking weegt volgens verweerder in dit geval niet op tegen de financiële belangen van de gemeente, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

2.3 Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de afwijzing gebaseerd op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob. Verweerder heeft in het midden gelaten of het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob aan openbaarmaking in de weg staat.

Standpunten van partijen

2.4 Eiseres heeft aangevoerd dat zij in verband met een geschil op grond van de Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ) over de waarde van het bij de Universiteit Utrecht in eigendom zijnde complex de Uithof inzage heeft gevraagd in het uitgiftebeleid terzake van gronden voor bijzondere doeleinden. In die procedure verdedigt eiseres het standpunt dat de grondwaarde foutief en te hoog is gewaardeerd, waardoor ook de WOZ-waarde op een te hoog bedrag is vastgesteld. Inzage in genoemde stukken is van belang, omdat verweerder zich in het kader van de WOZ-waardebepaling baseert op zijn eigen gronduitgiftebeleid. De genoemde documenten kunnen volgens eiseres uitsluitsel bieden over de vraag of de waarde van de grond van het complex de Uithof op een juiste wijze is vastgesteld. Eiseres betoogt dat de grondprijzenbrief van de Nota grondbeleid met betrekking tot het jaar 2003 openbaar dient te zijn op grond van artikel 3, eerste 1, van de Wob. Volgens eiseres doen zich geen weigeringgronden voor die geheimhouding rechtvaardigen. Eiseres verwijst naar de uitspraken van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State (ArRvS) van 30 september 1985, AB 1987, 43 van 21 juli 1986, AB 1987, 517 en van 10 mei 1982, AB 1982, 455. Volgens eiseres kan uit deze uitspraken worden opgemaakt dat overheidsorganen steeds vaker overgaan tot publicatie van door hen gehanteerde beleidsuitgangspunten en beleidsregels inzake gronduitgifte en grondwaardering. Volgens eiseres blijkt uit deze rechtspraak dat de Afdeling er niet van overtuigd is dat openbaarmaking van het gehanteerde beleid tot zodanige financiële benadeling van de overheid zal leiden, dat het belang van openbaarheid daarvoor moet wijken. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder op geen enkele wijze heeft aangetoond dat de gemeente daadwerkelijk enig financieel nadeel zal ondervinden bij openbaarmaking van zijn grondprijzenbeleid. Eiseres acht het onwaarschijnlijk dat openbaarmaking van de informatie uit 2003 verweerder thans nog financieel zal benadelen, gelet op de omstandigheid dat de grondprijzen inmiddels zijn geactualiseerd. Eiseres verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 1 februari 1996, AB 1996, 217. Volgens eiseres is uit de rechtspraak af te leiden dat openbaarheid van documenten zoals de onderhavige slechts achterwege kan blijven indien deze op het moment waarop zij worden opgevraagd daadwerkelijk de financiële belangen van de gemeente zodanig aantasten dat het algemene belang van openbaarheid daar niet tegen opweegt.

2.5 Verweerder heeft opgemerkt dat met het gemeentelijke gronduitgiftebeleid is bedoeld het beleid zoals neergelegd in de grondprijzenbrief. In het bestreden besluit is abusievelijk een onderscheid gemaakt tussen de Nota grondbeleid en de grondprijzenbrief. De Nota grondbeleid is openbaar. Ten aanzien van de grondprijzenbrief stelt verweerder zich op het standpunt dat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen de financiële belangen van de gemeente als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en sub b, van de Wob. Omdat de in de grondprijzenbrief genoemde grondprijzen het uitgangspunt vormen voor de met marktpartijen te voeren onderhandelingen, zal het vrijgeven van het in die brief neergelegde beleid inclusief de bandbreedtes waarbinnen financiële onderhandelingen plaatsvinden, de gemeente bij toekomstige onderhandelingen in een nadeligere onderhandelingspositie kunnen brengen, aldus verweerder.

Toepasselijk recht

2.6 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wob verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Artikel 3, eerste lid, van de Wob bepaalt dat een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid van artikel 3 van de Wob, wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische of financiële belangen van - onder meer - de gemeente.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie eveneens achterwege als het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Beoordeling van het geschil

2.7 Eiseres heeft blijkens de brief van 3 mei 2006 verzocht om openbaarmaking van de grondprijzenbrief 2003 en de Nota grondbeleid 2003. De rechtbank is niet gebleken dat er een document bestaat geheten Nota grondbeleid 2003. Gelet op het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen dat eiseres heeft bedoeld inzage te vragen in de Nota grondbeleid, zoals die gold in het jaar 2003. Verweerder heeft aangegeven dat in 2003 nog gold de Nota grondbeleid uit 1973. De Nota grondbeleid uit 1973 is inmiddels in bezit van eiseres. Gelet hierop spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden het verzoek om openbaarmaking van de grondprijzenbrief 2003 heeft afgewezen.

2.8 De rechtbank ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting dat de gemeente Utrecht beleid over gronduitgifte neerlegt in een grondprijzenbrief, die vervolgens jaarlijks wordt geactualiseerd. Bij brief van 30 juni 2006 heeft verweerder uitleg gegeven over het gronduitgiftebeleid. Daarbij is aangegeven, dat de gemeente Utrecht gronden normaliter in bouwrijpe staat verkoopt en levert, en dat over de grondprijs BTW in rekening wordt gebracht. Voor gronden met de bestemming bijzondere doeleinden wordt een vaste prijs per m2 gehanteerd, ongeacht de kavelgrootte.

2.9 De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de grondprijzenbrief 2003. De rechtbank constateert dat deze grondprijzenbrief informatie over de grondprijzen bevat en dat daarin de jaarlijkse indexeringen van de grondprijzen worden genoemd. Gelet hierop acht de rechtbank het niet uitgesloten dat de onderhandelingspositie van de gemeente door openbaarmaking zodanig nadelig wordt beïnvloed dat daardoor de financiële belangen van de gemeente geschaad zullen kunnen worden.

2.10 De rechtbank stelt voorts vast dat in de grondprijzenbrief onderscheid wordt gemaakt naar soorten gronden en dat niet ten aanzien van alle soorten gronden een bandbreedte en onderhandelingsmarge geldt. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat dit geldt voor gronden met de bestemming bijzondere doeleinden, dat daarvoor een vaste prijs/waarde wordt gehanteerd, en dat eiseres daarvan op de hoogte kan zijn door de in de WOZ-beschikking gehanteerde waarde af te zetten tegen de oppervlakte van het complex van eiseres.

2.11 Gelet hierop valt niet in te zien dat de gemeente financieel kan worden benadeeld door openbaarmaking van de grondprijzenbrief voor zover betrekking hebbend op gronden met de bestemming bijzondere doeleinden. Verweerder had in zoverre het verzoek dienen te honoreren. Het betoog van verweerder dat het verzoek ziet op openbaarmaking van de integrale grondprijzenbrief 2003, en dat het daarom niet kan worden gehonoreerd, faalt. Uitgangspunt is immers de openbaarheid van overheidsinformatie. Bovendien volgt uit artikel 10, eerste lid, van de Wob dat het verstrekken van informatie slechts achterwege blijft voor zover één van de weigeringgronden zich voordoet. Het verzoek tot openbaarmaking dient derhalve in ieder geval te worden gehonoreerd voor zover het betrekking heeft op de bestemming bijzondere doeleinden.

2.12 Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met de Wob voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal andermaal op het bezwaar dienen te beslissen. Daarbij moet met inachtneming van deze uitspraak opnieuw worden beoordeeld welke delen van de grondprijzenbrief 2003 openbaar gemaakt kunnen en dienen te worden.

2.13 De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand (2 punten à € 322,-- per punt, wegingsfactor 1). De rechtbank ziet thans geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten in de bezwaarfase. Verweerder zal bij het nemen van een besluit op bezwaar op het verzoek om vergoeding van de proceskosten moeten beslissen.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nader besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen,

3.4 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 281,-- aan haar vergoedt,

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van € 644,-- , te betalen door de gemeente Utrecht.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven als voorzitter en mrs. H.J.H. van Meegen en M.P. Gerrits-Janssens als leden en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2008.

De griffier: De rechter:

mr. P. Ruitenberg mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.