Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC2587

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
16/615252-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Weekendarrangement" in Amersfoort. De politierechter oordeelde dat de man na de aanhouding te lang had vastgezeten. De man had sneller een dagvaarding moeten krijgen. (Proces-verbaal van de terechtzitting met de aantekening van het mondeling vonnis.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/615252-07

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde rechtbank op 17 januari 2008.

Aanwezig:

mr. E.F. Bueno, politierechter,

mr. A. Dam, officier van justitie,

en mr. E.J. Willekers als griffier.

De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres].

Als raadsman van verdachte is mede ter terechtzitting aanwezig mr. R.M. Maanicus, advocaat te Utrecht.

De politierechter hervat, met instemming van de officier van justitie, de verdachte en de raadsman, het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 26 oktober 2007 bevond.

(nader uit te werken)

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

AANTEKENING VAN HET MONDELING VONNIS

1. Inhoud van de tenlastelegging

Overeenkomstig de dagvaarding.

2. Het verweer van de raadsman

De politierechter stelt vast, dat de aanhouding en de daarop volgende in verzekeringstelling van verdachte op zaterdagmiddag 4 augustus 2007 om 13.57 uur rechtmatig zijn geweest.

Het ter terechtzitting door de raadsman gevoerde verweer komt er in de kern op neer, dat de Officier van Justitie de inverzekeringstelling heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Dat is naar zijn oordeel een zodanige ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijk verklaring.

Dienaangaande.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat voor zover relevant de feitelijke gang van zaken als volgt is geweest.

Verdachte is op zaterdag 4 augustus 2007 omstreeks 03.50 uur aangehouden. De aangifte is die ochtend opgenomen omstreeks 05.27 uur. Een getuigeverklaring die ochtend omstreeks 05.28 uur.

Verdachte is diezelfde ochtend omstreeks 09.24 uur gehoord. In dat verhoor is ook het zogenaamde urine-incident aan de orde gekomen. Om 13.57 uur is verdachte, na te zijn gehoord, in verzekering gesteld.

Zaterdagmiddag 4 augustus 2007 is contact opgenomen met de Officier van Justitie teneinde het urine-incident te melden. In overleg werd afgesproken dat het ter zake daarvan op te maken proces-verbaal zou worden nagezonden.

Verdachte is die middag omstreeks 15.13 uur voor de laatste maal gehoord.

Op zondag 5 augustus 2007 is overlegd met de Officier van Justitie over de vraag of verdachte moest worden voorgeleid. De Officier van Justitie heeft toen beslist dat verdachte niet diende te worden voorgeleid, maar dat hij op maandag 6 augustus 2007 in vrijheid kon worden gesteld nadat aan hem een dagvaarding was uitgereikt.

Dat is feitelijk ook gebeurd en wel tegen het middaguur.

Sedert de wetswijziging van 2005 is het belang van het aan de verdachte in persoon uitreiken van mededelingen over de strafzaak (zoals het betekenen van een dagvaarding) zonder enige twijfel een zelfstandige grond voor het voorduren van de inverzekeringstelling.

Het enkele feit dat het verhoor op zaterdagmiddag 4 augustus 2007 was afgerond en verdachte op maandag 6 augustus 2007 met een dagvaarding is heen gezonden, wettigt daarom op zichzelf nog niet de conclusie dat het Openbaar Ministerie een ernstige inbreuk heeft gepleegd op de beginselen van een behoorlijk procesrecht, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Het verweer van de raadsman tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie wordt dus verworpen.

Het Openbaar Ministerie voert in zaken als de onderhavige het volgende beleid.

Wie in het weekend (vanaf zaterdag 00.00 uur ) in Amersfoort een geweldsdelict tegen personen pleegt of daarmee dreigt, blijft in principe tot de maandag zitten. Op maandag neemt de politie contact op met het Veiligheidshuis Amersfoort waar de beslissing wordt genomen over de afdoening.

Daargelaten de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan dit beleid, de rechter dient in een concrete zaak te beoordelen of de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de inverzekeringstelling geheel in overeenstemming is geweest met de wet.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat na het laatste verhoor van verdachte op zaterdagmiddag 4 augustus 2007 hij in verzekering is gebleven in afwachting van het uitreiken van een dagvaarding in persoon op maandag 6 augustus 2007.

In artikel 57 lid 5 Sv is bepaald dat indien het onderzoeksbelang nog slechts bestaat uit het uitreiken aan de verdachte in persoon van een mededeling over de strafzaak, deze mededeling zo spoedig mogelijk wordt uitgereikt en de verdachte daarna in vrijheid wordt gesteld.

In de Mvt is hierover het volgende opgemerkt.

"Overeenkomstig het voorstel van de werkgroep is geen nadere termijn gesteld waarbinnen het uitreiken van de dagvaarding zou moeten plaatsvinden. Wel acht de regering het wenselijk in de wet duidelijk te maken dat wanneer het onderzoeksbelang nog slechts bestaat uit het uitreiken aan de verdachte van een op de zaak betrekking hebbend stuk en verder dus geen onderzoek meer nodig is, dit stuk zo spoedig mogelijk wordt uitgereikt. In dat geval dienen bij de ophouding zo nodig ook de nachtelijke uren (tussen middernacht en negen uur 's morgens) te worden gebruikt om de dagvaarding klaar te maken en uit te reiken (zie artikel 61, negende lid, dat het vierde lid buiten toepassing verklaart). Hetzelfde geldt voor het geval van inverzekeringstelling. De regering acht het niet redelijk om, wanneer de zaak rond is en alleen nog de dagvaarding moet worden opgesteld, de verdachte hierop in detentie te laten wachten tot negen uur 's morgens. Overigens kunnen de parketmedewerkers die met AU zijn belast, al lopende het politie-onderzoek de uit te reiken stukken zoveel mogelijk voorbereiden, zodat , wanneer tegen het middernachtelijk uur het onderzoek is afgerond, de dagvaarding snel kan worden afgemaakt en uitgereikt."

Tot zover de MvT

In de nota naar aanleiding van het verslag en het aanvullend verslag wordt hierover nog het volgende opgemerkt:

"Het OM heeft doorgaans dus niet zo veel tijd nodig voor het nemen van een zorgvuldige beslissing en het maken van een dagvaarding/oproep."

En even verder, de politierechter citeert:

"Deze leden vragen verder of het denkbaar is dat een verdachte zolang de termijn het toestaat in zijn vrijheid wordt beperkt enkel en alleen om hem een dagvaarding te doen toekomen. Het antwoord is dat dit in beginsel denkbaar is binnen de termijnen die gelden voor ophouding en inverzekeringstelling, zij het dat - zoals hiervoor aangegeven - de wet voorschrijft dat voor de uitreiking van het stuk zo min mogelijk tijd wordt genomen wanneer dit nog het enige is wat moet gebeuren".

Het Openbaar Ministerie mag dus de inverzekeringstelling niet misbruiken als voorschot op een op te leggen straf.

Het voorgaande betekent naar het oordeel politierechter in concreto, dat de inverzekeringstelling in dit geval langer heeft geduurd dan strikt noodzakelijk. De Officier van Justitie is immers qualitate qua belast met het uitbrengen van een dagvaarding. Niet valt in te zien waarom de Officier van Justitie in dit geval niet (veel) eerder een dagvaarding met daarin een omschrijving van de telastelegging had kunnen maken en doen uitreiken aan de verdachte. Waarna hij in vrijheid had kunnen worden gesteld.

Ter terechtzitting heeft de Officier van Justitie opgemerkt, dat een zorgvuldige beoordeling van de zaak met zich brengt dat een beslissing over de afdoening pas kon worden genomen na raadpleging van landelijke justitiële systemen. Dat betoog gaat in dit geval niet op, nu de beslissing verdachte een dagvaarding in persoon mee te geven al op zondag was genomen.

Verdachte heeft te lang in verzekering doorgebracht. Deze schending van het recht vindt de politierechter voor verdachte in de concrete geval voldoende gecompenseerd als hij hiermee rekening houdt bij het bepalen van de strafmaat.

(Vervolgens vermindert de politierechter op grond van de schending de werkstraf met 50 uren)

(nader uit te werken)

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.