Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC2585

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
16-601097-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man wordt veroordeeld tot zes (6) maanden gevangenisstraf, waarvan (twee) 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar voor vernieling van een ruit van een trein en poging tot zware mishandeling van de treinmachinist (plus toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/601097-07

Datum uitspraak: 22 januari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting Utrecht].

Raadsman mr. V. Senczuk te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2008.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd.

De rechtbank overweegt daartoe dat uit het aanvullende proces-verbaal, op 9 oktober 2007 opgemaakt door [verbalisant Z], blijkt dat het gooien van een steen die de trein raakte en de daarop volgende mogelijke reactie van de machinist, niet tot gevaar voor een ongeluk hadden kunnen leiden. Het vereiste opzet, ook in een voorwaardelijke vorm, is derhalve niet aanwezig.

De verdachte moet daarom van deze feiten worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld.

2.

hij op 03 oktober 2007 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, opzettelijk en wederrechtelijk een voorruit van een trein, toebehorende aan de Nederlandse Spoorwegen N.V., heeft vernield door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk een steen tegen die ruit te gooien;

3.

hij op 03 oktober 2007 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [treinmachinist X] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een steen tegen een voorruit van een rijdende trein heeft gegooid terwijl die [treinmachinist X] achter die ruit stond, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De raadsman van verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat zijn cliënt de trein niet heeft zien aankomen en deze niet heeft kunnen horen aankomen, nu zijn cliënt verklaart dat de “uitleveringsgroep” microfoontjes in zijn oren had geplaatst waardoor hij niet goed kon horen.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van de [treinmachinist X] blijkt dat hij verdachte bij de spoorwegovergang van het station Driebergen-Zeist zag staan. Verdachte bevond zich, gezien vanuit de positie van [treinmachinist X], vóór de spoorwegbomen die de overgang afsluiten van het spoor. De rechtbank overweegt voorts dat het algemeen bekend is dat het sluiten van spoorwegbomen bij een spoorwegovergang op een station vergezeld gaat van opvallende licht- en geluidsignalen.

De rechtbank concludeert derhalve dat verdachte zich tussen de gesloten spoorwegbomen en het spoor bevond en dat verdachte gezien moet hebben dat de spoorwegbomen zich sloten dan wel gesloten waren. Verdachte wist daarom dan wel had moeten weten dat er een trein in aantocht was en desondanks heeft hij toch met een steen gegooid. Voor de lezing van verdachte zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden, zodat de rechtbank deze onaannemelijk acht.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat zijn cliënt niet met opzet in de richting van de trein heeft gegooid en ook niemand in gevaar wilde brengen, nu zijn cliënt heeft verklaard dat hij stenen gooide naar de bomen aan de overzijde van de spoorweg.

De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal blijkt dat de steen die verdachte heeft gegooid de (middelste) voorruit heeft geraakt en niet één van de ruiten die zich aan de zijkant van de cabine bevinden.

De rechtbank concludeert dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte met opzet in de richting van de voorruit van de cabine van de aankomende trein heeft gegooid. Verdachte zou immers, wanneer hij stenen gegooid zou hebben naar de bomen aan de overzijde van het spoor, een zijruit van de cabine dan wel de zijkant van de trein hebben geraakt.

Uit het feit dat de getroffen ruit die tegen weerslag beveiligd was, zodanig is vernield dat vervanging noodzakelijk was, leidt de rechtbank vervolgens af dat verdachte die steen met kracht in de richting van de trein heeft gegooid.

Aangaande verdachtes handelen overweegt de rechtbank dat de aard van de gedraging en de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien redelijkerwijs geen andere conclusie toelaten, dan dat verdachte zich tenminste willens en wetens heeft bloot gesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De trein was immers in beweging zodat verdachte wist dan wel heeft moeten begrijpen dat de machinist in de cabine van de trein aanwezig was en wel zodanig, dat zijn hoofd zich direct achter het raam bevond. Door het krachtig en gericht gooien van een steen, waardoor de ruit van de treincabine werd vernield, had niet alleen de steen ernstige verwondingen bij de machinist teweeg kunnen brengen, maar hadden wegspringende glasdelen onherstelbare schade aan het gezichtsvermogen van de machinist tot gevolg kunnen hebben.

Ten aanzien van feit 2:

De aangifte van [aangever Y] .

Aangever doet aangifte namens NV Nederlandse Spoorwegen en verklaart dat op 3 oktober 2007 schade is ontstaan aan de voorruit van de trein ter hoogte van het station Driebergen-Zeist. De schade is zo ernstig dat de voorruit vervangen moet worden.

Ten aanzien van feit 2 en 3:

De verklaring van [treinmachinist X]

De aangever verklaart dat hij op 3 oktober 2007 als machinist werkzaam was en met zijn trein het station Driebergen-Zeist naderde. Ongeveer 50 meter voor zich zag aangever een persoon vóór de spoorwegbomen aan het eind van het perron bij de overweg staan. Aangever zag verder niemand op en rondom de overweg staan en ook het perron was geheel verlaten. Op het moment dat aangever de overweg op reed hoorde hij een bijzonder harde klap op de voorruit. Vervolgens zag aangever dat er op de gehele voorruit een grote ster zat, ter hoogte van zijn hoofd.

Het proces-verbaal van onderzoek van [verbalisant Z].

Uit onderzoek is gebleken dat de steen die tegen de middelste cabineruit van de trein is gegooid, niet geheel dóór de ruit is gegaan, maar wel dat zowel de buitenruit als de binnenruit zodanig versplinterd waren dat deze in zijn geheel vervangen diende te worden.

Verwonding van de machinist door versplintering van de ruit is mogelijk.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 januari 2008:

Op 3 oktober 2007 was ik op het station Driebergen-Zeist. Het station was verder leeg. Ik stond aan het einde van het perron, vlakbij de overgang en op korte afstand van het spoor. Ik heb stenen van het spoor gepakt en ik heb daarmee gegooid. Nadat ik een steen had gegooid, zag ik dat de steen de trein raakte. De steen was zo groot als een handvol.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Ten aanzien van feit 3:

Poging tot zware mishandeling.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 3 oktober 2007 opzettelijk een steen naar de cabine van een rijdende trein gegooid en heeft daarbij de voorste cabineruit van de trein geraakt, waarbij een grote ster over de gehele voorruit is ontstaan. Als gevolg hiervan is een behoorlijke materiële schade ontstaan voor de Nederlandse Spoorwegen.

Direct achter deze voorruit bevond zich het slachtoffer, dat ten gevolge van het handelen van verdachte enorm geschrokken is en bang is geworden dat dit hem als machinist nog een keer overkomt.

Dat het slachtoffer door het handelen van verdachte geen blijvend letsel heeft opgelopen is een gelukkige omstandigheid, die geenszins aan verdachte te danken is.

Verdacht heeft door aldus te handelen de openbare veiligheid geschaad, hetgeen tot gevoelens van onrust leidt in de samenleving.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 oktober 2007, waaruit blijkt dat de verdachte laatstelijk op 16 oktober 2007 door de politierechter is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken;

- een omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 11 december 2007 van A. van der Donk, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

- dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - waarschijnlijk sprake was van een psychotische stoornis (NAO) welke mogelijk van invloed was op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde.

De deskundige concludeert – zakelijk weergegeven - dat:

- de kans op recidive, bij ongewijzigde omstandigheden, als hoog kan worden geacht;

- een uitspraak over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte niet mogelijk is, nu verdachte geen nader inzicht heeft willen geven omtrent de bijzonderheden aangaande het hem ten laste gelegde, waardoor het niet duidelijk is geworden of naast zijn alcoholgebruik, zijn ziekelijke stoornis hierbij een rol heeft gespeeld;

- het duidelijk is dat verdachte behandeling behoeft maar dat het, gezien de coöperatie van verdachte en andere bevindingen uit het onderzoek, niet mogelijk is om binnen een juridisch kader tot een behandeladvies te komen.

De rechtbank neemt de conclusies van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair en subsidiair wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk;

- gehele toewijzing van de vorderingen benadeelde partij van NS reizigers en van [treinmachinist X] met oplegging van de maatregel tot schadevergoeding.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

De rechtbank overweegt hierbij dat zij, nog meer dan de officier van justitie, rekening houdt met de persoon van verdachte. De rechtbank neemt hierbij in overweging de uitlatingen die verdachte ter terechtzitting en bij de politie heeft gedaan en de conclusie van de deskundige dat er bij verdachte sprake is van een psychotische stoornis.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van mening dat er bij verdachte sprake is van een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De vordering van de benadeelde partij NS Reizigers B.V..

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 954,73 wegens materiële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 2 bewezenverklaarde feit.

Daarbij overweegt de rechtbank dat uit het bij de vordering gevoegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat Nederlandse Spoorwegen N.V. enig aandeelhouder is van NS Reizigers B.V. en voorts dat op de door Nederlandse Spoorwegen NV gedane aangifte van vernieling NS Reizigers als benadeelde is vermeld.

De materiële schade wordt vastgesteld op € 954,73.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [treinmachinist X].

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 3 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 150,00 wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 3 bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 150,00.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij NS Reizigers B.V., gevestigd te Utrecht, toe tot een bedrag van € 954,73 (zegge negenhonderdvierenvijftig euro en drieënzeventig eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 954,73 (zegge negenhonderdvierenvijftig euro en drieënzeventig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 19 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [treinmachinist X], domicilie kiezende te Utrecht, toe tot een bedrag van € 150,00 (zegge honderdvijftig euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 150,00 (zegge honderdvijftig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mrs D.A.C. Koster, M.J. Veldhuijzen en A.G. Bakker bijgestaan door G. van Engelenburg als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2008.