Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC2324

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-01-2008
Datum publicatie
21-01-2008
Zaaknummer
16-600267-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 25-jarige man is door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden en tbs wegens ontucht en poging tot ontucht met vier minderjarige jongens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600267-07

Datum uitspraak: 21 januari 2008

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting Utrecht]

Raadsman: mr. D.C. van den Heuvel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 september 2007, 26 november 2007, 17 december 2007 en 7 januari 2008.

De aanleiding tot de strafzaak

Op vrijdag 2 maart 2007 kwam omstreeks 15.31 uur bij de politie Utrecht een melding binnen dat er zojuist bij de skatebaan bij het Park Schothorst in de wijk Hoogland in Amersfoort een jongetje was meegenomen door een man op een rode brommer. Een tijdje later werd dit jongetje weer in de buurt van het park afgezet. Hij gaf aan door een negroïde man te zijn meegenomen naar een woning in de buurt, alwaar deze man zijn schoenen en broek had uitgedaan en het jongetje had gevraagd hetzelfde te doen. Daarbij had hij aan de riem van het jongetje gefriemeld.

Naar aanleiding van deze melding heeft de politie een onderzoek ingesteld en is [verdachte] als verdachte aangehouden. In de loop van het onderzoek rees tegen [verdachte] verdenking van meerdere strafbare feiten in de seksuele sfeer, gepleegd jegens minderjarige jongens.

In deze strafzaak wordt [verdachte] verdacht van poging tot verkrachting van, subsidiair poging tot ontucht met de minderjarige [slachtoffer A], van heling van een bromfiets, van ontucht met de minderjarigen [slachtoffers B en C] en van poging tot ontucht met de minderjarige [slachtoffer D].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is een vordering nadere omschrijving ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting van 5 september 2007 toegestaan. Van de dagvaarding en van de vordering nadere omschrijving ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair (poging tot verkrachting) is ten laste gelegd. De beschikbare bewijsmiddelen bevatten naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten die kunnen leiden tot de conclusie dat verdachte de intentie had om het lichaam van het slachtoffer seksueel binnen te dringen.

De verdachte moet derhalve van dit feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring en overwegingen daartoe

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

T.a.v. de feiten 1 subsidiair, 3, 4 en 5

Op verzoek van de rechtbank heeft professor Wagenaar een betrouwbaarheidsonderzoek verricht met betrekking tot de in deze ontuchtzaken afgelegde verklaringen door de minderjarigen in studioverhoren. De hoofdconclusie van professor Wagenaar luidt dat de studioverhoren volgens de regels en zonder aanmerkelijke problemen zijn verlopen. De rechtbank neemt deze hoofdconclusie over en maakt deze tot de hare.

Voor wat betreft de opmerkingen van professor Wagenaar over de mogelijkheid van beïnvloeding van de minderjarige getuigen tussen het moment waarop zij voor het eerst hun verhaal doen en het verhoor door de politie merkt de rechtbank op dat er geen rechtstreekse aanwijzingen zijn dat er van een dergelijke beïnvloeding sprake is geweest. Daarenboven acht de rechtbank nader onderzoek daarnaar gezien het tijdsverloop thans niet meer zinvol.

Uit het voorgaande volgt dat de in de studioverhoren afgelegde verklaringen naar het oordeel van de rechtbank zonder enige belemmering voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

De met betrekking tot de feiten 1 subsidiair, 3, 4 en 5 hierna te noemen beschikbare bewijsmiddelen worden, ook in hun onderdelen, slechts gebruikt tot bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben. De rechtbank constateert in dit verband dat de modus operandi bij de feiten 1 en 4 gelijkend is. Hetzelfde geldt voor de feiten 3 en 4.

T.a.v. feit 1 subsidiair

De vaststaande feiten

Op 2 maart 2007 is in Hoogland (gemeente Amersfoort) [slachtoffer A], een jongen van destijds 9 jaar, door een negroïde man meegenomen naar een woning op de [straat] te Amersfoort. Door de vader van [slachtoffer A] is hiervan aangifte gedaan . [Slachtoffer A] had hem verteld dat hij met iemand die hem een X-box 360 had beloofd was meegegaan op een bromfiets. Die X-box moest even opgehaald worden volgens de man. [Slachtoffer A] vertelde verder dat ze bij een huis kwamen en dat ze door een poort moesten. [Slachtoffer A] had gezien dat de man een verbogen kledinghanger had gebruikt om het huis binnen te komen. Het huis was heel vies. De kamers stonden leeg. [Slachtoffer A] moest mee naar de eerste verdieping.

Hij vertelde dat de man hem had gevraagd om zijn broek uit te trekken en zijn schoenen ook. [Slachtoffer A] vertelde dat hij dat niet wilde en dat hij dat tegen de man had gezegd. [Slachtoffer A] was daarop gaan huilen en de trap afgelopen naar beneden. De man had [slachtoffer A] vervolgens met de bromfiets weer terug gebracht. Op het politiebureau vertelde [slachtoffer A] dat de man zelf ook zijn broek naar beneden had gedaan. Hij stond in zijn onderbroek. De man had ook aan de broekriem van [slachtoffer A] gefriemeld en gezegd dat hij dan wel naar andere kinderen op zoek zou gaan.

De politie heeft [slachtoffer A] later de wijk mee in genomen teneinde uit te zoeken over welke woning [slachtoffer A] sprak. [Slachtoffer A] herkent vervolgens de woning [straat] als de woning waar de man hem mee naar toe heeft genomen .

[Slachtoffer A] zelf heeft in een studioverhoor aangegeven dat de negroïde man op een rode brommer met één lang kussen als zitplaats zat en dat de brommer geen kenteken had . De man had een vest aan met een capuchon. Dat vest had stippeltjes met zwart en wit, tijgermodel en was met een rits dicht te doen. Verder was opmerkelijk dat hij één gouden tand en één tand met een gouden randje had. Deze tanden zaten rechtsboven in de mond . [Getuige 1] heeft die bewuste dag gezien dat een man met een donkere huidskleur [slachtoffer A] op zijn brommer meenam en later weer afzette. Ook zij beschrijft dat de man een capuchon over zijn hoofd had. Zij zegt dat de man overwegend lichte kleding aan had, vermoedelijk licht grijs . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij goud aan zijn tanden heeft . De rechtbank heeft dat ter zitting ook waargenomen.

De standpunten van de verdediging en van de officier van justitie

De kleding van verdachte

De politie heeft in een proces-verbaal opgenomen dat in de fouillering van verdachte een grijs/zwart/wit gespikkeld vest aanwezig was. Deze spikkels bestonden uit grijze V-vormpjes. Het vest was voorzien van een capuchon en een ritssluiting . Dit vest is aan verdachte getoond. Verdachte heeft over dit vest wisselende verklaringen afgelegd. Tegenover de politie heeft hij zich in eerste instantie beroepen op zijn zwijgrecht, later heeft hij ontkend dat het zijn vest was. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven nooit een dergelijk vest te hebben gehad.

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir gemotiveerd aangegeven dat hij ervan uit gaat dat verdachte op 2 maart 2007 dit vest droeg. Hij heeft daartoe aangevoerd dat naast voornoemd op ambtseed opgemaakt proces-verbaal het dossier ook de processen-verbaal bevat van de verbalisanten die aanwezig waren bij de aanhouding van verdachte. Deze verbalen zijn op 2 maart 2007 opgemaakt. In deze beschrijvingen komt naar voren dat verdachte een kledingstuk droeg met een capuchon . Deze verbalen zijn opgemaakt op het moment dat de proceshouding van verdachte ten aanzien van het vest nog niet bekend was.

Telefoongegevens

Verdachte heeft een alibi aangevoerd voor het moment waarop [slachtoffer A] op 2 maart 2007 is meegenomen naar de woning op de [straat]. Verdachte zegt die hele middag bij [coffeeshop X] te zijn geweest. De officier van justitie heeft in zijn requisitoir betoogd dat de telefoongegevens dit alibi niet ondersteunen.

Het oordeel van de rechtbank

De kleding

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat verdachte op 2 maart 2007 het vest met capuchon, dat in de reeds hierboven besproken bewijsmiddelen wordt genoemd, aan had. Verdachte heeft daar wisselende verklaringen over afgelegd, maar de onaannemelijkheid daarvan blijkt met name uit de ambtsedige processen-verbaal welke zijn opgemaakt op het moment dat het vest nog geen punt van discussie in het onderzoek was.

De telefoongegevens

De uitkomsten van het onderzoek naar de mobiele telefoon van verdachte laten zien dat verdachte tussen 14.00 uur en 15.00 uur in de directe omgeving van zijn woning is geweest en dat zijn telefoon pas later die middag - na het moment waarop [slachtoffer A] weer in het park werd afgezet - de coffeeshop aanstraalt . Vlak na 15.00 uur is verdachte zelfs dicht bij de plaats vanwaar [slachtoffer A] is meegenomen. Van belang daarbij is dat verdachte op de zitting van 17 december 2007 heeft verklaard dat hij zijn mobiele telefoon die dag niet heeft uitgeleend. Het door de raadsman gevoerde verweer, te weten dat het betreffende gebied een heel klein gebied is en dat de gegevens met betrekking tot de aangestraalde paallocaties niet als harde gegevens te beschouwen zijn, wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Is er sprake van vrijwillige terugtred?

Hoewel niet door of namens de verdachte is aangevoerd dat er bij dit feit sprake zou zijn van vrijwillige terugtred, heeft de rechtbank zich ambtshalve beraden over dit vraagstuk en is zij tot de conclusie gekomen dat de feiten en omstandigheden in casu niet aannemelijk maken dat daarvan kan worden gesproken.

De rechtbank leidt uit voorgaande bewijsmiddelen af dat het verdachte was die [slachtoffer A] heeft meegenomen naar zijn woning en aldaar heeft getracht ontucht met hem te plegen.

T.a.v. feit 2

Er is aangifte gedaan van diefstal van de Piaggio zoals beschreven in de tenlastelegging . Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij de scooter voor € 100,- en een fiets had gekocht .

De raadsman heeft in zijn pleidooi aangegeven dat de verdediging, evenals de officier van justitie, van mening is dat er sprake is van schuldheling.

Gelet op de aangifte en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 december 2007 is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen in de variant van schuldheling.

T.a.v. feit 3 en feit 4

De vaststaande feiten

In de periode tussen 1 februari 2007 tot en met 1 maart 2007 is door een man ontucht gepleegd met [slachtoffer B], destijds twaalf jaar oud. Hiervan is aangifte gedaan door zijn moeder . Dit slachtoffer is verhoord in een studioverhoor. [Slachtoffer B] vertelt hierbij dat hij met zijn vriendje [slachtoffer C] aan het spelen was bij de skatebaan bij het Schothorsterpark in Amersfoort. Onderweg naar een nabij gelegen winkel kwamen zij een negroïde man tegen. De man reed op een brommer en vroeg of [slachtoffer B] op zijn brommer wilde rijden. [Slachtoffer B] ging voorop zitten en de man achterop. De man ging aan zijn piemel voelen over zijn gulp. De man droeg daarbij handschoenen. [Slachtoffer B] omschrijft het haar van de man als zwart met dreadlocks. De man had een gouden tand en een tand met een gouden randje. Dat waren boventanden.

Daarna is [slachtoffer C] (11 jaar oud) op de brommer meegegaan. Ook hij heeft tijdens een studioverhoor een verklaring afgelegd en ook bij hem had die man aan zijn piemel gezeten. Hij beschrijft de man als iemand met een soort rastahaar en met één gouden tand en één tand met een gouden randje. Zijn brommer was rood.

[Slachtoffer C]’s moeder heeft namens hem aangifte van dit feit gedaan .

Het standpunt van de verdediging en van de officier van justitie

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting ontkend dat hij degene is geweest die deze jongens op zijn brommer heeft meegenomen en ontuchtig heeft bejegend. Zijn raadsman heeft vrijspraak bepleit voor deze twee feiten.

De officier van justitie is van mening dat de verklaringen van [slachtoffers B en C] als aangevers in hun eigen zaak als wettige en overtuigende bewijsmiddelen in deze zaken aan te merken zijn. De verklaringen zijn tevens getuigenverklaringen in elkaars zaak. Daar komt bij de beschrijving van het incident, de manier van optreden van de dader, de vragen die de dader hen stelde en het door beide jongens opgegeven signalement. Het geheel is zeer nauwkeurig, gedetailleerd en elkaar op vele punten ondersteunend.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op het door de beide slachtoffers opgegeven signalement, de wijze waarop het gebeurde heeft plaatsgevonden en de vele, nauwkeurige details die de beide slachtoffers in hun verklaring over het incident weten te benoemen, is de rechtbank van oordeel dat het verdachte was die [slachtoffers B en C] ontuchtig heeft bejegend. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij de verklaringen van beide slachtoffers over en weer in elkaars strafzaak als bewijs heeft gebruikt.

T.a.v. feit 5

De vaststaande feiten

Op 22 februari 2007 heeft een man in Hoogland, Amersfoort, getracht ontucht te plegen met [slachtoffer D]. Zijn moeder heeft namens hem aangifte hiervan gedaan. [Slachtoffer D] was die dag 13 jaar geworden. Op 18 april 2007 heeft [slachtoffer D] een verklaring bij de politie afgelegd. Hij was samen met zijn [vriend], zijn [broertje] en [getuige 2]. [Getuige 2] wilde sigaretten hebben van een negroïde man en vervolgens zijn zij meegelopen naar diens woning aan de [straat]. De man kwam aangereden op een rode brommer en vroeg hen mee naar binnen. Daar vroeg de man aan [slachtoffer D] of hij mee naar zolder ging. Daar heeft de man tot twee maal toe geprobeerd hem te kussen. Hierop heeft [slachtoffer D] zijn hoofd afgewend en gezegd dat hij dat niet wilde. Op de terugweg naar beneden heeft de man op de trap [slachtoffer D]’s broek vastgepakt, zijn gulp opengemaakt en toen gevraagd of hij een keertje mocht kijken.

[Slachtoffer D] heeft verklaard dat de man gouden boventanden had. Zijn haar was zwart met wat gevlochten. Bij een fotoconfrontatie herkent [slachtoffer D] [verdachte] aan zijn gezicht. [Getuige 2] verklaart dat zij op enig moment naar de zolder ging en zag dat de man, die zij [voornaam verdachte] noemt, vlak voor [slachtoffer D]’s gezicht stond en dat [slachtoffer D] tegen de muur geperst stond. Ook zij noemt de rode brommer en zegt dat de man een gouden tand heeft.

Het standpunt van de verdediging en van de officier van justitie

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting ontkend dat hij degene is geweest die dit feit heeft gepleegd. Zijn raadsman heeft vrijspraak bepleit voor dit feit. De officier van justitie is van mening dat ook voor dit feit, gelet op de verklaringen van [slachtoffer D] en [getuige 2], alsmede de herkenning van de verdachte door [slachtoffer D] bij de fotoconfrontatie, wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank leidt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen af dat het verdachte was die heeft getracht ontuchtige handelingen met [slachtoffer D] te plegen.

De rechtbank merkt nog op dat zij zich ambtshalve ook met betrekking tot dit feit heeft beraden over de vraag of er sprake zou zijn van vrijwillige terugtred. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de feiten en omstandigheden in casu niet aannemelijk maken dat daarvan kan worden gesproken.

Aldus acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de navolgende wijze, namelijk dat

1 subsidiair

hij op 02 maart 2007 te Hoogland, gemeente Amersfoort ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer A] (geboren op [geboortedatum] 1997), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen te plegen,

- die [slachtoffer A] heeft gevraagd met hem, verdachte, mee te gaan naar de woning waar verdachte verbleef [straat], en

- die [slachtoffer A] naar genoemde woning heeft meegenomen en

- vervolgens aan die [slachtoffer A] heeft gevraagd met hem, verdachte, mee te gaan naar een bovenverdieping van die woning en

- die [slachtoffer A] heeft meegenomen naar die bovenverdieping en

- boven aangekomen tegen die [slachtoffer A] heeft gezegd dat die [slachtoffer A] diens schoenen en broek uit moest doen en

- zelf zijn, verdachtes, schoenen en broek (deels) uit heeft gedaan en

- doende is geweest de broekriem van die [slachtoffer A] los te maken,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 02 maart 2007 te Hoogland, gemeente Amersfoort een bromfiets (kleur rood, merk Piaggio, framenummer 25879) voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die bromfiets redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door

misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij in de periode van 01 februari 2007 tot en met 01 maart 2007 te Hoogland, gemeente Amersfoort met [slachtoffer B], geboren op [geboortedatum] 1994, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het ontuchtig vastpakken en betasten en aanraken van de penis van die [slachtoffer B];

4.

hij in de periode van 01 februari 2007 tot en met 01 maart 2007 te Hoogland, gemeente Amersfoort met [slachtoffer C], geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het ontuchtig betasten en aanraken en knijpen van/in de penis van die [slachtoffer C];

5.

hij op 22 februari 2007 te Hoogland, gemeente Amersfoort, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer D], geboren op [geboortedatum] 1994, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen te plegen,

- die [slachtoffer D] heeft gevraagd met hem, verdachte, mee te gaan naar de bovenverdieping van de woning [straat] waarin hij, verdachte, verbleef en

- vervolgens die [slachtoffer D] heeft meegenomen naar die bovenverdieping en

- de broek van die [slachtoffer D] heeft vastgepakt en vastgehouden en

- de gulp van de broek van die [slachtoffer D] heeft geopend en

- die [slachtoffer D] daarbij de woorden heeft toegevoegd: "Ach, laat me een keertje kijken", en

- meermalen heeft getracht die [slachtoffer D] (op de lippen) te kussen en

- die [slachtoffer D] (daarbij) de woorden heeft toegevoegd: "Een kusje, toe, please",

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

T.a.v. feit 1 subsidiair en feit 5:

Poging tot met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 2:

Schuldheling.

T.a.v. feit 3 en feit 4:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich zoals hierboven is beschreven in een tijdsbestek van amper een maand vier keer schuldig gemaakt aan een zedendelict met jonge kinderen. Het oudste slachtoffer was pas net 13 jaar geworden. De verdachte heeft er telkens voor gezorgd dat hij zijn slachtoffer wegleidde bij de andere aanwezige personen. In één geval heeft hij het slachtoffer zelfs meegelokt en weggevoerd naar zijn woning. Dit moet een zeer angstaanjagende ervaring voor het slachtoffer geweest zijn.

Dergelijke feiten kunnen traumatisch zijn voor kinderen en jarenlange psychische problemen met zich brengen. Eerdere vormen van behandeling naar aanleiding van een zedendelict hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om deze feiten te plegen.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan schuldheling van een brommer. Hierdoor heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het misdaadcircuit.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 maart 2007, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor een zedendelict is veroordeeld door de meervoudige strafkamer te Den Haag, te weten op 8 november 2000, en daarbij de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen heeft opgelegd gekregen;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 18 juni 2007, opgemaakt door A.G. Valenkamp, reclasseringswerkster;

- een omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 29 mei 2007 met aanvullingen respectievelijk d.d. 24 augustus 2007 en 12 november 2007 van drs. H. Scharft. In de laatste aanvulling is ook het dossier m.b.t de eerder tenuitvoergelegde pij-maatregel in het advies meegenomen. De rapportage d.d. 12 november 2007 houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Mogelijk zou er ook sprake kunnen zijn van een ziekelijke stoornis in de vorm van pedofilie, maar momenteel zijn er onvoldoende gronden om dit te kunnen diagnostiseren dan wel uit te sluiten. Inmiddels is ook kennisgenomen van de informatie over het verloop van de pij-maatregel en hieruit blijkt dat binnen die pij-maatregel nauwelijks behandelresultaat is bereikt. De in 2000 geconstateerde problematiek is derhalve niet verbeterd door behandeling, zodat de vermindering van de toerekenbaarheid als ongeveer gelijk kan worden beschouwd als in 2000. Op grond hiervan wordt geadviseerd hem het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. Voor wat betreft de heling kan verdachte volledig toerekeningsvatbaar worden verklaard. Bij een bewezenverklaring van de zedendelicten kan men het recidivegevaar als hoog inschatten. Behandeling is dan dringend gewenst, maar is niet mogelijk binnen een vrijwillig kader. Gezien het feit dat een eerdere behandeling niet is aangeslagen en hij inmiddels veel wantrouwen heeft ontwikkeld richting behandelaars, is het ook maar de vraag of betrokkenes problematiek daadwerkelijk behandelbaar zal blijken. Mocht de rechtbank het gevaar voor de maatschappij te hoog achten, dan resteert slechts de terbeschikkingstelling met verpleging.

- een omtrent verdachte opgemaakt psychiatrisch rapport d.d. 23 augustus 2007 met een aanvulling d.d. 15 november 2007 van drs. J. de Jong onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde de gedragskeuzes van betrokkene. Betrokkene kan voor wat betreft de heling volledig toerekeningsvatbaar worden verklaard en voor wat betreft de andere ten laste gelegde feiten inhoudende seksueel misbruik, indien bewezen, verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht.

Het recidiverisico moet hoog genoemd worden. Indien de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden geacht en de rechtbank tot behandeling besluit is een TBS met dwangverpleging op zijn plaats.

De rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van het voorarrest;

- een tbs-maatregel met dwangverpleging.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de maatregel van terbeschikkingstelling in de onderhavige zaak zijn doel voorbijschiet. Immers heeft verdachte geen gebruik gemaakt van geweld en/of bedreiging met geweld.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat uit de rapportage over de eerder opgelegde pij-maatregel is gebleken dat er destijds geen resocialisatiefase is ingebouwd. Deze pij-maatregel is toen weliswaar niet voortgezet omdat deze door het bereiken van de maximale duur van 6 jaren van rechtswege eindigde, maar voortzetting was wel geïndiceerd. Het risico op recidive ook na de pij-maatregel werd zeer hoog geacht. Bij de beantwoording van de vraag welke sanctie aan verdachte zal worden opgelegd voor de thans bewezenverklaarde feiten heeft de rechtbank dit aspect betrokken. De rechtbank heeft zich daarbij ook afgevraagd of de tbs-maatregel bij de onderhavige feiten niet zijn doel voorbijschiet. De verdachte heeft zich in dit geval weliswaar niet schuldig gemaakt aan geweld of bedreiging met geweld, maar het gaat om een zesentwintig jarige man die kinderen van jeugdige leeftijd benadert voor seksuele handelingen. Kinderen, maar ook volwassenen, dienen beschermd te worden tegen dergelijk gedrag dat, naar de ervaring leert, direct maar ook op latere leeftijd bij de slachtoffers daarvan ernstige psychische schade kan veroorzaken. Daarbij komt dat de onderhavige feiten hebben plaatsgevonden binnen drie maanden nadat de eerder aan verdachte wegens een zedendelict opgelegde pij-maatregel van rechtswege was beëindigd.

Gelet hierop acht de rechtbank, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, alsmede een tbs-maatregel met dwangverpleging passend en geboden.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte ter beschikking dient te worden gesteld nu tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

De rechtbank zal daarnaast tevens bevelen dat de ter beschikking te stellen verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, nu de rechtbank van oordeel is dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging eist.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer B]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 3 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 45,30 wegens materiële schade en een bedrag van € 500,-- wegens immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 3 bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 500,-- en de materiële schade wordt begroot op € 45,30, derhalve in totaal € 545,30.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 24c, 27, 36f, 37, 45, 57, 417 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hierboven is vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 9 maanden (zegge: negen maanden).

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld.

Beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer B], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 545,30 (zegge vijfhonderdvijfenveertig euro en dertig eurocent).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 545,30 (zegge vijfhonderdvijfenveertig euro en dertig eurocent) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs J.R. Krol, D.A.C. Koster en W.P.H. Pronk, bijgestaan door mr. V.H. van der Horst als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2008.

Mr Pronk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.