Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2008:BC1570

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
226843/ HA ZA 07-392
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanrijding bij wegversmalling. Geen voorrangsregels. Enekele optrekken niet gevaarzettend. Art. 19 en 54 RVV niet van toepassing.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/11
RAV 2008, 43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 226843 / HA ZA 07-392

Vonnis van 9 januari 2008

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. J.L. van Schoonhoven,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BAARN,

zetelend te Baarn,

gedaagde,

procureur mr. J.M. van Noort,

2. de naamloze vennootschap

FORTIS ASR SCHADEVERZEKERING,

zetelend te Utrecht,

gedaagde,

procureur mr. M.R. Ruygvoorn,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. M.R. Ruygvoorn.

Partijen zullen hierna [eiseres], Gemeente Baarn, Fortis ASR en [gedaagde sub 3] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 juni 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 2 oktober 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 12 november 2004, omstreeks 12.45 uur heeft op de Faas Eliaslaan in Baarn een ongeval plaatsgevonden, waarbij [eiseres] en [gedaagde sub 3] betrokken waren. [eiseres] bestuurde op het moment van het ongeval een scooter en [gedaagde sub 3] reed in een auto, een Daihatsu Cuore. Ten tijde van het ongeval regende het licht.

2.2. Het ongeval vond plaats ter hoogte van Faas Eliaslaan 22. Aldaar is een wegversmalling. Aan weerszijden van de weg zijn op ongeveer één meter van de stoep verhogingen in de weg aangelegd. De ruimte tussen de twee verhogingen is ongeveer drie meter. Op de verhogingen bevinden zich twee zwart-wit gestreepte reflecterende palen. Enkele meters voor de verhogingen en ongeveer één meter vanaf de stoep, is onderbroken wegmarkering aangebracht die kort voor de verhogingen overgaat in een verdrijvingvlak. Aan beide zijden van de wegversmalling zijn op het wegdek met witte verf zigzagstrepen aangebracht. De ongeveer één meter brede strook asfalt tussen de verhogingen en de stoep was ten tijde van het ongeval voorzien van een rode kleur, die enkele meters voor de verhoging werd ingezet.

2.3. Als gevolg van het ongeval heeft [eiseres] een gecompliceerde breuk met verbrijzeld bot in haar been opgelopen. Zij is diverse keren geopereerd.

3. De vordering

3.1. [eiseres] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat de Gemeente Baarn, Fortis ASR en [gedaagde sub 3] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiseres] geleden en te lijden materiële en immateriële schade, welke schade nader moet worden opgemaakt bij staat.

Daarnaast vordert [eiseres] van de Gemeente Baarn, Fortis ASR en [gedaagde sub 3] een voorschot op de schadevergoeding van EUR 5.000,00, te vermeerderen met rente en kosten.

Ten aanzien van Fortis ASR en [gedaagde sub 3]

3.2. [eiseres] stelt ter onderbouwing van haar vordering jegens Fortis ASR en [gedaagde sub 3] dat [gedaagde sub 3] onrechtmatig jegens haar gehandeld heeft door artikel 5 en 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en artikel 54 en 19 van het Reglement verkeersborden en verkeerstekens (RVV) te overtreden. Volgens [eiseres] waren [gedaagde sub 3] en zij aanvankelijk ongeveer even ver verwijderd van de wegversmalling en ging zij er van uit dat [gedaagde sub 3] haar bij het passeren van de versmalling voor zou laten gaan. Zij schrok toen [gedaagde sub 3] vervolgens gas gaf en versnelde, kennelijk om desondanks als eerste de wegversmalling te passeren. Zij heeft toen geremd en is de macht over het stuur verloren, waarna zij met haar scooter is omgevallen en in de richting van de auto van [gedaagde sub 3] is gegleden. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde sub 3], door plotseling op te trekken en haar niet voor te laten gaan gevaarzettend heeft gehandeld en zodoende artikel 5 en 6 WVW heeft overtreden.

3.3. [eiseres] stelt daartoe voorts dat [gedaagde sub 3] artikel 54 RVV, waarin is bepaald dat bestuurders die van rijstrook wisselen het overige verkeer voor moeten laten gaan, heeft overtreden. Volgens haar waren beide rijstroken ter hoogte van de wegversmalling gehalveerd en moet een auto daarom half op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer rijden om de wegversmalling te kunnen passeren, terwijl een bromfiets (doordat deze smaller is) op zijn eigen versmalde weghelft kan blijven rijden. Dit betekent volgens [eiseres] dat [gedaagde sub 3] haar voorrang diende te verlenen.

3.4. Daarnaast stelt [eiseres] dat [gedaagde sub 3] artikel 19 RVV heeft overtreden waarin is bepaald dat een bestuurder zijn voertuig tot stilstand moet kunnen brengen binnen de afstand die hij kan overzien en waarover de weg vrij is. Volgens [eiseres] volgt uit de breuk van haar been dat een wiel van [gedaagde sub 3]’ auto daarop is gereden. Daaruit volgt weer dat [gedaagde sub 3] zijn auto niet tijdig tot stilstand kon brengen en dat hij dus niet heeft voldaan aan het in artikel 19 RVV geformuleerde gebod.

3.5. [eiseres] acht Fortis ASR aansprakelijk op grond van artikel 6 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen.

Ten aanzien van de Gemeente Baarn

3.6. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de Gemeente Baarn op grond van artikel 6:174 en 6:162 BW aansprakelijk is voor de ontstane schade omdat de Gemeente Baarn bij de wegversmalling een onduidelijke – en daardoor gevaarlijke – verkeerssituatie in het leven heeft geroepen. Volgens [eiseres] werkte het verwarrend dat de stroken aan weerszijden van de wegversmalling rood gekleurd waren omdat daarmee de indruk wordt gewekt dat alleen fietsers (en geen bromfietsen) op die stroken mogen rijden. Bovendien waren geen verkeersborden geplaatst om de voorrangssituatie ter plaatse aan te geven. Zowel [eiseres] als [gedaagde sub 3] zijn daardoor in verwarring geraakt.

[eiseres] stelt voorts dat de inrichting van de wegversmalling in strijd was met de Richtlijn Wegmarkering en Bebakening 2005, waarin is bepaald dat voor de markering van fietssuggestiestroken geen afwijkende kleur mag worden gebruikt. Daarnaast wijst [eiseres] er op dat het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) aanbeveelt fietspaden aan te brengen wanneer gebruik wordt gemaakt van een strook naast een wegversmalling.

4. Het verweer

Ten aanzien van Fortis ASR en [gedaagde sub 3]

4.1. Fortis ASR en [gedaagde sub 3] betwisten dat [gedaagde sub 3] gevaarzettend gehandeld heeft. Volgens hen was [gedaagde sub 3] eerder bij de wegversmalling dan [eiseres], en mocht hij deze daarom ook als eerste passeren. Daartoe beroepen zij zich op de door de politie opgestelde situatieschets, waarop aan het ingetekende schuifspoor van de brommer te zien is dat [eiseres] een stuk vóór de wegversmalling al is gevallen.

Voorts stellen Fortis ASR en [gedaagde sub 3] dat [eiseres] tijdens het naderen van de wegversmalling een beweging naar het rechts van haar gelegen rode weggedeelte maakte, waaruit [gedaagde sub 3] heeft mogen afleiden dat [eiseres] de wegversmalling over de hiernaast gelegen fietsstrook zou passeren. Fortis ASR en [gedaagde sub 3] betwisten dat [gedaagde sub 3] zodanig gedrag heeft getoond (bijvoorbeeld door schrikaanjagend motorgeluid te laten horen) dat [eiseres] daarvan in redelijkheid kon schrikken.

4.2. Fortis ASR en [gedaagde sub 3] betwisten dat [gedaagde sub 3] niet in staat is geweest zijn auto tijdig tot stilstand te brengen. Volgens hen stond de auto van [gedaagde sub 3] al stil toen [eiseres] daar tegen aan botste en is de hak van [eiseres] bij die botsing klem komen zitten onder het voorwiel van [gedaagde sub 3]’ auto.

4.3. Fortis ASR en [gedaagde sub 3] betwisten ook dat [gedaagde sub 3] een bijzondere manoeuvre heeft moeten uitvoeren om de wegversmalling te nemen. De Faas Eliaslaan is niet ingedeeld in rijbanen, zodat [gedaagde sub 3] ook niet van weghelft heeft hoeven wisselen om de wegversmalling te kunnen passeren.

4.4. Voor zover er al van uitgegaan zou worden dat [gedaagde sub 3] gevaarzettend heeft gehandeld, betwisten Fortis ASR en [gedaagde sub 3] dat er sprake is van causaal verband tussen dit handelen en de ontstane schade. [eiseres] heeft volgens Fortis ASR en [gedaagde sub 3] zelf een inschattingsfout gemaakt, waarna zij overdreven is geschrokken en door die schrikreactie ten val is gekomen.

4.5. Een mogelijke vergoedingsplicht van Fortis ASR/[gedaagde sub 3] dient volgens Fortis ASR en [gedaagde sub 3] tot nihil te worden verminderd vanwege eigen schuld van [eiseres]. Zij heeft signalen afgegeven die niet strookten met haar rijgedrag, heeft er zonder grond op vertrouwd dat [gedaagde sub 3] haar bij de wegversmalling zou laten voorgaan, reed met een te hoge snelheid, is overdreven geschrokken van de omstandigheden, beheerste haar bromfiets niet en heeft niet voldoende geanticipeerd op het overige verkeer.

Ten aanzien van de Gemeente Baarn

4.6. De Gemeente Baarn wijst er allereerst op dat er naast de wegversmalling op de Faas Eliaslaan fietssuggestiestroken zijn aangelegd. Fietser en bromfietsers mogen van zo’n fietssuggestiestrook gebruik maken, maar zijn hiertoe niet verplicht. [eiseres] had dus over de fietssuggestiestrook mogen rijden. Dat zij dacht dat daar alleen fietsers mochten rijden, komt volgens de Gemeente Baarn voor [eiseres]’s eigen rekening.

4.7. Voorts stelt de Gemeente Baarn dat de Richtlijn Wegmarkering en Bebakening 2005 niet van toepassing is op de onderhavige situatie omdat deze richtlijn ten tijde van het ongeval nog niet van kracht was. Daarnaast ziet deze richtlijn op algemene situaties, waarvoor geen specifieke aanbevelingen zijn gedaan. Voor de situatie zoals die op de Faas Eliaslaan bestaat, is echter wel een specifieke aanbeveling gedaan, te weten de “AASV 2004, Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom”. Daarin is niet opgenomen dat fietssuggestiestroken niet rood van kleur zouden mogen zijn.

4.8. De Gemeente Baarn stelt zich voorts op het standpunt dat het plaatsen van extra verkeersborden de verkeerssituatie gevaarlijker had gemaakt dan thans het geval was.

4.9. De Gemeente Baarn betwist daarnaast dat er sprake is van een causaal verband tussen het verwijt dat [eiseres] haar maakt en de ontstane schade. Volgens de Gemeente Baarn is niet de weginrichting, maar miscommunicatie tussen [eiseres] en [gedaagde sub 3] de oorzaak van de schade. Ook de Gemeente Baarn beroept zich op de eigen schuld van [eiseres]. Volgens de Gemeente Baarn was [eiseres] niet op de hoogte van de verkeersregels met betrekking tot fietssuggestiestroken en wist zij evenmin dat de bestuurder die het eerst bij een wegversmalling arriveert, daar als eerste door mag rijden. Als [eiseres] niet zo sterk was geschrokken, hadden [gedaagde sub 3] en zij elkaar ter hoogte van de versmalling kunnen passeren.

5. De beoordeling

Ten aanzien van Fortis ASR en [gedaagde sub 3]

5.1. In het geschil tussen [eiseres] enerzijds en Fortis ASR en [gedaagde sub 3] anderzijds is de eerste te beantwoorden vraag of [gedaagde sub 3] gevaarzettend heeft gehandeld door bij de wegversmalling op te trekken in plaats van voorrang te verlenen aan [eiseres].

5.2. De rechtbank stelt voorop dat bij een wegversmalling als waar het ongeval heeft plaatsgevonden, geen bijzondere voorrangsregels gelden. Het wordt aan de verkeersdeelnemers overgelaten zelf te regelen wie de wegversmalling het eerst zal passeren, waarbij in de praktijk veelal de verkeersdeelnemer die de versmalling als eerste bereikt, deze ook als eerste passeert, terwijl de andere verkeersdeelnemer hem de gelegenheid daartoe biedt. Dit gegeven brengt met zich dat verkeersdeelnemers bij het naderen van een wegversmalling, zeker als zij die ongeveer gelijktijdig naderen, de nodige voorzichtigheid in acht moeten nemen en er rekening mee moeten houden dat de andere verkeersdeelnemer de versmalling als eerste zou kunnen gaan passeren. Zij dienen hun snelheid daarop aan te passen.

5.3. Volgens [eiseres] kwamen [gedaagde sub 3] en zij ongeveer gelijktijdig aan bij de wegversmalling. De rechtbank is van oordeel dat – zelfs als hiervan wordt uitgegaan – [gedaagde sub 3] niet gevaarzettend heeft gehandeld door op te trekken om de wegversmalling te passeren. Nu er immers geen voorrangsregels golden, overtrad [gedaagde sub 3] op zichzelf geen verkeersregel door aanstalten te maken de versmalling te passeren. Daar komt bij dat [eiseres] er – juist nu er een wegversmalling in de weg was aangebracht waarvoor geen voorrangsregels gelden – op bedacht had moeten zijn dat [gedaagde sub 3] de wegversmalling als eerste zou kunnen gaan passeren. Zij had daarom met een dusdanige snelheid moeten rijden dat zij in staat was geweest haar scooter tot stilstand te brengen toen bleek dat [gedaagde sub 3] als eerste de versmalling wilde passeren. Dat [eiseres] hiertoe niet in staat blijkt te zijn geweest, leidt niet tot de conclusie dat het enkele optrekken/gas geven door [gedaagde sub 3] – ook als dat, zoals [eiseres] stelt, plotseling was – als gevaarzettend of anderszins onrechtmatig jegens [eiseres] moet worden gekwalificeerd. De rechtbank merkt hierbij op dat er omstandigheden denkbaar zijn die het vorenstaande anders maken. Dergelijke omstandigheden zijn echter niet door [eiseres] gesteld en ook niet anderszins aan de rechtbank gebleken.

5.4. De rechtbank verwerpt het beroep van [eiseres] op artikel 19 RVV. Zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1988 (NJ 1989, 129) is artikel 49, tweede lid RVV (oud) – dat is vervangen door het huidige artikel 19 RVV – niet van toepassing als het object dat voor de bestuurder van een voertuig de weg niet vrij doet zijn, wordt gevormd door een hem tegemoetkomend voertuig. Nu [eiseres] [gedaagde sub 3] in tegengestelde richting tegemoet reed, doet die situatie zich in het onderhavige geval voor. Anders dan [eiseres] stelt, is artikel 19 RVV daarom niet van toepassing en kan in het midden blijven of [gedaagde sub 3] al stilstond toen [eiseres] tegen de auto aankwam, of nog niet.

5.5. De rechtbank verwerpt eveneens het beroep van [eiseres] op artikel 54 RVV. Op de Faas Eliaslaan was bij de wegversmalling de voorrang niet geregeld. Ook was uit de vormgeving van de weg niet af te leiden dat één rijrichting ophield te bestaan of dat beide weghelften werden gehalveerd. De rechtbank is van oordeel dat in een dergelijk geval de beide weghelften niet worden gehalveerd, zoals [eiseres] betoogt, maar dat veeleer beide weghelften samenvloeien tot één rijstrook voor het verkeer uit beide rijrichtingen. [gedaagde sub 3] heeft daarom artikel 54 RVV niet overtreden door op die ene, ook voor uit zijn rijrichting komend verkeer bestemde, rijbaan te rijden.

5.6. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 3] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres], zodat de vorderingen van [eiseres] jegens [gedaagde sub 3] en Fortis ASR zullen worden afgewezen.

Ten aanzien van de Gemeente Baarn

5.7. In het geschil tussen [eiseres] en de Gemeente Baarn baseert [eiseres] haar vordering op de stelling dat onduidelijk was of zij over de fietssuggestiestroken mocht rijden nu deze stroken aan weerszijden van de wegversmalling rood gekleurd waren en geen verkeersborden geplaatst om deze situatie te verduidelijken. Bovendien zou de weginrichting in strijd zijn met de toepasselijke regelgeving.

De rechtbank is van oordeel dat – zelfs als wordt aangenomen dat de stellingen van [eiseres] op dit punt juist zijn – dit hooguit tot gevolg kan hebben gehad dat [eiseres] in de veronderstelling verkeerde dat zij niet over het fietspad mocht rijden, waardoor zij op de rijbaan is gaan rijden. Eenmaal op de rijbaan aangekomen, gold echter dat [eiseres] er op bedacht moest zijn dat [gedaagde sub 3] de wegversmalling als eerste zou passeren en dat zij haar snelheid hierop moest aanpassen, zoals de rechtbank hiervoor onder ?5.2 en ?5.3 heeft overwogen. Het ongeval zelf is daarom niet aan te merken als een gevolg van het feit dat bij [eiseres] – al dan niet terecht – verwarring is onstaan over de vraag of zij op het fietspad mocht rijden. Het enkele feit dat het ongeval zou zijn voorkomen als [eiseres] op het fietspad was gaan rijden, maakt dit niet anders. De rechtbank is om deze reden van oordeel dat geen causaal verband bestaat tussen de door [eiseres] aan de Gemeente Baarn verweten gedraging en de ontstane schade. Derhalve kan in het midden blijven of de weginrichting in strijd was met de door [eiseres] aangehaalde regelgeving.

Gezien het vorenstaande zullen ook de vorderingen tegen de Gemeente Baarn worden afgewezen.

5.8. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Fortis ASR en [gedaagde sub 3] tezamen worden begroot op:

- vast recht EUR 300,00

- salaris procureur 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.068,00

5.9. De kosten aan de zijde van de Gemeente Baarn worden begroot op:

- vast recht EUR 300,00

- salaris procureur 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.068,00

5.10. De door Fortis ASR/[gedaagde sub 3] en de Gemeente Baarn gevorderde veroordeling in nakosten moet worden afgewezen, nu in artikel 237 lid 4 Rv voor het verhaal van deze kosten een bijzondere procedure is voorgeschreven.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Fortis ASR en [gedaagde sub 3] tot op heden begroot op EUR 1.068,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, en aan de zijde van de Gemeente Baarn tot op heden begroot op EUR 1.068,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, mr. J.P. Killian en mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2008.

w.g. griffier w.g. rechter