Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BL5496

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
524644 AC EXPL 07-2840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering echtgenoot overleden werknemer tot betaling van overlijdensuitkering, vakantietoeslag, vakantiedagen c.a. Op grond van art. 7:674 lid 2 BW heeft de echtgenoot van de overleden werknemer recht op uitkering van het loon. Daarvoor is niet vereist dat deze echtgenoot erfgenaam is en de nalatenschap heeft aanvaard. Loon en vakantietoeslag dus toewijsbaar. Wettelijke verhoging op grond van wetsgeschiedenis eveneens toewijsbaar. Vordering met betrekking tot niet opgenomen vakantiedagen valt weliswaar niet onder reikwijdte van art. 7:674 lid 2 BW, maar valt wel in de nalatenschap, dus eveneens toewijsbaar. Ex-werkgever had toezegging gedaan tot vergoeding van deze vakantiedagen. Op grond van opstelling ex-werkgever wettelijke verhoging niet gematigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0192
PJ 2010, 71

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Amersfoort

zaaknummer: 524644 AC EXPL 07-2840 PK

vonnis d.d. 18 juli 2007

[eiser]

wonende te [woonplaats]

hierna ook te noemen [eiser]

eisende partij,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Stronghold Bedrijfsjuristen B.V.

gevestigd Vlasakkerweg 48

3811 MT Amersfoort

hierna ook te noemen Stronghold

gedaagde partij.

1. Verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 6 juni 2007.

[eiser] heeft voorafgaand aan de comparitie nog stukken in het geding gebracht.

De comparitie is gehouden op 4 juli 2007. Stronghold is zonder bericht niet verschenen. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Mevrouw [echtgenote], destijds gehuwd met [eiser], is op [2006] overleden. Op dat moment was zij in dienst bij Stronghold. Haar bruto maandloon bedroeg laatstelijk € 3.263, .

2.2. [eiser] vordert veroordeling van Stronghold tot:

a. betaling van een bedrag van € 3.263, bruto ter zake van overlijdensuitkering;

b. betaling van een bedrag van € 261,04 bruto ter zake van vakantietoeslag;

c. betaling van een bedrag van € 1.854,75 bruto ter zake van openstaande vakantiedagen;

d. betaling van een bedrag van € 2.689,40 bruto ter zake van wettelijke verhoging;

e. betaling van de wettelijke rente over de som van de onder a., b. en c. genoemde bedragen vanaf 1 juli 2006 tot de voldoening;

f. verstrekking van een correcte eindafrekening met betrekking tot de gevorderde bedragen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 150, per dag met een maximum van € 7.500, ;

met veroordeling van Stronghold in de proceskosten.

2.3. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij jegens Stronghold recht heeft op betaling van een overlijdensuitkering als bedoeld in art. 7:674 BW ter hoogte van één maandloon, te vermeerderen met vakantietoeslag, en voorts dat hij als erfgenaam recht heeft op uitbetaling van de opgebouwde, niet genoten, vakantiedagen.

2.4. Stronghold voert verweer. Voor zover nodig zal de kantonrechter daarop in het navolgende ingaan.

2.5. Stronghold heeft erop gewezen dat niet duidelijk is of [eiser] erfgenaam van mevrouw [echtgenote] is, en of hij de nalatenschap heeft geaccepteerd. Naar aanleiding hiervan heeft [eiser] een verklaring van erfrecht overgelegd, waarin is vermeld dat hij enig erfgenaam is en dat hij de nalatenschap heeft aanvaard, welke verklaring niet door Stronghold is betwist. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [eiser] enig erfgenaam is en de nalatenschap heeft aanvaard.

2.6. De kantonrechter overweegt voorts het volgende.

De hoogte van de door [eiser] onder a., b. en c. gevorderde bedragen wordt op zichzelf niet door Stronghold betwist, zodat de kantonrechter van die bedragen zal uitgaan.

Op grond van art. 7:674 BW heeft de echtgenoot van de overleden werknemer jegens de ex-werkgever recht op betaling van een uitkering ten bedrage van het loon dat de werknemer laatstelijk rechtens toekwam. Deze bepaling stelt niet als voorwaarde dat de echtgenoot van de overleden werknemer erfgenaam is en de nalatenschap heeft aanvaard. Reeds hierom is het onder a. gevorderde bedrag toewijsbaar.

2.7. Nu de vakantietoeslag deel uitmaakt van het loon dat de werknemer laatstelijk toekwam, zoals in art. 7:674 lid 2 BW bedoeld, is ook het onder b. gevorderde bedrag toewijsbaar.

2.8. Met betrekking tot de gevorderde wettelijke verhoging over de overlijdensuitkering en vakantietoeslag overweegt de kantonrechter het volgende.

De wetsgeschiedenis van art. 7:674 (destijds: art. 1639l) BW vermeldt het volgende:

“Het loon dient niet alleen voor het onderhoud van de werknemer persoonlijk, doch ook voor dat van zijn gezin, zodat de verplichting van loonbetaling mede behoort te omvatten de doorbetaling van het loon of een looncompenserende uitkering gedurende enige tijd na het overlijden van de werknemer, opdat het gezin niet van de ene dag op de andere van de normale inkomsten verstoken wordt en geleidelijk maatregelen kan treffen om zich aan te passen aan de toekomstige uitkeringen krachtens pensioenvoorzieningen (MvA Kamerstukken II 1996/1970, 10196, nr. 6 p.2)”.

Naar het oordeel van de kantonrechter is de overlijdensuitkering op grond van voormelde wetsgeschiedenis zodanig met (doorbetaling gedurende één maand van het) loon gelijk te stellen dat de wettelijke verhoging ook over de overlijdensuitkering verschuldigd is indien de (ex )werkgever niet tijdig betaalt. Uit de passage in de MvA “opdat het gezin niet van de ene dag op de andere van de normale inkomsten verstoken wordt” leidt de kantonrechter voorts af dat de overlijdensuitkering direct opeisbaar is. Nu de overlijdensuitkering en de vakantietoeslag niet binnen de in art. 7:625 BW bepaalde termijn zijn betaald, is de wettelijke verhoging ook over deze posten toewijsbaar.

2.9. De vordering wegens niet opgenomen vakantiedagen is eveneens toewijsbaar. Zij valt weliswaar niet onder de reikwijdte van art. 7:674 BW, maar wel in de nalatenschap van mevrouw [echtgenote], van wie [eiser] enig erfgenaam is. De over dit bedrag verschuldigde wettelijke rente en wettelijke verhoging zijn als na te melden toewijsbaar.

Voor zover Stronghold bedoeld heeft zich erop te beroepen dat zij niet in verzuim is zolang niet duidelijk was aan wie als erfgenaam bevrijdend betaald kon worden, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. [eiser] heeft immers bij dagvaarding brieven overgelegd van 18 oktober 2006, 3 november 2006 en 22 februari 2007, waarin zij aan Stronghold de toezegging van Stronghold bevestigt dat laatstgenoemde de resterende vakantiedagen zou vergoeden. Stronghold heeft niet betwist dat deze toezegging is gedaan, waaruit de kantonrechter afleidt dat het haar destijds kennelijk niet onduidelijk was aan wie zij bevrijdend zou kunnen betalen. Indien dit anders was geweest had het op haar weg gelegen destijds hierover opheldering te vragen, waarna - naar de kantonrechter aanneemt - [eiser] de thans bij brief aan de kantonrechter van 25 juni 2007 overgelegde verklaring van erfrecht van 3 juli 2006 zou hebben overgelegd, waarmee de door Stronghold opgeworpen onduidelijkheid (toen reeds) zou zijn weggenomen.

2.10. Op grond van de opstelling van Stronghold voorafgaand en tijdens deze procedure ziet de kantonrechter geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen, zoals Stronghold heeft verzocht.

2.11. De slotsom is dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van (€ 3.263, + € 261,04 + € 1.854,75) = € 5.278,79 x 150% = € 8.068,72 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente over € 5.278,79 vanaf 1 juli 2006 tot de dag der voldoening.

2.12. Stronghold zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Stronghold om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 8.068,72 bruto met de wettelijke rente over

€ 5.278,79 vanaf 1 juli 2006 tot de voldoening;

veroordeelt Stronghold om aan [eiser] te verstrekken een correcte eindafrekening met betrekking tot de toegewezen bedragen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 150, per dag indien Stronghold langer dan drie weken na de betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 7.500, ;

veroordeelt Stronghold tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op

€ 325,21, waarin begrepen € 30, aan salaris;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af..

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2007.