Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC4363

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
235662/FA RK 07-4886 + 235476/ FA RK 07-4781 + 235081/ FA RK 07-4626
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toestemming verhuizing buitenland, gezag, omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 235662 / FA RK 07-4886

235476 / FA RK 07-4781

235081 / FA RK 07-4626

plaatsing buitenland/omgang/gezag

Beschikking van 24 oktober 2007

in de zaken betreffende

[kind],

geboren op 29 januari 2000 te [geboorteplaats],

verblijvende in een pleeggezin,

met als belanghebbenden:

[moeder],

wonende te [woonplaats],

procureur mr. W.A. Voorips-Breddels,

nader te noemen: de moeder,

tevens verzoekster,

[vader],

wonende te [woonplaats],

procureur mr. L.S. Meijer,

nader te noemen: de vader,

[pleegmoeder],

en

[pleegvader],

beiden wonende te [woonplaats],

nader te noemen: de pleegouders,

BUREAU JEUGDZORG UTRECHT,

nader te noemen: BJZ,

tevens verzoekster,

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

vestiging Utrecht.

1. Verloop van de procedure

Bureau Jeugdzorg Utrecht heeft op 1 augustus 2007 ter griffie van deze rechtbank een tweetal verzoekschriften ingediend, namelijk tot toestemming plaatsing in het buitenland en tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige [kind].

De moeder heeft op haar beurt op 6 augustus 2007 een verzoek tot toekenning ouderlijk gezag ingediend gevolgd door een verweerschrift ten aanzien van de verzoeken van BJZ op 19 september 2007.

Op 18 september 2007 is ter griffie van deze rechtbank een brief van de pleegouders binnengekomen.

De rechtbank heeft op 21 september 2007 kennisgenomen van een brief van mr. Meijer.

Op 27 september 2007 is ter griffie van deze rechtbank een brief binnengekomen van

mw. A. Terstappen, teamcoördinator, namens De Rading (voorziening voor pleeggezinnen).

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 28 september 2007.

2. Vaststaande feiten

- De vader en de moeder hebben een relatie gehad.

- Op 29 januari 2000 te [geboorteplaats] is de minderjarige

[kind] geboren.

- De vader heeft [kind] op 16 november 2004 erkend, waarbij gekozen is voor de geslachtsnaam [achternaam vader].

- Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 29 september 2000 is de Stichting Leger des Heils Welzijn- en Gezondheidszorg tot voogdes over [kind] benoemd, aangezien de moeder vanwege haar leeftijd niet bevoegd was tot uitoefening van het ouderlijk gezag.

- De kantonrechter te Utrecht, locatie Amersfoort, heeft bij beschikking van

19 augustus 2004 voornoemde Stichting ontslagen van de voogdij en Bureau Jeugdzorg Utrecht tot voogdes benoemd.

3. Beoordeling van het verzochte

3.1 Verzoek BJZ

Bureau Jeugdzorg Utrecht heeft verzocht om toestemming te verlenen om [kind] in Frankrijk te plaatsen. De aanleiding voor dit verzoek is als volgt. [kind] woont sinds

29 januari 2007 weer bij de pleegouders, nadat zij hier al eerder enige tijd verbleef. De pleegouders van [kind] hebben aangegeven dat zij voornemens zijn om naar Frankrijk te verhuizen. BJZ acht het in het belang van [kind] dat zij opgroeit in dit perspectiefbiedende gezin en dat zij dan ook meeverhuist naar Frankrijk. Tevens acht BJZ het van belang dat de omgang tussen [kind] en haar moeder gewaarborgd wordt en verzoekt daarom een omgangsregeling vast te stellen. De pleegouders hebben aangegeven dat zij bereid zijn om eens in de zes weken naar Nederland te komen, zodat [kind] en haar moeder dan omgang met elkaar kunnen hebben. BJZ kan zich vinden in dit voorstel.

3.2 Verweer moeder en zelfstandig verzoek

De moeder heeft tegen beide verzoeken verweer gevoerd. Tevens heeft zij een verzoekschrift ingediend om haar met het ouderlijk gezag te belasten. De moeder voert aan dat er, ondanks de positieve uitkomst van het onderzoek van het Ambulatorium van oktober 2004, geen pogingen zijn ondernomen om de frequentie van de bezoekregeling met [kind] te verhogen dan wel dat er acties zijn genomen die er toe zouden leiden dat [kind] mogelijk weer bij haar zou kunnen worden geplaatst. Voorts stelt de moeder dat haar was verteld dat de pleegouders niet naar Frankrijk zouden verhuizen wanneer [kind] bij hun geplaatst zou worden. Als de moeder dit had geweten, dan had zij nimmer met de plaatsing ingestemd. Een verhuizing naar Frankrijk acht zij niet in het belang van [kind]. Zij zal daar een nieuwe wereld moeten opbouwen, een nieuwe taal dienen te leren en naar een andere school moeten gaan. De moeder is van mening dat zij het beste met het gezag over [kind] kan worden belast. Zij zal op alle fronten meewerken met BJZ en maakt ook geen bezwaar tegen een eventuele ondertoezichtstelling.

3.3 Standpunt vader

De vader is het niet eens met de verzoeken van BJZ. Hij maakt zich zorgen. Volgens de vader is de moeder capabel om zelf voor [kind] te zorgen. Hij steunt haar in haar zelfstandig verzoek.

3.4 Standpunt pleegouders

De pleegouders staan achter de verzoeken van BJZ. Zij betreuren het dat er bij de moeder verwarring is ontstaan over hun verhuisplannen naar Frankrijk. In september 2006 is BJZ van deze plannen op de hoogte gebracht en is [kind] in die wetenschap bij de pleegouders geplaatst. Het gaat goed met [kind], aldus de pleegouders. Zij is inmiddels meerdere keren naar het huis in Frankrijk geweest en heeft het daar naar haar zin. De pleegouders zullen zich inzetten om het contact en de omgang tussen [kind] en haar moeder te realiseren.

3.5 Advies Raad voor de Kinderbescherming

De Raad is van mening dat ondanks het vertrek naar Frankrijk het in het belang van [kind] is dat zij bij haar pleegouders blijft wonen. Wel acht de Raad het van belang dat er contact tussen moeder en [kind] is, zodat zij een band met elkaar op kunnen bouwen. De omgang zal wellicht minder frequent zijn, maar de omgangsmomenten zouden wel langer kunnen duren.

3.6 Inhoudelijke beoordeling

De kinderechter constateert dat [kind] in haar jonge leven al op vele verschillende plaatsen heeft gewoond. Aanvankelijk woonde zij bij haar ouders. Aangezien de moeder ondersteuning bij de opvoeding en verzorging van [kind] nodig had, verbleef [kind] vaak bij haar overgrootouders. Deze situatie is geformaliseerd in een netwerkplaatsing, waarbij [kind] door de week bij de grootmoeder van de moeder verbleef en in het weekend bij de moeder. Aan deze situatie is eind 2003 een einde gekomen. [kind] is toen in een Piop-gezin geplaatst, de huidige pleegouders. Deze plaatsing heeft tot maart 2003 geduurd. Vervolgens is [kind] naar een perspectiefbiedend pleeggezin gegaan. Dit bleek helaas geen goede plek voor haar. Zij is vervolgens geplaatst op Kinabu. Daar werd eind 2006 geconstateerd dat het in het belang van [kind] is om in een pleeggezin op te groeien. Tijdens de opname in Kinabu is voorts gebleken dat de moeder in het leven van [kind] geen gezaghebbende rol speelt. In januari van dit jaar is [kind] weer teruggegaan naar haar huidige pleegouders.

Ondanks de verschillende verhuizingen van [kind] is er één stabiele factor in haar leven, namelijk de pleegouders. Sinds de dag dat [kind] in hun leven kwam zijn zij zeer betrokken op haar geweest. Ook in de periode dat [kind] in Kinabu verblijft zijn zij, in tegenstelling tot de ouders, degenen geweest die haar regelmatig bezoeken. In de weekenden en vakanties verblijft [kind] ook bij hen. De band die [kind] en de pleegouders met elkaar opgebouwd hebben, heeft geresulteerd in een perspectiefbiedende plaatsing bij de pleegouders. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde op de zitting blijkt dat het naar omstandigheden goed gaat met [kind]. Zij heeft haar plek gevonden bij de pleegouders. Daarnaast is gebleken dat het ook met de moeder goed gaat. Zij heeft haar leven op orde en wil niets liever dan zelf voor [kind] zorgen. Volgens eerder onderzoek van het Ambulatorium uit oktober 2004 kan over worden gegaan tot een intensieve bezoekregeling en kan na verloop van tijd helder worden of overgegaan kan worden tot terugplaatsing. Om voor de kinderrechter onverklaarbare redenen is niet geprobeerd een intensievere omgangsregeling tussen [kind] en haar moeder tot stand te brengen. Daar komt bij dat de moeder, vanwege gebrekkige communicatie vanuit BJZ, in de veronderstelling leefde dat de pleegouders van hun verhuisplannen af zouden zien op het moment dat [kind] definitief bij hun zou worden geplaatst. De pleegouders hebben ter zitting aangegeven altijd het plan gehad te hebben om naar Frankrijk te verhuizen, ook als [kind] bij hun zou komen wonen. De verschillende instanties waren van de verhuisplannen op de hoogte en zijn met deze wetenschap in hun achterhoofd tot definitieve plaatsing van [kind] overgegaan. De kinderrechter betreurt deze hele gang van zaken ten zeerste. Ondanks de inzet van de moeder heeft zij niet de mogelijkheid gekregen om meer contact met haar dochter te krijgen en wordt zij thans geconfronteerd met de verzoeken van BJZ.

De kinderrechter is van oordeel dat bij de beantwoording van alle verzoeken het belang van [kind] voorop staat. De kinderrechter constateert dat het naar omstandigheden goed met haar gaat en dat de pleegouders al geruime tijd een belangrijke rol spelen. Zij vormen de enige stabiele factor in haar leven en zijn in staat om [kind] die structuur en geborgenheid te bieden die zij nodig heeft. De kinderrechter acht het in het belang van [kind] dat zij in deze stabiele gezinssituatie verder kan opgroeien en zal het verzoek van BJZ om toestemming te geven om tot plaatsing in het buitenland over te gaan dan ook toewijzen. Het verzoek van de moeder tot toekenning van ouderlijk gezag zal derhalve worden afgewezen.

De kinderrechter realiseert zich dat deze beslissing verstrekkende gevolgen heeft voor het contact tussen de moeder en [kind]. De kinderrechter acht het dan ook van groot belang dat er een goede omgangsregeling tot stand komt. Ondanks de afstand ziet de kinderrechter voldoende mogelijkheden hiertoe, niet in de laatste plaats vanwege de positieve houding van de pleegouders. Zij zijn zich zeer bewust dat goed contact tussen [kind] en haar moeder belangrijk is. Zij hebben dan ook verklaard met [kind] Nederlands te blijven spreken, zodat de taal geen barrière voor omgang tussen moeder en dochter hoeft te zijn. Ook zullen de pleegouders contact via de e-mail, web-cam en telefoon stimuleren. Voorts hebben zij een vakantiewoning in de buurt van de moeder gekocht, zodat er ook in Nederland geen belemmeringen voor de omgang zijn en tot slot hebben zij de moeder uitgenodigd om [kind] bij hun in Frankrijk op te komen zoeken. Alle voorwaarden om tot een succesvolle omgangsregeling te komen zijn naar het oordeel van de kinderrechter aanwezig. De kinderrechter zal een regeling opleggen van één dagdeel per zes weken, zo veel mogelijk aan te sluiten bij de schoolvakanties van [kind], waarbij de eerste vier keer de omgang plaatsvindt in de vakantiewoning van de pleegouders te [woonplaats]. Vervolgens kan deze regeling in overleg met de pleegouders, de moeder en de gezinsvoogd worden uitgebreid met contactmomenten buiten de vakantiewoning van de pleegouders, bijvoorbeeld bij de moeder thuis. Het streven is om uiteindelijk omgang met een overnachting plaats te laten vinden.

Tot slot spreekt de kinderrechter spreekt de hoop uit dat alle voor [kind] belangrijke volwassen personen zich op haar toekomst zullen richten en eensgezind invulling zullen geven aan de omgangsregeling.

Op de zitting hebben alle partijen aangegeven dat zij de kinderrechter in overweging geven de beslissingen niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kinderrechter acht dit in het belang van [kind] en zal daartoe niet over gaan.

4. Beslissing

Op het verzoekschrift van de moeder:

- De kinderrechter wijst de verzoeken af.

Op de verzoekschriften van Bureau Jeugdzorg Utrecht:

- De kinderrechter verleent Bureau Jeugdzorg Utrecht toestemming om [kind] te plaatsen in Frankrijk.

- De moeder heeft recht op omgang met de minderjarige en wel één dagdeel per zes weken, zo veel mogelijk aan te sluiten bij de schoolvakanties van [kind], waarbij de eerste vier keer de omgang plaatsvindt in de vakantiewoning van de pleegouders te [woonplaats].

- Hetgeen meer of anders is verzocht wordt afgewezen.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, op 24 oktober 2007, in tegenwoordigheid van mr. drs. S. Verhoeven, griffier.