Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC2699

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
16/806406-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Malzwin

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/806406-07

Datum uitspraak: 21 december 2007

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres], [woonplaats].

Raadsman: mr. L. de Leon.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

6 december 2007 en 7 december 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat het tenlastegelegde onvoldoende bepaalbaar is in de zin van artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, waardoor verdachte niet weet waartegen hij zich moet verdedigen. Dit dient te leiden tot nietigheid van de dagvaarding, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt:

De door de officier van justitie in de tenlastelegging opgenomen pleegperiode en pleegplaats, alsmede de concretisering van een partij van 2000 kilogram hashish en/of hennep, in combinatie met de inhoud van het proces-verbaal betreffende zaaksdossier 8, maken dat het ten laste gelegde feit voldoende bepaalbaar is in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank is van oordeel dat het voor verdachte duidelijk is geweest welke gedragingen hem door de officier van justitie worden verweten.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft voorts aangevoerd dat de verbalisanten tijdens het verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] opzettelijk bepaalde essentiële gegevens onjuist hebben vermeld dan wel hebben verdraaid. Verbalisanten hebben hiermee [medeverdachte 1] onder druk gezet om belastende verklaringen jegens zijn cliënt af te leggen. Hierdoor is sprake van een ernstige inbreuk op de procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een faire behandeling van de zaak tekort is gedaan, aldus de raadsman. Daarom dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard, subsidiair dient de rechtbank over te gaan tot bewijsuitsluiting dan wel strafmatiging.

De rechtbank is van oordeel dat uit de in het dossier opgenomen verhoren van medeverdachte [medeverdachte 1] niet volgt dat sprake is van dusdanige opmerkingen door de verbalisanten dat [medeverdachte 1] doelbewust zou zijn misleid. Niet aannemelijk is geworden dat de verbalisanten getracht hebben [medeverdachte 1] op een dwaalspoor te brengen om zodoende een tegen de verdachte belastende verklaring te verkrijgen.

De rechtbank verwerpt daarom zowel het primair als het subsidiair gevoerde verweer van de raadsman.

De bewezenverklaring

De raadsman van verdachte heeft voorts ter terechtzitting betoogd dat de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] tegenover de politie afgelegd niet tot het bewijs gebruikt mogen worden, nu zij zich bij de rechter-commissaris op hun verschoningsrecht hebben beroepen en de verdediging daardoor onvoldoende de gelegenheid heeft gehad de getuigen te ondervragen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De enkele omstandigheid, dat een getuige bij de rechter-commissaris op een wettige grond weigert een verklaring af te leggen, brengt niet mee dat inbreuk wordt gemaakt op het ondervragingsrecht van de verdediging. Voormelde omstandigheid dient evenmin tot gevolg te hebben dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen niet als bewijsmiddel gebruikt kunnen worden nu de door [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] afgelegde verklaringen elkaar onderling voldoende ondersteunen en deze verklaringen tevens voldoende ondersteund worden door de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

De raadsman van verdachte heeft voorts ter terechtzitting betoogd dat de betrokkenheid van verdachte alleen uit de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zou kunnen worden afgeleid. Deze verklaringen zijn echter, gezien de onderlinge en uiterlijke tegenstrijdigheden en feitelijke onjuistheden, dermate onbetrouwbaar dat deze verklaringen niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden, aldus de raadsman.

Het is de rechtbank na onderzoek niet gebleken dat de door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen tegenstrijdig zijn. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verklaren op belangrijke punten eerder voortdurend gelijkluidend.

Daar komt bij dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met de door hen afgelegde verklaringen niet alleen de medeverdachten, maar ook zichzelf in belangrijke mate belasten.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet op zichzelf staan, maar door andere bewijsmiddelen in het dossier worden ondersteund.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrouwbaar zijn en gebruikt kunnen worden voor het bewijs.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van

1 september 2006 tot en met 23 januari 2007 heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 3C van de Opiumwet. Op grond van de in het dossier opgenomen verklaringen blijkt dat sprake is geweest van een drietal transporten van hasj, te weten in november 2006, in december 2006 en in januari 2007. De rechtbank acht bewezen dat verdachte bij de transporten in december 2006 en in januari 2007 betrokken is geweest.

Tijdens een op 13 januari 2007 tussen medeverdachte [medeverdachte 3] en verdachte gevoerd telefoongesprek zei verdachte dat hij om zeven uur zijn bed uitgaat en dan “rammen met die handel”. Verdachte zei dat hij het klaar wil hebben. Medeverdachte [medeverdachte 3] verklaarde over dit gesprek dat met “rammen met die handel” werd bedoeld het inpakken van hasj en dat verdachte op het terrein van de firma [naam medeverdachte 1+2] ook hasj heeft ingepakt . Voorts verklaarde medeverdachte [medeverdachte 3] dat hij op een avond na dat transport bij “Ep” (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte]) is geweest en dat onder andere [medeverdachte 4] daar bij was. Er is toen gesproken over het transport wat in januari had plaatsgevonden. Ook verklaarde [medeverdachte 3] dat de call-max-piepers, welke gebruikt werden voor de hasjhandel, in gebruik waren bij onder andere [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [verdachte], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]. Al deze personen zaten in de hasjhandel, aldus de verklaring van [medeverdachte 6].

Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaarde bij de politie dat voor de kerst van 2006 hij en zijn broer [medeverdachte 2] twee bestelbussen hebben uitgeleend aan [medeverdachte 4] en verdachte. [medeverdachte 4] reed in de Mercedes en verdachte reed in de Volkswagen.

Die avond hadden [medeverdachte 4], [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de Mercedes uitgeladen. Er zaten kartonnen dozen in met daarin blokken met juten zakken er om heen.

Er ging wel eens een doos stuk en dan kon je zien dat er vierkante blokken in zaten met een hengsel er aan.

[medeverdachte 1] verklaarde te denken dat er hasj in zat. Er stonden zo’n twintig dozen in de bus van vijfentwintig tot dertig kilo per stuk. In de Volkswagen bus zaten dezelfde dozen. Deze bus hadden ze de dag erna meegenomen met de dozen erin. Die avond kwam [medeverdachte 1] er achter dat het alarm niet werkte en toen is verdachte blijven slapen in de garage.

Deze verklaring wordt ondersteund door het in het dossier opgenomen telefoongesprek d.d. 19 december 2006, waarin verdachte zegt dat hij naar die kale in De Meern rijdt en daar gaat slapen, omdat het alarm niet werkt . [medeverdachte 1] schatte de inhoud van de dozen op 1500 kilo.

De rechtbank overweegt voorts nog dat tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte aan [woonadres] te [woonplaats] op 23 januari 2007 door de politie twee plakken hasj werden aangetroffen .

Op grond van voornoemde acht de rechtbank het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

- Verdachte heeft gedurende een periode van drie maanden deelgenomen aan twee transporten van hasjiesj. De hoeveelheid hasjiesj is van dien aard geweest dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding. Verdachte houdt met deze handelingen het gebruik van verdovende middelen in stand.

Algemeen bekend is dat de handel in softdrugs een lucratieve handel is, waarmee enorme winsten worden gemaakt. Blijkens de verklaringen in het dossier zijn de twee transporten, waarbij verdachte betrokken is geweest, goed verlopen en moet ook verdachte geld aan deze transporten verdiend hebben.

- Verdachte gaat met zijn handelingen voorbij aan de gevaren van verdovende middelen voor de volksgezondheid. Het misdadige handelen van verdachte en zijn mededaders schaadt bovendien het aanzien van Nederland in het buitenland.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 november 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest;

- de twee in beslag genomen plakken hasj onttrekken aan het verkeer.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een taakstraf en een geldboete als na te melden passend en geboden.

Dit betekent dat aan de verdachte een lagere straf wordt opgelegd dan door de officier van justitie gevorderd.

Enerzijds overweegt de rechtbank dat sprake is van een ernstig strafbaar feit. Verdachte geeft ter terechtzitting aan antwoord te willen geven op vragen die hem worden gesteld, echter op concrete vragen over het hem ten laste gelegde feit beroept verdachte zich op zijn zwijgrecht. Door deze proceshouding, alsmede door het feit dat verdachte ook bij de politie geen verklaring heeft willen afleggen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte kennelijk geen enkele verantwoordelijkheid wenst te nemen voor zijn aandeel in de hasj-transporten.

Anderzijds overweegt de rechtbank dat verdachte blijkens de inhoud van het dossier geen centrale, sturende rol in de transporten van hasjiesj heeft gespeeld, maar dat de verdachte meer als tussenpersoon heeft gefungeerd.

De rechtbank acht het opleggen van een geldboete passend aangezien verdachte louter uit oogpunt van financieel gewin heeft gehandeld.

Onttrekking aan het verkeer:

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2 plakken hasj,

zullen onttrokken worden verklaard aan het verkeer, aangezien deze voorwerpen tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 11 en 13a van de Opiumwet.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld in bijlage II van het vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 180 UREN, te vervangen door hechtenis voor de duur van 90 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Veroordeelt de verdachte voorts tot betaling van een GELDBOETE van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 55 dagen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: 2 plakken hasj.

Dit vonnis is gewezen door mrs P. Bender, P.K. van Riemsdijk en A.G. Bakker, bijgestaan door mr. K.F. van Dam als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2007.