Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC2191

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-12-2007
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
16/600638-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/600638-07

Datum uitspraak: 27 december 2007

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichtingen Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Raadsman: mr. P.D. Labee.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

17 december 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde feit vrijgesproken dient te worden.

De raadsman heeft vrijspraak betoogd voor het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde feit.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit als volgt:

[slachtoffer] (hierna: “[slachtoffer]”) en verdachte hebben rond 20 mei 2006 een relatie met elkaar gekregen die tot in september 2006 heeft geduurd. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij ongeveer 2 à 3 weken na 20 mei 2006 door verdachte is bedreigd nadat zij de relatie had verbroken. Verdachte zou via MSN tegen haar hebben gezegd dat ze bij verdachte moest terugkomen en dat anders zij en haar familie “er geweest’ waren. Onder invloed van die dreiging zou vervolgens de relatie tussen [slachtoffer] en verdachte zijn hersteld. Voorts heeft [slachtoffer] verklaard dat zij drie keer geslachtsgemeenschap heeft gehad met verdachte en dat dit gepaard ging met geweld en bedreiging met geweld. Dit zou hebben plaatsgevonden in de periode dat zij voor de tweede keer van huis was weggelopen en bij verdachte verbleef (eind augustus 2006).

Verdachte heeft stellig ontkend [slachtoffer] te hebben verkracht. Verdachte heeft verklaard dat hij kort na 20 mei 2006 een seksuele relatie met [slachtoffer] heeft gekregen en dat hij tot in september 2006 regelmatig geslachtsgemeenschap met haar heeft gehad. Volgens verdachte heeft hij daarbij nooit gebruik gemaakt van geweld of bedreiging met geweld. Ook heeft verdachte ontkend via MSN de eerder genoemde bedreiging richting [slachtoffer] te hebben geuit.

De beste vriendinnen van [slachtoffer], [getuige 1] en [getuige 2], hebben zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. Uit die verklaringen kan worden afgeleid dat [slachtoffer] tegen hen heeft gezegd dat ze vaak met verdachte naar bed ging en dat zij gedurende de relatie erg lief over verdachte sprak, en ook nog nadat [slachtoffer] begin september 2006 weer naar haar ouders was teruggebracht door de politie. Dit laatste vindt steun in de weergave van een MSN-gesprek tussen [slachtoffer] en verdachte van 3 september 2006, waarin [slachtoffer] heeft geschreven dat ze van verdachte houdt en waarin zij ook een toespeling op seks heeft gemaakt (p 132 ev).

Zowel [getuige 2] als [getuige 1] heeft aangegeven dat [slachtoffer] vanaf een bepaald moment tegen haar zin seks had met verdachte. Deze informatie hebben ze nadat de relatie beëindigd was van het slachtoffer gekregen, maar ze hebben daar ten tijde van de relatie zelf niets over waargenomen. Ook [getuige 1] heeft niets gemerkt, terwijl zij het slachtoffer bijna dagelijks zag en voor het slachtoffer als dekmantel fungeerde zodat ze - zonder dat haar ouders het wisten - bij verdachte kon zijn. Deze verklaringen dragen daarom naar het oordeel van de rechtbank niet bij tot het bewijs van de verkrachting zoals deze op de dagvaarding is neergelegd onder 1 primair.

De vader van het slachtoffer heeft in zijn aangifte verklaard: “[slachtoffer] vertelde ons veel van hem te houden.” Uit de aangifte blijkt voorts dat [slachtoffer], ondanks het feit dat haar ouders zeer gekant waren tegen haar relatie met verdachte, steeds weer naar verdachte ging en contact met hem bleef houden.

De rechtbank acht het, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en zal verdachte van dit feit vrijspreken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit als volgt:

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij vaak is mishandeld door verdachte.

Verdachte heeft dit ontkend.

[getuige 2] heeft verklaard dat zij geen blauwe plekken bij [slachtoffer] heeft waargenomen. [getuige 1] heeft verklaard dat ze blauwe plekken bij [slachtoffer] heeft gezien gedurende de relatie met verdachte, maar dat [slachtoffer] toen tegen haar heeft gezegd dat deze blauwe plekken andere oorzaken dan mishandelingen hadden. Pas nadat de relatie tussen [slachtoffer] en verdachte was geëindigd heeft [slachtoffer] tegen [getuige 2] en [getuige 1] gezegd dat ze tijdens de relatie door verdachte werd geschopt en geslagen.

[slachtoffer] is op 10 december 2007 door de rechter-commissaris gehoord. Aan deze verklaring is een mutatieformulier van de politie gehecht. Dit mutatieformulier heeft betrekking op een incident dat in september 2006 heeft plaats gevonden. Die mutatie rept, in tegenstelling tot de verklaring die [slachtoffer] hier later bij de politie over aflegt, niet van slaan in gezicht of tegen lichaam.

In het dossier zitten geen medische verklaringen die wijzen op letsel bij [slachtoffer].

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] onvoldoende steun vindt in de processtukken. Verdachte wordt daarom van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 3 betoogd dat verdachte deze feiten heeft begaan, dat het strafbare feiten betreft en dat verdachte daarvoor strafbaar is.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 vrijspraak betoogd, omdat het om tot een bewezenverklaring te komen noodzakelijk is dat de dader beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag had en dat deze situatie niet aan de orde was, omdat het slachtoffer op ieder moment weg kon gaan.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. [slachtoffer] was net 14 jaar oud in de periode dat zij een relatie met verdachte had. Verdachte heeft het minderjarige slachtoffer niet slechts onderdak verleend, maar daarbij haar ouders noch de politie op de hoogte gesteld van haar verblijfplaats, terwijl hij wist dat het slachtoffer van haar ouders niet bij hem mocht zijn/blijven. Daarnaast heeft verdachte het slachtoffer aangespoord om bij haar ouders weg te lopen en haar verborgen gehouden toen de politie in de woning van verdachte naar het slachtoffer kwam zoeken. Verdachte heeft daardoor een actieve rol gespeeld bij het onttrokken houden van het slachtoffer en daar een beslissende invloed op gehad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde feit heeft begaan met dien verstande dat:

Ten aanzien van 1 subsidiair:

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2006 tot 1 november 2006 te Amersfoort met [slachtoffer], geboren [geboortedatum] 1992, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;

Ten aanzien van 3:

hij op tijdstippen in de periode van 19 juni 2006 tot en met 4 september 2006 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1992, heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

Ter terechtzitting is gebleken dat er ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair geen punten van geschil bestaan tussen de verdediging en het openbaar ministerie.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Op 27 december 2007 doet [aangever], vader van het slachtoffer, aangifte van seksueel misbruik van zijn minderjarige dochter door verdachte .

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij drie keer geslachtsgemeenschap met verdachte heeft gehad . Verdachte heeft hierover bij de politie verklaard dat hij [slachtoffer] op [datum] 2006 (de dag waarop [slachtoffer] 14 jaar werd) voor het eerst ontmoette . Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij wist dat het slachtoffer 14 jaar was . Voorts heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij ongeveer 2 weken nadat ze wat kregen voor het eerst seks met haar had en dat hij gedurende relatie ongeveer drie keer in de week seks met [slachtoffer] had in zijn woning in [woonplaats verdachte]. [getuige 2] en [getuige 1], vriendinnen van het slachtoffer, hebben beiden verklaard dat zij van [slachtoffer] hebben gehoord dat verdachte en [slachtoffer] vaak seks met elkaar hebben gehad .

Ten aanzien van feit 3.

De rechtbank onderscheidt hier drie momenten/perioden, overeenkomstig de aangifte, waarin [slachtoffer] van huis is weggelopen en in de woning van verdachte en diens moeder verbleef.

De eerste keer op 19 juni 2006, de tweede keer in de periode van 24 augustus 2006 tot en met maandag 28 augustus 2006 en de derde keer op 4 september 2006.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank met betrekking tot 19 juni 2006 niet een zodanige actieve rol gehad dat kan worden gezegd dat hij een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen [slachtoffer] en haar ouders. Ten aanzien van de tweede en derde keer dat [slachtoffer] van huis is weggelopen, had verdachte echter wel een dergelijke beslissende invloed. De tweede keer was bovendien sprake van medeplegen, door verdachte samen met zijn moeder.

De tweede keer dat het slachtoffer naar verdachte is weggelopen is de politie naar de woning van verdachte gekomen. Verdachte heeft toen tegen de politie gezegd dat [slachtoffer] er niet was (de verdachte heeft dit ter terechtzitting van 17 december 2007 herhaald), op een moment dat het slachtoffer verborgen zat achter een schot op zijn kamer. De moeder van verdachte heeft op 6 december 2007 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij, toen het slachtoffer voor de tweede keer was weggelopen, tegen de politie heeft gezegd dat het slachtoffer niet in haar woning was, terwijl zij wist dat [slachtoffer] er wel was .

Verdachte heeft [slachtoffer] door middel van sms-berichten aangespoord om voor de derde keer van huis weg te lopen . Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij het slachtoffer aanvankelijk op 3 september 2006 op zou halen in Soesterberg maar dat dit niet kon doorgaan, omdat de vader van het slachtoffer in de gaten had dat zijn dochter wilde weglopen met verdachte. Daarom heeft verdachte het slachtoffer de dag daarna opgehaald en meegenomen naar zijn woning zonder de ouders of de politie van de verblijfplaats van het slachtoffer op de hoogte te stellen .

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 3 voorts:

Een uittreksel uit het geboorteregister van de gemeente [gemeente], van [slachtoffer] .

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 subsidiair:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Feit 3:

Medeplegen van onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Op de dagvaarding is aan verdachte medegedeeld dat de drie ad informandum gevoegde strafbare feiten ter bepaling van de strafmaat ter kennis van de rechtbank worden gebracht en dat verdachte daarvoor niet afzonderlijk zal worden vervolgd indien de rechtbank met die feiten rekening houdt.

Nu verdachte de feiten heeft bekend zal de rechtbank rekening houden met drie ad informandum gevoegde feiten, zoals vermeld in bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 subsidiair betoogd dat het feit weliswaar bewezen kan worden, maar duizenden mensen iedere dag dit strafbare feit plegen, zodat het hem niet duidelijk is welke straf hierop dient te volgen.

De rechtbank heeft wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 20 jaar oud en het slachtoffer (net) 14 jaar oud. Verdachte wist dat het slachtoffer net 14 jaar oud was. Verdachte komt op de rechtbank niet over als erg volwassen, maar niettemin mag van een man van die leeftijd verwacht worden dat hij begrijpt dat het niet gepast is om een seksuele relatie aan te gaan met een meisje dat net 14 jaar is geworden en dus nog een kind is. Dit klemt te meer nu de ouders van [slachtoffer] hadden aangegeven, sterk gekant te zijn tegen de relatie van verdachte met hun dochter en verdachte hiervan op de hoogte was. De ouders hebben zelfs de politie ingeschakeld om hun dochter te zoeken. . Bovendien was [slachtoffer] een puber met psychische problemen, die steeds ernstiger werden gedurende de - door haar ouders verboden – relatie met verdachte. Verdachte heeft [slachtoffer] aangespoord om zijn naam zeer groot te laten tatoeëren op haar buik, hetgeen zij ook daadwerkelijk heeft laten doen door de stiefbroer van verdachte. Ook heeft verdachte [slachtoffer] op indringende wijze aangespoord om van huis weg te lopen en van school te spijbelen. De psychische problemen van [slachtoffer] werden onder invloed van verdachte steeds groter en resulteerden in een crisisopname van ongeveer 6 weken.

Zoals ter terechtzitting door de officier van justitie al naar voren is gebracht, is de strekking van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht om diegenen die wettig gezag uitoefenen over een minderjarige in staat te stellen hun taak te vervullen en hiermee de minderjarige te beschermen. Het slachtoffer was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten net 14 jaar en aan het puberen. Juist op zo’n moment is het van belang dat ouders grip op hun kind houden. Dit is deels gedwarsboomd door het strafbare gedrag van verdachte. Doordat verdachte het slachtoffer bewust onttrokken heeft en onttrokken heeft gehouden aan het wettig gezag van haar ouders en haar heeft aangespoord om bij haar ouders weg te lopen, werd de ouders de mogelijkheid ontnomen hun nog zeer jonge dochter in bescherming te nemen tegen een soort relatie waar ze nog te jong voor was.

Verdachte heeft bovendien een jongen bedreigd met een vlindermes, gevolgd door openlijk geweld tegen die persoon (ad informandum).

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 13 juni 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 9 augustus 2007, opgemaakt door G. Mulder, reclasseringswerker.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair en feit 2 wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 1 subsidiair en 3 tenlaste gelegde en de ad informandum gevoegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, met de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, ook indien dat inhoudt het volgen van een COVA- of soortgelijke training, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan om de volgende reden.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat verdachte structurele begeleiding krijgt aangeboden door de Reclassering Nederland en dat hem een substantieel voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd, zodat verdachte wellicht gedwongen wordt in de toekomst beter na te denken over zijn handelen. De rechtbank acht de ad-informandum gevoegde feiten ernstig en deze hebben aanzienlijk meegewogen in de strafmaat.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 2.525,- wegens materiële schade en een bedrag van € 3.000,- wegens immateriële schade.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de materiële schade is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat door de ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde feiten wel rechtsreeks schade is toegebracht aan [slachtoffer]. Gelet op de impact die de gebeurtenissen op [slachtoffer] gehad hebben, resulterende in een uiteindelijke crisisopname bij Timon, kan moeilijk volgehouden worden dat de bewezenverklaarde feiten geen enkel rechtstreeks verband hiermee hebben gehad.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 500,-.

De vordering zal daarom tot dit bedrag worden toegewezen. Het restant van dit deel van de vordering is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 245 en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en het onder 3 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bij de bewezenverklaring is vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft:

a) dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, ook indien dat inhoudt het volgen van een Cognitieve Vaardigheden- of soortgelijke training, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

b) dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact opneemt met [slachtoffer], direct of indirect, daaronder begrepen schriftelijk, telefonisch, via sms, internet of via derden;

c) dat de veroordeelde zich niet zal begeven binnen een straal van 200 meter van de woning van [slachtoffer] of enige andere vaste verblijfplaats van haar.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats], ten dele toe tot een bedrag van € 500,- (zegge vijfhonderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 500,- (zegge vijfhonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs J.K.J. van den Boom, P.K. van Riemsdijk en Y.A.T. Kruijer, bijgestaan door mr. L.M. Janssens-Kleijn als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 december 2007.