Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC1752

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
16-806402-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/806402-06 (ontneming)

Datum uitspraak: 21 december 2007

Raadsman: mr. M.E. van der Werf.

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],

verblijvende te [verblijfadres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht - Huis van Bewaring locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

30 november 2007 en 07 december 2007.

1. De vordering

De vordering van de officier van justitie d.d. 15 november 2007 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 4, Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 12.564,00.

2. Grondslag van de vordering

Bij vonnis van deze rechtbank van 21 december 2007 is de veroordeelde in zijn strafzaak veroordeeld ter zake van - voor zover in dit verband van belang - het navolgende strafbaar feit:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

gepleegd in de periode van 01 september 2006 tot en met 19 januari 2007.

3. Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde door middel van of uit baten van het hiervoor in rubriek 2 genoemde strafbaar feit voordeel verkregen.

De rechtbank ontleent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Hierbij is de rechtbank wat betreft het verkregen voordeel uitgegaan van de berekening zoals vermeld in het proces-verbaal nr. 27-002584 van Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche d.d. 10 mei 2007, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], alsmede de verklaring van [medeverdachte 1], proces-verbaal nr. 27-002303, zaaksdossier 3, p. 161-167:

Totaal aantal stekken:

Aangetroffen hennepplanten in een loods gelegen aan [adres]:

728.

Aantal stekken per plant: 10.

Aantal oogsten: 4, uitgaande van de verklaring van [medeverdachte 1]

Totaal aantal stekken: 728 x 10 = 7280

Bruto opbrengst

Aantal stekken Opbrengst per stek Aantal oogsten Totale opbrengst

7280 x € 1,- x 4 = € 29.120,00

Kosten

Afschrijvingskosten = € 8.000,00

Variabele kosten: € 4,39 x 728 planten = € 3.195,92

Elektriciteitskosten: € 90,- x 4 oogsten = € 360.00

Totaal: = € 11.555,92

Opbrengst minus kosten:

€ 29.120,00 - € 11.555,92 = € 17.564,08

Wederrechtelijk verkregen voordeel:

Er zijn 3 verdachten in deze zaak: veroordeelde, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]:

€ 17.564,08 : 3 = € 5.854, 69, afgerond € 5.855,- per verdachte.

De rechtbank schat het door veroordeelde verkregen voordeel derhalve op € 5.855,-.

4. De verplichting tot betaling

De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van voormeld bedrag van € 5.855,- kan aan de veroordeelde worden opgelegd.

Uit het onderzoek ter zitting is niet aannemelijk geworden dat de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde niet toereikend zullen zijn om voormeld bedrag te voldoen.

5. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6. DE BESLISSING

De rechtbank:

stelt het bedrag van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 5.855,- (zegge: vijfduizendenachthonderdenvijfenvijftig euro).

legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.855,- (zegge: vijfduizendenachthonderdenvijfenvijftig euro).

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.G. Bakker, P. Bender en P.K. van Riemsdijk,

bijgestaan door mr. K.D.M. Buitenweg als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2007.