Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC1749

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
16-806409-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

2 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van het voorbereiden en of bevorderen van een strafbaar feit van Art. 10 vierde en vijfde lid Opiumwet en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met Art. 2 onder C van de Opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/806409-07

Datum uitspraak: 21 december 2007

Raadsman: mr. J-H.L.C.H. Kuijpers.

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht - Huis van Bewaring locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

07 december 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 1 ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 07 december 2007 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting ten aanzien van de feiten 1 en 2 het volgende is vast komen te staan.

Op 23 januari 2007 werd een doorzoeking verricht op het perceel en in de opstallen van [adres] te [plaats]. De eigenaar van dit terrein waren de medeverdachten

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Tijdens de doorzoeking werd in drie zeecontainers een grote hoeveelheid hardware voor de productie van verdovende middelen aangetroffen, waaronder een drukvat met roermotor en opvangdeksel, 6 tabletteermachines en een vacuümpomp. Voorts werden chemicaliën aangetroffen bestaande onder andere uit: 138 jerrycans gevuld met een heldere vloeistof ruikend naar aceton, 40 jerrycans gevuld met een helder rokende vloeistof, zeer waarschijnlijk zoutzuur, 7 metalen vaten voorzien van een etiket met het opschrift “ether” en 8 gasdrukhouders voorzien van het opschrift “monomethylamine”. In de derde zeecontainer werden in een metalen ton diverse pillen met diverse logo’s aangetroffen alsmede poeder, met een totaal gewicht van 10,2 kilogram. Verder werd in deze container 1,38 kilogram roze poeder aangetroffen alsmede 2,48 kilogram crèmekleurig/geel geklonterd poeder. Deze pillen en poeder werden tezamen met een drukvat met donkerbruine substantie naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gezonden . Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat het 2,48 kilogram crèmekleurig/geel geklonterd poeder amfetamine bevat en dat de overige ingezonden poeders, pillen en de donkerbruine substantie uit het drukvat MDMA bevatten .

Veder werd in de derde zeecontainer een mondkapje aangetroffen. Door het NFI werd dit mondkapje onderzocht en gebleken is dat het DNA-mengprofiel van het mondkapje matcht met het DNA-profiel van de verdachte en dat de kans dat een willekeurig gekozen individu het zelfde DNA-profiel bezit als dat van het desbetreffende spoor DNA-profiel minder dan één op de één miljard is .

Door [medeverdachte 2] is verklaard dat de containers van [medeverdachte 3] zijn, dat hij [medeverdachte 3] via [medeverdachte 4] kent en dat begin 2006 door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] aan hen (de rechtbank begrijpt: aan [medeverdachte 2] en diens broer [medeverdachte 1]) werd gevraagd om zeecontainers op hun bedrijf te plaatsten. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat hij wist dat er spullen in zouden komen die niet deugden, dat [medeverdachte 3] de spullen met een bestelauto had gebracht en dat [medeverdachte 3] een week voor de inval nog spullen uit de container had gehaald .

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] samen met een Marokkaanse man met een bus is gekomen en dat zij de spullen uit de bus in de container hebben geplaatst en dat hij, [medeverdachte 2], geholpen heeft om de spullen in de container te zetten. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat er veel flessen en apparatuur in de container zijn gezet, dat de spullen bestonden uit gasflessen, trechters, een koelcel in delen, slangen, een weegschaal en heel veel vaten en dat sommige vaten een stroperige substantie als inhoud hadden .

Door de verdachte is ter terechtzitting verklaard dat hij voor mensen, van wie hij de naam niet wil noemen, de drie zeecontainers op het terrein van [garagebedrijf X] heeft gehuurd, dat er geen huurcontract is opgesteld en dat kreeg hij geld kreeg van deze mensen om [medeverdachte 1 en 2] te betalen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de goederen, aangetroffen in de drie zeecontainers op het terrein van [garage X], in deze containers heeft gezet en dat hij de enige was die een sleutel van de containers had. Ook heeft verdachte verklaard dat hij wist dat de spullen niet deugden en dat hij dacht dat het om wiet zou gaan.

Alles in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 01 september 2006 tot en met 23 januari 2007 schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie van synthetische drugs. Dat verdachte dit wist en daartoe ook de opzet had blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uit het bovenstaande en uit de navolgende omstandigheden:

• verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de spullen die hij opsloeg niet deugden, dat hij dacht dat het om wiet ging en aldus wist dat het om verdovende middelen ging;

• verder heeft verdachte verklaard dat nadat een jerrycan was gaan lekken, hij de inhoud heeft overgegoten in een andere jerrycan en dat hij heeft gezien dat op de vaten een doodshoofd stond en aldus wist dat het om chemicaliën ging.

De rechtbank acht, gelet op de bovenstaande feiten en omstandigheden, tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 23 januari 2007 een hoeveelheid MDMA en amfetamine voorhanden heeft gehad. Hierbij overweegt de rechtbank nog dat verdachte heeft verklaard dat alleen hij de sleutels van de containers had, dat hij de spullen in de containers heeft gezet en dat hij op verzoek van zijn opdrachtgevers goederen uit de containers heeft gehaald. Aldus moet verdachte zicht op de drugs hebben gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1 en feit 2 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van het misdrijf om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De door verdachte gepleegde voorbereidingshandelingen met betrekking tot het vervaardigen van synthetische drugs dragen bij aan de handel in en het gebruik van verdovende middelen, welke handel en gebruik gepaard gaat met vele andere vormen van criminaliteit. Daarnaast brengt een productieplaats met grote hoeveelheden explosieve stoffen bij elkaar grote veiligheidsrisico’s voor de maatschappij met zich mee.

Voor wat betreft het door verdachte aanwezig hebben van de harddrugs MDMA en amfetamine overweegt de rechtbank dat zij in hoge mate verslavend zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers zelf en voor de samenleving als geheel.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

• de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 06 juni 2007, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet. Wel is verdachte in Frankrijk veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf voor een drugsgerelateerd feit, doch dit is reeds lange tijd geleden.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

• een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit zowel het opsporingsonderzoek als uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank de rol van verdachte niet geheel duidelijk is geworden. Verdachte heeft verklaard dat hij slechts goederen voor anderen heeft opgeslagen. De officier van justitie heeft gesteld dat verdachtes betrokkenheid veel verder gaat en dat verdachte medeverantwoordelijk gehouden kan worden voor het voorhanden hebben van een zogenoemd XTC-laboratorium.

Aan de ene kant biedt het opsporingsonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting aanknopingspunten voor het standpunt van de officier van justitie. Bewezenverklaard is dat verdachte goederen heeft opgeslagen voor mensen - van wie hij de naam niet wil noemen - terwijl hij wist dat het te maken had met verdovende middelen. Daarnaast is in de auto waarin verdachte reed een schrijfblok aangetroffen, waarop aantekeningen stonden die betrekking hebben op het productieproces van synthetische drugs.

Alhoewel vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de verklaringen van verdachte, kan de rechtbank aan de andere kant niet zonder meer aan deze verklaringen voorbij gaan, nu de feiten en omstandigheden zoals deze uit het opsporingsonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting blijken, de verklaringen van verdachte niet in zijn geheel kunnen weerleggen. Zo heeft verdachte ontkend dat het schrijfblok van hem is en het schrijfblok is niet onderzocht op - onder meer –vingerafdrukken en handschrift.

De rechtbank zal derhalve, voor wat de strafmaat betreft, uitgaan van een beperktere rol van verdachte dan door de officier van justitie is gedaan.

Ten aanzien van het beslag:

Verbeurdverklaring:

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp dat aan verdachte toebehoort, te weten een schrijfblok met beslagcode Y.01.01.04, zal worden verbeurd verklaard, aangezien dit voorwerp bestemd is voor het begaan van de bewezenverklaarde misdrijven.

Onttrekking aan het verkeer:

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een Jammer met beslagcode I.01.01.04, zal onttrokken worden verklaard aan het verkeer, aangezien dit aan verdachte toebehorende voorwerp, bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf is aangetroffen en dit voorwerp kan dienen tot het belemmeren van de opsporing van soortgelijke misdrijven, terwijl dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Bewaring in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, te weten: een paspoort en IDkaart [X], beslagcode I.01.01.03.07, kan thans geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- Een briefje met berekening met beslagcode Y.01.01.05;

- Pager met beslagcode I.01.01.01;

- Nokia Model: 1110i type: RH-93, blauw met beslagcode I.01.01.03.01;

- Nokia Type: RH-93, model:1110i, blauw met opschrift W+E met beslagcode I.01.01.03.02;

- Nokia Type: RH-93, model: 11101, zwart, met beslagcode I.01.01.03.03;

- Plastic zakje, inhoud bruin goedje, beslagcode W.01.01.001;

- Blaadje van T-Mobile met geschreven tekst: telnr [telefoonnummer]; pin: [pincode]; puk:[pukcode], beslagcode W.01.01.002;

- A4 map cursus mechanische aandrijftechniek en aantekeningen, beslagcode W.03.01.01;

- Doos van Orange Prepaid Samsung X150. beslagcode W.03.02.01,

zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 10 10a en 13a van de Opiumwet

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van

2 (TWEE) JAREN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd: een schrijfblok met beslagcode Y.01.01.04.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: een Jammer met beslagcode I.01.01.04.

Gelast de bewaring van een paspoort en IDkaart [X], beslagcode I.01.01.03.07 ten behoeve van de rechthebbende.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- Een briefje met berekening met beslagcode Y.01.01.05;

- Pager met beslagcode I.01.01.01;

- Nokia Model: 1110i type: RH-93, blauw met beslagcode I.01.01.03.01;

- Nokia Type: RH-93, model:1110i, blauw met opschrift W+E met beslagcode I.01.01.03.02;

- Nokia Type: RH-93, model: 11101, zwart, met beslagcode I.01.01.03.03;

- Plastic zakje, inhoud bruin goedje, beslagcode W.01.01.001;

- Blaadje van T-Mobile met geschreven tekst: telnr [telefoonnummer]; pin:[pincode]; puk:[pukcode], beslagcode W.01.01.002;

- A4 map cursus mechanische aandrijftechniek en aantekeningen, beslagcode W.03.01.01;

- Doos van Orange Prepaid Samsung X150. beslagcode W.03.02.01.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.K. van Riemsdijk, P. Bender en A.G. Bakker, bijgestaan door mr. K.D.M. Buitenweg als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2007.