Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0980

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
28-12-2007
Zaaknummer
16-711173-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot 4 jaar en 6 maanden gevangenisstraf ter zake van een drugstransport, deelnemen aan een criminele organisatie en het bezit van een hennepkwekerij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/711173-07

Datum uitspraak: 19 december 2007

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Utrecht te Nieuwegein.

Raadsman: mr. O.E. de Jong.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 oktober 2007 en 5 december 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 3 ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 3 oktober 2007 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

Vrijspraak

Overweging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

Ten aanzien van de verdenking dat verdachte met anderen in de periode van 1 mei tot 19 juni 2007 (meerdere malen) heroïne heeft uitgevoerd, overweegt de rechtbank het volgende.

Geen van de onder dit feit bedoelde transporten is door de politie onderschept en de verdenking is uitsluitend ontstaan op grond van de inhoud van de verklaringen van de verdachten in deze zaak die hebben bekend (meerdere) drugstransporten naar Engeland te hebben uitgevoerd. In die verklaringen wordt niet verklaard over heroïne of cocaïne maar wordt aangegeven dat de verdachten evenwel de indruk hadden hasjiesj of wiet te hebben uitgevoerd. Er zijn aanwijzingen in het strafdossier dat de door de verdachten beschreven uitvoering van deze transporten overeenkomsten vertoont met het op 19 juni 2007 onderschepte transport waarbij een grote hoeveelheid heroïne is aangetroffen. Deze aanwijzingen verschillen onderling echter teveel en worden naar het oordeel van de rechtbank overigens onvoldoende ondersteund door ander bewijs.

De rechtbank is er hierdoor niet van overtuigd en heeft in het strafdossier ook overigens geen aanwijzingen gevonden dat de in de ten laste gelegde periode heroïne betreffen. Om deze reden dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is hieronder is vermeld, namelijk dat:

1.

hij op 19 juni 2007 te Barendrecht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 9784 gram heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, immers heeft hij verdachte en zijn mededaders opzettelijk voornoemde hoeveelheid heroïne in het laadruim van een vrachtauto –met bestemming Engeland- geplaatst.

3. hij in de periode van 1 april 2007 tot en met 19 juni 2007 te Wijk bij Duurstede heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, en 11, vijfde lid van de Opiumwet, waaronder:

-handel in drugs zoals genoemd op lijst 1 van de Opiumwet en

-buiten het grondgebied brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) van heroïne, zoals genoemd op lijst 1 van de Opiumwet (naar Engeland).

4.

hij op 22 november 2006 te Wijk bij Duurstede, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand gelegen aan de Zaagmolen 24, 49 hennepplanten of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging:

De raadsman heeft ten aanzien van feit 4. aangevoerd dat de politie het zogenaamde huisrecht heeft geschonden nu er op 22 november 2006 zonder toestemming van de rechter-commissaris een huiszoeking heeft plaatsgevonden in het perceel [adres] in Wijk bij Duurstede. Dit zou volgens de raadsman dienen te leiden tot uitsluiting voor het bewijs van de resultaten daarvan en derhalve tot vrijspraak. De rechtbank verwerpt het verweer. In het proces-verbaal van de politie is opgenomen dat de hennepplanten zijn aangetroffen in een garage behorend bij de woning zonder enige verbinding met die woning. Onder deze omstandigheden -waarvan de rechtbank uitgaat- is toestemming van de rechter-commissaris voor een doorzoeking niet vereist. Van onrechtmatig optreden van de politie kan derhalve geen sprake zijn.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, vijfde lid van de Opiumwet.

Ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Op de dagvaarding is aan verdachte medegedeeld dat het ad informandum gevoegde strafbare feit ter bepaling van de strafmaat ter kennis van de rechtbank wordt gebracht en dat verdachte daarvoor niet afzonderlijk zal worden vervolgd indien de rechtbank met dat feit rekening houdt.

Nu verdachte het feit heeft bekend zal de rechtbank rekening houden met dit ad informandum gevoegd feit, te weten: aanwezig hebben van een stof van lijst I van de Opiumwet, nl. 9.75 gram amfetamine, gepleegd op 19 juni 2007 te Wijk bij Duurstede.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ter zake van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde:

Bewezen is verklaard dat verdachte zich met anderen schuldig heeft gemaakt aan de uitvoer naar Engeland van een aanzienlijke hoeveelheid heroïne, te weten 9784 gram. Het is algemeen bekend dat het gebruik van heroïne gevaren oplevert voor de volksgezondheid. Bovendien is het gebruik van heroïne kostbaar en is het een zeer verslavend middel, waardoor verslaafden vaak hun toevlucht moeten nemen tot criminaliteit om hun gebruik te kunnen bekostigen.

Voorts is bewezen verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had grote winsten te behalen door onder meer de uitvoer van drugs naar Engeland. Ook hielden leden van de organisatie zich bezig met de staathandel in drugs.

Verdachte is in deze organisatie als chauffeur opgetreden. Naar eigen zeggen heeft hij drie keer drugs naar afnemers in Engeland gereden. Ook heeft hij wel anderen gevraagd om als chauffeur of bijrijder op te treden. Verdachte heeft daarmee een niet onbelangrijke rol vervuld binnen de criminele organisatie. De rechtbank acht dit een ernstig feit.

Ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde:

Verdachte heeft in zijn woning een hennepkwekerij opgezet. Het frequente gebruik van grotere hoeveelheden van een middel als weed kan de gezondheid nadelig beïnvloeden. Door zelf een hennepkwekerij op te zetten wordt het overheidsbeleid om de verkoop en het gebruik van softdrugs te reguleren, doorkruist.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 21 juni 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 31 juli 2007, opgemaakt door mw. M.J.T. Tijhuis, reclasseringswerker; alsmede aanvullende informatie van mw. Tijhuis voornoemd over verdachte d.d. 3 september 2007.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor feit 2 wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden. De rechtbank heeft hierbij met name overwogen dat verdachte in de criminele organisatie een niet weg te denken rol heeft gespeeld bij de uitvoering van de drugstransporten naar Engeland. Voor het op deze wijze deelnemen aan internationale drugshandel past, ook al is verdachte nog niet eerder veroordeeld, uitsluitend een jarenlange gevangenisstraf.

Verbeurdverklaring:

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen die aan verdachte toebehoren, te weten:

- diverse schuldbekentenissen, geldopname- en administratieve bescheiden en een telefoonkaart;

- een mobiele telefoon, kleur zilver, merk Nokia, type 1112,

- een mobiele telefoon, kleur zilver, merk Nokia, type 1110/1600;

- een mobiele telefoon, kleur blauw, merk Nokia, type 3310;

- een geldbedrag van € 50,--;

- een geldbedrag van € 3000,--;

- een geldbedrag van € 3000,--;

- een geldbedrag van € 3000,--

zullen worden verbeurd verklaard, aangezien

deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde zijn verkregen c.q. met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan of voorbereid.

Onttrekking aan het verkeer:

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een airsoft gun, CZ 75, en daarbij behorende plastic kogeltjes BB Pelet zullen onttrokken worden verklaard aan het verkeer, aangezien deze aan verdachte toebehorende voorwerpen, bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn aangetroffen en deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds vermelde wetsartikelen zijn de op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 10, 11 en 11a van de Opiumwet.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 4 jaar en 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd:

- diverse schuldbekentenissen, geldopname- en administratieve

bescheiden en een telefoonkaart;

- een mobiele telefoon, kleur zilver, merk Nokia, type 1112,

- een mobiele telefoon, kleur zilver, merk Nokia, type 1110/1600;

-een mobiele telefoon, kleur blauw, merk Nokia, type 3310;

-een geldbedrag van € 50,--;

-een geldbedrag van € 3000,--;

-een geldbedrag van € 3000,--;

-een geldbedrag van € 3000,--.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

een airsoft gun, CZ 75, en daarbij behorende plastic kogeltjes BB Pelet.

Gelast de teruggave van een stuk papier aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mrs D.A.C. Koster, J.R. Krol en A.J. Smit, bijgestaan door H.J. Nieboer als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2007.