Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0867

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
24-12-2007
Zaaknummer
16/600916-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

24 maanden voor: opzettelijke vrijheidsberoving, handelen in strijd met Opiumwet, diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/600916-07; 16/504627-07 (ttz.gev.)

Datum uitspraak: 14 december 2007

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de gevoegde zaken tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein.

Raadsman: mr. H.J. Veen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

30 november 2007.

1 De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt onder parketnummer 16/600916-07 tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 18 augustus 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft

beroofd en / of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, toen daar

opzettelijk wederrechtelijk:

- die [aangever] vervoerd in een auto met vergrendeld portier en/of

(vervolgens)

- die [aangever] geslagen, telkens als zij het vergrendelde portier wilde

openen en/of (vervolgens)

- die [aangever] tegen de grond gewerkt en/of (vervolgens) (door haar tegen

de grond te duwen) onder controle gehouden en/of (vervolgens)

- de handen en/of polsen van die [aangever] aan elkaar gebonden met tape

en/of het hoofd en/of gezicht (waaronder de ogen) van die [aangever] met

tape beplakt en/of (vervolgens)

- die [aangever] in de laadruimte van een auto vervoerd (terwijl zij

vastgebonden was met tape);

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Onder parketnummer 16/504627-07 wordt verdachte tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 19 augustus 2007

in de gemeente Utrecht,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of op een of meer tijdstip(pen) in die periode

(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht

en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van ongeveer

600 hennepplanten, althans een hoeveelheid hennepplanten,

in elk geval op of omstreeks 19 augustus 2007 in de gemeente Utrecht,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer

600 hennepplanten, althans een hoeveelheid hennepplanten,

zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet,

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 19 augustus 2007 in

de gemeente Utrecht,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een hoeveelheid elektrische energie, in elk geval enig goed, (telkens) geheel

of ten dele toebehorende aan Eneco Energie, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en het weg te nemen goed onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door braak op of verbreking van de verzegeling van de

hoofdaansluitkast van de elektriciteitsvoorziening;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2 Verzoek tot horen van getuige

De raadsman heeft na een eerder schriftelijk verzoek d.d. 27 november 2007 ter terechtzitting een verzoek gedaan om de aangeefster als getuige te doen horen. Deze getuige is, aldus de raadsman, niet geconfronteerd met de verklaring van verdachte noch met inconsistente elementen uit haar eigen verklaring. Hierdoor is het onderzoek niet volledig geweest, aldus de raadsman.

Bij de beoordeling van dit verzoek zal de rechtbank uitgaan van het noodzakelijkheids-criterium.

De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat de verklaring van aangeefster in overwegende mate steun vindt in de verklaring van verdachte zelf, in de verklaringen van getuigen en in de bevindingen van de politie, zodat het nader horen van aangeefster naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk is voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar hetgeen zij heeft overwogen met betrekking tot de strafbaarheid.

3 De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/600916-07 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op de verklaring van [aangever] en de ter zake van dit feit ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder voornoemd parketnummer wordt verweten. Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen onder de eerste twee aandachtstreepjes aan verdachte wordt verweten evenwel niet wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/504627-07 onder 1 en 2 ten laste gelegde:

De rechtbank acht op grond van

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat hij de verantwoordelijkheid neemt voor de in zijn bedrijfspand aangetroffen hennepkwekerij;

- het proces-verbaal van bevindingen ter zake van de op 18 augustus 2007 aangetroffen hennepplanten op het adres [adres] te Utrecht ;

- het proces-verbaal van technisch onderzoek uitgevoerd op representatieve monsters van de aangetroffen hennepplanten, waaruit blijkt dat het om hennep gaat ;

- het proces-verbaal van aangifte ter zake van diefstal van stroom ,

wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verklaring van verdachte, dat hij dikke stroomkabels naar de hennepkwekerij zag lopen maar eerst naderhand wist dat er illegaal stroom afgetapt werd, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt, dat het een feit van algemene bekendheid is, dat het niet ongebruikelijk is om de stroom voor een hennepkwekerij illegaal af te tappen.

4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 18 augustus 2007 te Utrecht, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, toen daar

opzettelijk wederrechtelijk:

- die [aangever] tegen de grond gewerkt en vervolgens, door haar tegen

de grond te duwen, onder controle gehouden en vervolgens

- de handen en polsen van die [aangever] aan elkaar gebonden met tape

en het hoofd en gezicht (waaronder de ogen) van die [aangever] met

tape beplakt en vervolgens

- die [aangever] in de laadruimte van een auto vervoerd terwijl zij

vastgebonden was met tape;

in de periode van 1 juni 2007 tot en met 19 augustus 2007

in de gemeente Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

opzettelijk heeft geteeld een hoeveelheid van ongeveer

600 hennepplanten,

zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet,

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

in de periode van 1 juni 2007 tot en met 19 augustus 2007 in de gemeente Utrecht,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie, toebehorende aan Eneco Energie, waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en het weg te nemen goed onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door verbreking van de verzegeling van de hoofdaansluitkast van de elektriciteitsvoorziening;

Hetgeen telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/600916-07 bewezenverklaarde:

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/504627-07 onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/504627-07 onder 2 bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

6 De strafbaarheid

De verdediging heeft ten aanzien van het onder parketnummer 16/600916-07 tenlastegelegde betoogd dat verdachte, terwijl hij met aangeefster in zijn auto aanvankelijk in de richting van haar woning reed, bang was dat aangeefster hem zou aanvallen. Volgens de raadsman was zowel bij verdachte als bij aangeefster op dat moment sprake van een communicatiegebrek, waarbij de angst regeerde. Onder invloed van de angst om door aangeefster aangevallen te worden is verdachte met zijn auto van koers veranderd, heeft hij haar in zijn loods met tape gekneveld, haar in de laadbak van zijn bestelauto gedaan en is hij weer gaan rijden, met de bedoeling om haar in de buurt van haar woning af te zetten. De angst voor een aanval kan voldoende zijn om te concluderen tot noodweer, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft aangeefster (van beroep prostituee) midden in de nacht op straat opgepikt en mee naar zijn huis genomen om tegen betaling seks met haar te hebben. Na aankomst in de woning heeft verdachte aangeefster een geldbedrag betaald. Aangeefster stopte dit geld in een van haar laarzen, hetgeen door verdachte is gezien. Verdachte en aangeefster hebben vervolgens zitten praten en aangeefster heeft toen cocaïne gerookt. Om de cocaïne fijn te maken gaf verdachte aan aangeefster een groot knipmes (dat verdachte bij zijn aanhouding bij zich droeg). Op een gegeven moment vroeg verdachte aan aangeefster of zij haar werk niet gevaarlijk vond, waarop aangeefster antwoordde dat ze een mes in haar laars had. Volgens verdachte heeft aangeefster toen gezegd dat ze al eens mensen vermoord had. Aangeefster deed alsof ze een mes uit haar laars pakte en maakte met het denkbeeldige mes een stekende beweging in de lucht naar een denkbeeldige figuur. Van seks tussen verdachte en aangeefster is het volgens verdachte niet gekomen. Omdat verdachte zich onprettig voelde door voormeld gedrag van aangeefster, stelde verdachte vervolgens voor om aangeefster naar huis te brengen, hetgeen zij goed vond. Verdachte zei ook tegen aangeefster dat hij zijn geld terug wilde. Volgens verdachte reageerde aangeefster toen door op agressieve toon te vragen of hij gek geworden was en te zeggen dat dit geld van haar was en dat ze dat hield. Hierna zijn verdachte en aangeefster in de auto van verdachte gestapt. Rijdend in de richting van de woning van aangeefster heeft verdachte nogmaals tegen aangeefster gezegd dat hij zijn geld terug wilde. Volgens verdachte werd aangeefster toen weer agressief en begon zij tegen verdachte te schreeuwen, waarbij zij vertelde dat zij jongens kende die verdachte zouden pakken. Hierop veranderde verdachte van koers; hij reed naar zijn bedrijfsloods, opende vanuit de auto met een afstandsbediening het rolluik van de loods, reed de auto de loods in en sloot het rolluik, wederom door middel van de afstandsbediening. Vervolgens zijn verdachte en aangeefster uitgestapt. Toen verdachte via een in de loods aanwezige trap naar boven liep bleef aangeefster beneden staan en vroeg hem wat hij ging doen, waarop verdachte antwoordde dat hij even iets ging pakken. Terwijl verdachte enige tijd boven was, is aangeefster weer in de auto gaan zitten (aan de passagierszijde). Verdachte, die boven een rol tape had gepakt, liep naar beneden en trok aangeefster uit de auto, waarbij aangeefster op de grond terechtkwam. Vervolgens bond verdachte de polsen van aangeefster vast. Terwijl hij hiermee bezig was pakte hij geld uit de laars van aangeefster. Hierna omwikkelde hij het hoofd van aangeefster een aantal malen met tape, waarna hij aangeefster in de laadbak van zijn bestelauto heeft gelegd. Vervolgens is verdachte weer met zijn auto gaan rijden. Ondertussen lukte het aangeefster om de tape van haar hoofd omlaag te trekken, die hierdoor losjes om haar nek en hals bleef hangen. Door vervolgens hard met haar voeten tegen de tape om haar polsen te duwen slaagde aangeefster er ook in om de tape van haar polsen te krijgen. Hierna voelde aangeefster dat zij de deuren van de laadbak kon openen en schreeuwde zij tegen verdachte dat hij moest stoppen omdat ze anders eruit zou springen. Verdachte heeft zijn auto toen tot stilstand gebracht. Aangeefster is vlug uit de laadbak gestapt en is schreeuwend naar een stilstaande taxi gestapt, waar zij is opgevangen door twee passagiers. Verdachte is toen snel weggereden.

Verdachte heeft verklaard dat hij in de auto, terwijl hij in de richting van de woning van aangeefster reed, bang werd dat aangeefster echt een mes in haar laars had en dat hij door aangeefster zou worden gestoken. Verdachte heeft echter ook verklaard dat hij op geen enkel moment daadwerkelijk een mes bij aangeefster heeft gezien. Bovendien is niet gebleken – ook niet uit de verklaringen van verdachte – dat aangeefster met een hand in de richting van een van haar laarzen is gegaan of dat zij andere bewegingen heeft gemaakt waaruit kon worden afgeleid dat zij verdachte fysiek zou aanvallen. Mede gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een onmiddellijk dreigend gevaar dat aangeefster verdachte in de auto of in de loods van verdachte zou aanvallen. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

Ambtshalve heeft de rechtbank naar aanleiding van de door de raadsman gestelde situatie de vraag in ogenschouw genomen of verdachte heeft gehandeld in een situatie van psychische overmacht. Daarbij heeft de rechtbank de mogelijkheid bezien dat verdachte door het gedrag van aangeefster – zonder dat van een noodweersituatie sprake was - in de auto (extreem) bang is geworden, daarbij vreesde dat aangeefster hem met een mes zou steken of op een andere manier zou aanvallen, en dat verdachte daardoor heeft besloten om van koers te veranderen en heeft gehandeld hiervoor beschreven.

In verband hiermee overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens verdachte werd aangeefster agressief omdat verdachte had gezegd dat hij zijn geld terugwilde. Als verdachte echt zo bang was als hij stelt, had hij echter verschillende, voor de hand liggende alternatieven om de beweerdelijke agressie van aangeefster te beëindigen of te temperen. Zo had verdachte tegen aangeefster kunnen zeggen dat ze het geld kon houden. Ook had verdachte de auto tot stilstand kunnen brengen en weg kunnen rennen, of aangeefster uit de auto kunnen duwen. Verdachte is immers een sterke man die jarenlang op hoog niveau de worstelsport heeft bedreven. Verdachte is echter naar zijn loods gereden en heeft de handelingen verricht zoals hierboven beschreven. Deze handelingen duiden geenszins op (extreme) angst (of paniek) bij verdachte. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft gehandeld onder invloed van een van buiten – in dit geval het gestelde agressieve gedrag van aangeefster – komende drang, waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden. De rechtbank concludeert dat van psychische overmacht geen sprake is.

Er is de rechtbank ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte en het feit uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering van de op te leggen sanctie

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met reclasseringscontact als bijzondere voorwaarde, ook indien dit behandeling bij De Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie inhoudt. Voorts acht de officier van justitie de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade voor toewijzing vatbaar, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde vergoeding voor materiële schade is naar het oordeel van de officier van justitie niet duidelijk, zodat de benadeelde partij voor dit deel van haar vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De onder verdachte in beslag genomen goederen kunnen aan verdachte worden teruggegeven, aldus de officier van justitie.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld, dat – indien de rechtbank aan strafoplegging toekomt – de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf te hoog is, nu de kans op herhaling minimaal is, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van de verdachte en de gevolgen die het begaan van dergelijke feiten voor de samenleving in het algemeen en de slachtoffers in het bijzonder hebben.

Met name het feit dat onder parketnummer 16/600916-07 is bewezenverklaard is naar het oordeel van de rechtbank zeer ernstig. Verdachte heeft, zo bleek onder meer uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring, door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en op de persoonlijke bewegingsvrijheid van het slachtoffer. Terwijl aangeefster gekneveld in de laadbak van de auto van verdachte lag, dacht zij dat zij door verdachte zou worden vermoord. Aangeefster is hierdoor extreem bang geweest en het kan niet worden uitgesloten dat zij hiervan ook op langere termijn psychische schade zal ondervinden. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat een feit als ontvoering tot gevolg kan hebben dat ook bij anderen dan het slachtoffer een gevoel van angst en onveiligheid ontstaat. Een en ander rekent de rechtbank verdachte dan ook zwaar aan.

De rechtbank overweegt voorts, dat verdachte met de handelwijze zoals bewezenverklaard onder parketnummer 16/504627-07 heeft bijgedragen aan de instandhouding van het illegale circuit betreffende de verhandeling en het gebruik van softdrugs.

Verdachte is eerder met justitie in aanraking geweest, zo blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 augustus 2007.

Over de geestvermogens van verdachte is door [gedragskundige], GZ-psycholoog, een gedragskundige rapportage d.d. 30 oktober 2007 uitgebracht. Als conclusie ten aanzien van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de ziekelijke stoornis houdt dit rapport in, dat verdachte lijdt aan een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven en dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank kan zich met de conclusie wat betreft de toerekenbaarheid verenigen een maakt deze tot de hare.

In dit rapport is geadviseerd om verdachte binnen het kader van een deels voorwaardelijke straf reclasseringsbegeleiding op te leggen, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door De Waag.

Voornoemd strafadvies komt overeen met het advies dat Reclassering Nederland geeft in haar rapport d.d. 26 november 2007, dat volgt op haar rapport d.d. 14 september 2007, beide opgemaakt door M.J.T. Tijhuis, reclasseringswerker. Ook van de inhoud van laatstgenoemd rapport heeft de rechtbank kennis genomen.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel, dat de kans aanwezig is dat zonder behandeling verdachte opnieuw een soortgelijk misdrijf als het onder parketnummer 16/600916-07 bewezenverklaarde zal plegen. De rechtbank zal daarom verplicht reclasseringscontact opleggen, ook indien dit behandeling bij De Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie of een soortgelijke instelling, inhoudt.

7.4 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder parketnummer 16/600916-07 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 230,00 wegens materiële schade en een bedrag van € 1.260,00 wegens immateriële schade.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de materiële schade is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij is voor het overige van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder parketnummer 16/600916-07 bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 1.000,00 en zal tot dit bedrag worden toegewezen. Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de immateriële schade is niet van zo eenvoudige aard dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

7.5 De in beslag genomen goederen

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, te weten een knipmes, een Replay spijkerbroek, een Björn Borg t-shirt, een Björn Borg onderbroek en een paar schoenen zal

de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

7.6 Verzoek tot opheffen van de voorlopige hechtenis

De raadsman heeft ter terechtzitting opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte verzocht en zijn onmiddellijke invrijheidsstelling gevraagd.

De rechtbank wijst dit verzoek af, nu naar haar oordeel de ernstige bezwaren en de gronden die tot de voorlopige hechtenis van verdachte hebben geleid, nog onverkort aanwezig zijn.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 282, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 11 van de Opiumwet.

9 DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 24 (VIERENTWINTIG) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (ACHT) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, ook indien dit behandeling bij De Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie of een soortgelijke instelling inhoudt, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever], wonende te [woonplaats], ten dele toe tot een bedrag van € 1.000,00 (zegge eenduizend euro). Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft het overige en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1.000,00 (zegge eenduizend euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Gelast de teruggave aan verdachte van de onder hem in beslag genomen goederen, te weten een knipmes, een Replay spijkerbroek, een Björn Borg t-shirt, een Björn Borg onderbroek en een paar schoenen.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.K.J. van den Boom, A. Wassing en A. Muller, bijgestaan door mr. J.A. van Wageningen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 december 2007.