Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0866

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
24-12-2007
Zaaknummer
16-711285-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

24 maanden voor cocaïnehandel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/711285-07

Datum uitspraak: 18 december 2007

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonadres] te [woonplaats]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Wolvenplein.

Raadsman: mr. S. Schuurman.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 december 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 juli 2004 t/m 13

juli 2007 te Woerden, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk

heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal

(telkens) bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) vermeld op de

bij de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 13 juli 2007 te Woerden, althans in het arrondissement

Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 43 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft als verweer gevoerd dat het openbaar ministerie op diverse gronden niet ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, subsidiair dat deze gronden moeten leiden tot bewijsuitsluiting, en meer subsidiair tot strafvermindering. Op die gronden zal de rechtbank hieronder ieder afzonderlijk ingaan.

Door de politie op kopers van cocaïne uitgeoefende druk

Volgens de raadsman heeft de politie ontoelaatbare druk uitgeoefend op personen en aanzien van wie het vermoeden was gerezen dat zij in de week voorafgaand aan de aanhouding van verdachte cocaïne van verdachte en/of zijn medeverdachte hadden gekocht. Als gevolg van die druk hebben die kopers voor verdachte belastende verklaringen afgelegd bij de politie. De politie heeft hiermee op grove wijze dan wel welbewust de verdedigingsbelangen van de verdachte geschaad, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Uit de verklaringen van vier personen die in de zaak van verdachte bij de rechter-commissaris als getuige zijn gehoord blijkt in het geheel niet dat de politie enige druk op hen heeft uitgeoefend teneinde hen te bewegen een verklaring af te leggen. Dit betreft [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4].

Drie personen die in de zaak van verdachte als getuige zijn gehoord bij de rechter-commissaris hebben verklaard dat de politie tegen hen had gezegd dat ze wel naar het bureau moesten komen en/of wel een verklaring moesten komen afleggen, omdat ze anders “problemen” zouden krijgen. Dit betreft Zwezerijnen, Minderaa en De Langen. Uit de door hen bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen volgt echter dat de politie niet tegen hen heeft gezegd waaruit die problemen zouden kunnen bestaan. Bovendien zouden deze personen, indien zij ervoor hadden gekozen om geen verklaring bij de politie af te leggen, uiteindelijk gedagvaard kunnen worden om bij de rechter-commissaris of ter zitting als getuige een verklaring af te leggen. Desnoods zouden zij dan met een bevel medebrenging naar de rechter gebracht kunnen worden. Op grond van de wet waren zij dan verplicht geweest te verschijnen en antwoord te geven op vragen. Dergelijke omstandigheden kunnen doorgaans in de context van de door de politie gedane uitlatingen als “problemen” worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat de politie hiermee weliswaar druk op hen heeft uitgeoefend, maar niet dat deze druk ontoelaatbaar is.

[getuige 8] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de politie tegen hem heeft gezegd dat “ze wat geregeld hadden met justitie, en als we een verklaring zouden afleggen zou ons niks gebeuren, maar als we niet zouden meewerken zouden ze ons ophangen”. [getuige 8] heeft bij de politie een voor verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] zeer belastende verklaring afgelegd, inhoudende dat hij al 6 jaar lang cocaïne bij hen kocht. Daarbij heeft [getuige 8] gedetailleerd verklaard waar zich de woning bevond van waaruit verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] cocaïne verkochten, via welk telefoonnummer hij hen kon bereiken, welke prijs hij voor de cocaïne betaalde (en welke prijs door alle andere getuigen ook is genoemd) en dat hij ook wel eens cocaïne van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] kocht op locaties in Woerden, waarbij verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] zich dan verplaatsten in een Opel Corsa (hetgeen ook door vele andere getuigen is verklaard). Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 8] echter verklaard dat hij nooit cocaïne van verdachte of medeverdachte [medeverdachte 1] had gekocht, terwijl verdachte ter zitting zelf heeft verklaard dat hij wel diverse malen cocaïne aan [getuige 8] had verkocht. Gelet op deze omstandigheden is de door [getuige 8] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig, en is daarmee tevens niet aannemelijk geworden dat de politie tegen [getuige 8] heeft gezegd hetgeen hiervoor geciteerd is weergegeven.

[getuige 9] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de politie tegen hem heeft gezegd dat hij moest komen om een verklaring af te leggen en dat “als hij niet als getuige zou verklaren, er dan strafrechtelijke gevolgen aan zouden zitten en hij dan thuis opgehaald zou worden”.

[getuige 10] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de strekking van hetgeen de politie tegen hem zei was dat hij een verklaring moest afleggen omdat hij zich ook schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit “en dat zijn feit dan teniet zou worden gedaan”.

De rechtbank is van oordeel dat de politie ten aanzien van [getuige 9] en [getuige 10] de grens van het toelaatbare heeft overschreden. De druk was hiermee dusdanig hoog dat de politie hen in feite niet de keuze heeft gelaten om al dan niet een verklaring af te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de politie hiermee onrechtmatig gehandeld en is hiermee sprake van een onherstelbaar vormverzuim. De rechtbank overweegt in verband hiermee het volgende.

Ondanks dat deze getuigen onder grote druk van de politie naar het bureau zijn gekomen om een verklaring af te leggen, is niet gebleken dat de politie de getuigen woorden in de mond heeft gelegd. Beide getuigen hebben bij de politie een gedetailleerde verklaring afgelegd over de rol van verdachte in de cocaïnehandel.

Voorts geldt met betrekking tot deze getuigen ook dat indien zij ervoor hadden gekozen om geen verklaring bij de politie af te leggen, zij uiteindelijk gedagvaard hadden kunnen worden om bij de rechter-commissaris of ter zitting als getuige een verklaring af te leggen.

Zowel [getuige 9] als [getuige 10] is ook daadwerkelijk bij de rechter-commissaris als getuige gehoord. Onomstreden is dat van het verhoor door de rechter-commissaris geen ontoelaatbare druk is uitgegaan. De getuigen zijn daar gehoord in aanwezigheid van de raadsman van verdachte en de raadsman heeft toen zelf rechtstreeks vragen aan deze getuigen gesteld. Beide getuigen hebben bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd welke hun eerder bij de politie afgelegde – gedetailleerde - verklaring bevestigt. Gelet op deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte, ondanks de door de politie op deze getuigen uitgeoefende druk om een verklaring af te leggen, niet in zijn verdediging is geschaad. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat hier sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

Enkelvoudige fotoconfrontatie

De politie heeft aan de meeste getuigen vier foto’s laten zien: 1 van verdachte, 1 van medeverdachte [medeverdachte 1], 1 foto van medeverdachte (en broer) [medeverdachte 2] en 1 foto van een andere broer van verdachte. De raadsman van verdachte heeft het standpunt ingenomen dat meervoudige fotoconfrontaties hadden moeten plaatsvinden. Door dit niet te doen heeft de politie de getuigen geen keuze gelaten. Ook hierdoor heeft de politie op grove wijze dan wel welbewust de verdedigingsbelangen van de verdachte geschaad, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De aan de getuigen getoonde foto’s betroffen geen foto’s van onbekende verdachten, maar van verdachten die al waren aangehouden. Diverse getuigen hebben verklaard dat zij gedurende langere tijd geregeld – sommigen meerdere malen per week – cocaïne hadden gekocht van twee of meer personen. De getuigen wisten dus heel goed hoe de verkopers van cocaïne eruit zagen. Geconfronteerd met de foto’s hebben de meeste getuigen verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte 1] aangewezen als de personen van wie zij gedurende een langere periode cocaïne hadden gekocht. Onder deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank geen enkel strafvorderlijk bezwaar dat aan getuigen foto’s worden getoond op de wijze zoals dat hier is gebeurd. De rechter-commissaris heeft dezelfde foto’s aan de getuigen getoond en ook daar hebben de getuigen de verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte 1] aangewezen als personen van wie zij cocaïne hadden gekocht. De rechtbank concludeert dat ten aanzien van het tonen van de foto’s van enige onrechtmatigheid geen sprake is. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

Door de politie verstrekte informatie, die de inhoud van getuigenverklaringen kan hebben beïnvloed

Volgens de raadsman heeft de politie getuigen voorafgaand aan hun verhoor informatie verstrekt, die de inhoud van hun verklaringen op een voor verdachte nadelige wijze kan hebben beïnvloed. Hiervan is de rechtbank niets gebleken. In die gevallen waarin de politie de namen van verdachte en/of zijn medeverdachte [medeverdachte 1] heeft genoemd tegenover getuigen, hebben de desbetreffende getuigen aangegeven niet bekend te zijn met de namen van de perso(o)n(en) van wie zij de cocaïne hadden afgenomen. Het is dus niet zo dat getuigen door het noemen van een naam door de politie de link met verdachte hebben gemaakt. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dan ook.

Feit 2 reeds ten laste gelegd onder feit 1

Volgens de raadsman omvat het onder 1 ten laste gelegde feit het onder 2 ten laste gelegde feit, zodat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging voor feit 2.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De rechtbank constateert dat het onder 2 ten laste gelegde feit gelijk is aan het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (“het aanwezig hebben van”) en dat sprake is van overlapping in tijd: het tijdstip waarop feit 2 zou zijn begaan valt binnen de onder 1 ten laste gelegde periode. Van “andermaal vervolgen” in de zin van artikel 68 Sr is echter geen sprake, nu feit 2 geen feit is waarover ten aanzien van de verdachte bij onherroepelijk gewijsde is beslist. Artikel 68 Sr levert derhalve geen grond op voor het niet ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in zijn vervolging ter zake van feit 2. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van strijd met beginselen van een goede procesorde. Ten slotte overweegt de rechtbank dat duidelijk is dat de vervolging van verdachte ziet op twee feiten, enerzijds het bezit van cocaïne op 13 juli 2007 en anderzijds de handel in cocaïne in de daaraan voorafgaande periode. Verdachte wist dus waartegen hij zich moest verdedigen en is door de wijze van ten laste leggen niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat geen van de door de verdediging genoemde gronden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting of strafvermindering leidt. Het verweer wordt verworpen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 01 juli 2006 tot en met

13 juli 2007 te Woerden, of elders in het arrondissement Utrecht, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd en/of vervoerd, hoeveelheden van een materiaal telkens bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij op 13 juli 2007 te Woerden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 43 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank komt tot de bewezenverklaring op grond van het volgende:

Op basis van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] en de verklaring van diverse andere getuigen, met name de getuigen [getuige 9] en [getuige 10] , staat vast dat verdachte gedurende een periode tot op het moment van zijn arrestatie op 13 juli 2007, cocaïne heeft verkocht, afgeleverd en vervoerd. Deze handel vond plaats vanuit de woning van medeverdachte [medeverdachte 1], gelegen aan [woonadres] te Woerden maar ook op andere plaatsen in Woerden en in de omgeving daarvan. De gebruikers legden contact via een vast mobiel telefoonnummer, de zogenaamde bestellijn, waarna de transacties plaatsvonden.

Tevens staat vast dat verdachte bij zijn aanhouding op 13 juli 2007 te Woerden waarbij hij samen met medeverdachte [medeverdachte 1] in een auto zat, in het bezit was van ongeveer 43 gram cocaïne .

Dat het om cocaïne ging wordt erkend door verdachte en wordt bevestigd door het rapport van het NFI d.d. 13 augustus 2007 .

De pleegperiode

De officier van justitie heeft bewijsbaar geacht dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen gedurende een periode van ruim drie jaar heeft gepleegd, samen met zijn medeverdachte [medeverdachte 1].

Ter zitting is door de verdediging het verweer gevoerd dat verdachte slechts gedurende een periode van twee à drie weken voorafgaand aan zijn arrestatie heeft gehandeld in cocaïne, waarbij hij waarnam voor een persoon die hij [X] noemde. Deze [X] handelde al langer vanuit de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] in cocaïne.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Allereerst acht de rechtbank de verklaring van verdachte en van medeverdachte [medeverdachte 1] dat verdachte slechts sinds een paar weken waarnam voor een persoon die door hen [X] werd genoemd, niet geloofwaardig. Verdachte noch medeverdachte [medeverdachte 1] hebben immers ter terechtzitting nadere informatie kunnen of willen geven over de personalia van deze [X]. Bovendien vindt deze stelling geen steun in andere bewijsmiddelen. De meeste getuigen kennen geen Appie maar wijzen wel verdachte aan als degene van wie langere tijd cocaïne wordt betrokken, waarbij regelmatig een periode van 1 jaar wordt genoemd. Alleen getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat hij degenen van wie hij drugs kocht altijd [X] noemde. Bij de rechter-commissaris wijst hij op de foto verdachte aan als één van de [X]’s waarvan hij gekocht heeft . Getuige [getuige 5] rept in zijn verklaring bij de politie in het geheel niet van [X] maar herkent verdachte als de leverancier waarvan hij ongeveer een jaar zijn drugs betrok. Pas bij de rechter-commissaris verklaart deze getuige dat hij twee weken van verdachte heeft gekocht en daarvoor bij [X]. De rechtbank acht de verklaring van deze getuige bij de rechter-commissaris in het licht van zijn verklaring bij de politie en de verklaringen van de andere getuigen, niet geloofwaardig.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte veel langer heeft gehandeld in cocaïne dan hij heeft toegeven.

Op basis van de verklaringen van onder andere de getuigen [getuige 9] , [getuige 1] en [getuige 10] die hebben verklaard dat zij tenminste sinds een jaar cocaïne hebben gekocht van verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte 1], komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte tenminste gedurende ruim een jaar heeft gehandeld in cocaïne en dat verdachte hierbij in ieder geval nauw heeft samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte 1].

Voor een langere periode, zoals door de officier van justitie bewijsbaar is geacht, heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden in het dossier.

Dit alles samen brengt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft gepleegd en dat dit in ieder geval samen is gebeurd met medeverdachte [medeverdachte 1].

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het

bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 weergegeven en bewezenverklaarde feit:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 weergegeven en bewezenverklaarde feit:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne gedurende een periode van ruim een jaar. Door te handelen in cocaïne heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van de verslaving van derden en zodoende het in gevaar brengen van hun gezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat drugsgebruik leidt tot vermogenscriminaliteit.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.

16 november 2007, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld terzake van een soortgelijk delict;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 2 oktober 2007, opgemaakt door M. Bongenaar, reclasseringswerker.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van een pleegperiode van ruim drie jaar.

Daarbij heeft de officier van justitie ten aanzien van de in beslag genomen goederen het volgende gevorderd:

onttrekking aan het verkeer van:

- 71 ponypacks (nr. 1 op de beslaglijst);

- 2 briefjes met namen en bedragen (nrs. 4 en 14);

verbeurdverklaring van:

- geld met de totale waarde van € 4516,40 (nrs. 2, 12, 16, 18 en 22 op de beslaglijst).

teruggave aan de verdachte van:

- 1 polstas (nr. 3 op de beslaglijst);

- 1 portemonnee (nr. 11);

- 1 mobiele telefoon, merk Nokia (nr. 19);

- 1 dvd, merk Philips (nr. 20);

- 1 kentekenbewijs en overschrijvingsbewijs (nr. 23);

teruggave aan de rechthebbenden:

- 6 mobiele telefoons, merk Nokia, LG en Samsung (nr. 5-10 op de beslaglijst);

- 1 autosleutel van het merk Audi (nr. 21).

De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat zij een pleegperiode van ‘slechts’ ruim een jaar bewezen acht. Voor de handel in harddrugs gedurende een vergelijkbare periode wordt indien geen sprake is van recidive doorgaans een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd. Verdachte is al eerder veroordeeld voor het handelen in harddrugs. Het feit dat verdachte ter zake van die veroordeling nog in een proeftijd liep, heeft hem er bovendien niet van weerhouden cocaïne te gaan verhandelen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden op te leggen.

Onttrekking aan het verkeer:

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 71 ponypacks (nr. 1 op de beslaglijst);

- 2 briefjes met namen en bedragen (nrs. 4 en 14)

zullen onttrokken worden verklaard aan het verkeer, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Verbeurdverklaring:

Het in beslag genomen en niet teruggegeven goed dat aan verdachte toebehoort, te weten:

geld met de totale waarde van € 4488,95 (nrs. 2, 16, 18 en 22 op de beslaglijst)

zal worden verbeurd verklaard, aangezien dit geld geheel of grotendeels door middel van het onder 1 bewezenverklaarde is verkregen.

Voorts verklaart de rechtbank ambtshalve verbeurd de auto die onder verdachte in beslag is genomen en aan verdachte toebehoort, maar niet aan hem is teruggegeven, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 1 bewezenverklaarde is begaan. Tevens wordt het daarbij behorende kentekenbewijs en overschrijvingsbewijs (nr. 23) verbeurd verklaard.

Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- 1 polstas (nr. 3 op de beslaglijst);

- 1 mobiele telefoon, merk Nokia (nr. 19);

- 1 dvd, merk Philips (nr. 20);

- 2 cadeaubonnen ter waarde van Euro 25,-- (niet opgenomen op de beslaglijst);

zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten:

- 1 mobiele telefoon, merk LG (nr. 8 op de beslaglijst);

acht de rechtbank [rechthebbende 1], wonende te Woerden degene die redelijkerwijs als rechthebbende van deze mobiele telefoon kan worden aangemerkt.

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten:

- 1 autosleutel van het merk Audi (nr. 21 op de beslaglijst)

acht de rechtbank [rechthebbende 2], wonende te Woerden degene die rederlijkerwijs als rechthebbende van de autosleutel kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal gelasten dat deze voorwerpen aan genoemde personen worden teruggegeven.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende :

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- mobiele telefoons, merk Nokia (nrs. 5, 6, 7, 9 en 10 op de beslaglijst)

zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbbende bevelen.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 1 december 2006 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 80 dagen, waarvan 40 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Blijkens een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de proeftijd ingegaan op 16 mei 2007.

De officier van justitie vordert thans dat de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt gelast.

Nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, te weten een deel van de hiervoor bewezen verklaarde feiten, heeft de veroordeelde voornoemde voorwaarde overtreden.

De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf van 40 dagen gelasten.

De rechtbank heeft acht geslagen op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het reeds vermelde wetsartikelen zijn de op te leggen straffen voorts gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 10 van de Opiumwet.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 24 MAANDEN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd: geld met de totale waarde van € 4488,95, een auto, merk Opel Corsa, met kenteken [kenteken] en een kentekenbewijs en een overschrijvingsbewijs.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: 71 ponypacks en 2 briefjes met namen en bedragen.

Gelast de teruggave van 1 mobiele telefoon (merk LG ) aan [rechthebbende 1], wonende te Woerden.

Gelast de teruggave van 1 autosleutel aan [rechthebbende 2], wonende te Woerden.

Gelast de teruggave van 1 polstas, 1 mobiele telefoon, merk Nokia, 1 dvd, merk Philips en 2 cadeaubonnen ter waarde van Euro 25,-- aan verdachte.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van 5 mobiele telefoons, merk Nokia.

Ten aanzien van parketnummer 16/370168-04:

Gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, opgelegd bij voornoemd vonnis d.d. 1 december 2006, te weten: gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.K.J. van den Boom, C.W. Bianchi en G.A. Bos, bijgestaan door F.P.L. van der Lee als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2007.

Mr. Bos is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.