Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0865

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-12-2007
Datum publicatie
24-12-2007
Zaaknummer
16-992069-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis: Fiscaal delict; ontvankelijkheidsverweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/992069-06

Datum uitspraak: 11 december 2007

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende te [woonadres], [woonplaats].

Raadsman: mr. A.M.C.J. Baaijens.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 november 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 16/617778-06 (waarbij een wijziging tenlastelegging is toegestaan) ten laste gelegd dat:

Aan de verdachte is ten laste gelegd (waarbij een wijziging tenlastelegging in feit 2 is toegestaan) dat:

1.

[Bakkerij X]

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari

2004 tot en met 17 mei 2006 (telkens) te Utrecht en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [Bakkerij X] (en/of met kenmerk nr.[nummer]) over het tijdvak 1 januari

2004 tot en met 30 juni 2004 (D-046) en/of over het derde en/of vierde

kwarta(a)l(en) 2004 (D-047 en D-048) en/of over het eerste en/of tweede en/of

derde en/of vierde kwarta(a)l(en) 2005 (D-049 tm D-052)

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans heeft doen doen,

immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk op de/het bij de inspecteur der

belastingen en/of de Belastingdienst te Utrecht en/of Heerlen en/of (elders)

belastingen en/of de Belastingdienst te Utrecht en/of Heerlen en/of (elders)

in Nederland ingeleverd(e) en/of ingezonden aangifte(n) omzetbelasting en

premie volksverzekeringen ten name van [Bakkerij X] (en/of met kenmerk

nr. [nummer]) over genoemd(e) tijdvak(ken),

(telkens) een te laag bedrag aan omzet en/of omzetbelasting vermeld en/of

laten doen vermelden, terwijl die/dat feit(en) (telkens) er toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte

(telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden

gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

2.

[Bakkerij X]

op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

januari 2004 tot en met 31 augustus 2005, (telkens) te Utrecht en/of (elders) in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een andere of anderen, althans alleen, (telkens) (een) kassta(a)t(en) - (elk) zijnde (een) geschrift(en), te weten

kassta(a)t(en), bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, immers heeft verdachte (telkens) in strijd met de waarheid in (een) kassta(a)t(en) van [Bakkerij X] betreffende voornoemde periode (D-016 tm D-027 en D-034 tm D-039) onder de post uitgaven niet alle door of namens [Bakkerij X] aan haar personeel uitbetaalde lonen vermeld en/of onder post inkomsten niet alle door of namens [Bakkerij X] ontvangen omzet (pizzaverkoop /opbrengsten) vermeld,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

Hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

september 2005 tot en met 17 juli 2006 (telkens) te Utrecht en/of (elders) in Nederland,

(telkens) opzettelijk niet binnen de daarvoor gestelde termijn (een) bij de

belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake

rijksbelastingen, te weten:

- een aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en/of

premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en/of premie

ziekenfondsverzekering zelfstandigen over het jaar 2004 en/of

- een aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en/of

premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en/of premie

ziekenfondsverzekering zelfstandigen over het jaar 2005;

(telkens) heeft gedaan, althans heeft doen doen,

terwijl die/dat feit(en) (telkens) er toe strekte(n) dat te weinig belasting

werd geheven;

art 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onherstelbare verzuimen in het voorbereidend onderzoek hebben plaatsgevonden waardoor er geen sprake meer kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet ex artikel 359a lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering. Het Openbaar Ministerie dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten eerste was er volgens de raadsman al vanaf 1 november 2005 sprake van een verdenking van meerdere fiscale delicten. Tijdens waarnemingen ter plaatse bij [Bakkerij X] op 25 oktober 2005 en 1 november 2005 werd door de Belastingdienst namelijk waargenomen dat het kasboek niet op een juiste wijze werd bijgehouden en dat de bakkerij open was tijdens vakantie van de vennoten terwijl in die periode geen ontvangsten werden geboekt. Vervolgens werd op 23 januari 2006 op basis van de controlebevoegdheid ex artikel 47 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna AWR) een boekenonderzoek ingesteld bij [Bakkerij X].

Het naast elkaar gebruiken van zowel controle- als opsporingsbevoegdheden wordt in beginsel toelaatbaar geacht mits van misbruik van een dezer bevoegdheden geen sprake is.

Door op 23 januari 2006 gebruik te maken van controlebevoegdheden terwijl er op dat moment al sprake was van een concrete verdenking van strafbare feiten, werd er in de visie van de raadsman misbruik gemaakt van de controlebevoegdheid. De controlebevoegdheid werd slechts gebruikt om de fiscale verdenking te bevestigen en bewijs voor deze verdenking te vergaren.

De bij deze oneigenlijke controle opgedane bevindingen vormden de (enige) feitelijke grondslag voor de doorzoekingsaanvraag en aanhouding van zijn cliënt.

Ten tweede is er, aldus de raadsman, op oneigenlijke gronden gebruik gemaakt van het bijzondere dwangmiddel in het fiscale strafrecht ex artikel 81 AWR nu dit dwangmiddel is ingezet bij [Horeca Groothandel X] terwijl er de facto sprake is geweest van een zogenaamde pseudo-doorzoeking. Het ingezette dwangmiddel ex artikel 81 AWR bij [Horeca Groothandel X] had kennelijk in overwegende mate betrekking op de financiële stukken van [Bakkerij X].

Ten derde zijn er, volgens de raadsman, ernstige aanwijzingen dat op ondoorzichtige wijze door de belastingdienst en/of het openbaar ministerie strafrechtelijke immuniteit is verleend aan boekhouder […] in ruil voor belastende verklaringen over verdachte.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen onherstelbare verzuimen in het voorbereiden onderzoek hebben plaatsgevonden. Na het boekenonderzoek op 23 januari 2006 ontstond pas een verdenking als bedoeld in artikel 27 Wetboek van Strafvordering. Vanaf dat moment zijn de controlebevoegdheden niet meer ingezet en werden de opsporingsbevoegdheden gehanteerd. Van ontoelaatbare gebruikmaking van controlebevoegdheden is volgens de officier van justitie geen sprake geweest. Het onderzoek is op juiste wijze verlopen. Artikel 81 AWR is op juiste wijze toegepast. De officier van justitie heeft ontkend dat de boekhouder strafrechtelijke immuniteit is verleend. Het openbaar ministerie is naar haar mening dan ook ontvankelijk.

De rechtbank verwerpt het verweer. De rechtbank deelt de stelling van de raadsman dat er verzuimen in het voorbereidend onderzoek hebben plaatsgevonden niet en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank is ten aanzien van het eerste onderdeel van het verweer van oordeel dat de constateringen naar aanleiding van de gedane waarnemingen ter plaatse van 25 oktober 2005 en 1 november 2005, zonder nader onderzoek nog niet direct hebben geleid tot een verdenking in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering. De geconstateerde onregelmatigheden gaven op dat moment enkel reden tot het verrichten van nader onderzoek. Dit nadere onderzoek vond plaats op 23 januari 2006 middels het zogenaamde boekenonderzoek.

Op basis van dit boekenonderzoek is de verdenking ontstaan als bedoeld in artikel 27 Wetboek van Strafvordering. Vanaf dat moment is er geen gebruik meer gemaakt van de controlebevoegdheid ex artikel 47 AWR maar werd op basis van de opsporingsbevoegdheid ex artikel 81 AWR bewijs vergaard.

De rechtbank is van oordeel dat de gehanteerde controle- en opsporingsbevoegdheden op juiste wijze en op daartoe geëigende momenten zijn ingezet zodat er in casu geen sprake is geweest van misbruik van controlebevoegdheden. Hieruit volgt tevens dat de doorzoeking van de woning van verdachte en zijn aanhouding rechtmatig hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van het tweede onderdeel van het verweer oordeelt de rechtbank als volgt. Artikel 81 AWR bepaalt dat de ambtenaren belast met het opsporen van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten te allen tijde bevoegd zijn tot inbeslagneming van de ingevolge het Wetboek van Strafvordering voor inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

In casu is van [Horeca Groothandel X] alleen uitlevering van stukken gevorderd die betrekking hadden op [Bakkerij X]. Vervolgens zijn deze stukken in beslag genomen. De rechtbank is van oordeel dat artikel 81 AWR op juiste wijze is toegepast en dat er van een pseudo-doorzoeking geen sprake was.

De rechtbank is ten aanzien van het derde onderdeel van het verweer van oordeel dat in het dossier onvoldoende aanknopingspunten aanwezig zijn die de vermeende, aan boekhouder […] verleende, immuniteit kunnen staven.

De bewezenverklaring

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat zijn cliënt de ten laste gelegde delicten niet opzettelijk heeft gepleegd.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt als volgt:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde:

Verdachte heeft meermalen ten overstaan van de buitengewone opsporingsambtenaren van de FIOD-ECD verklaard dat het klopt dat hij niet alle omzet in zijn administratie heeft verwerkt en dat hij niet alles aan zijn boekhouder heeft opgegeven. Ook heeft hij meermalen verklaard dat een deel van zijn personeel door hem zwart is betaald en dat er veel facturen niet zijn opgenomen in zijn administratie. Volgens verdachte had hij natuurlijk alles moeten aangeven maar dat heeft hij niet gedaan. De omzet van de pizza’s bijvoorbeeld heeft hij niet aangegeven omdat hij er zelf beter van wilde worden. Verdachte heeft verklaard dat het hem bekend was dat zijn kasadministratie onvolledig was. Volgens verdachte konden de aangiften omzetbelasting niet goed zijn omdat hij niet alle gegevens had afgegeven aan het administratiekantoor.

Ter terechtzitting heeft verdachte zich ten aanzien van de feiten op zijn zwijgrecht beroepen.

De rechtbank leidt uit de hiervoor weergegeven verklaringen van verdachte af dat verdachte bewust de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en acht daarmee de opzet tot het plegen van deze feiten bewezen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

Verdachte verklaarde tijdens zijn verhoor ten overstaan van de buitengewone opsporingsambtenaren van de FIOD-ECD dat hij wel eens gehoord heeft dat je aangifte inkomstenbelasting zou moeten doen, maar dat hij deze aangifte nog nooit heeft gezien.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte had moeten weten en ook had kunnen weten dat op hem de verplichting rustte tijdig de aangiften inkomstenbelasting in te dienen. Door dit niet te doen, zelfs niet nadat er aanmaningen naar hem zijn verstuurd , kan volgens de rechtbank opzet tot het plegen van het onder 3 ten laste gelegde worden aangenomen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten als volgt heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage I van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, met name de navolgende:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde:

Ten overstaan van de buitengewone opsporingsambtenaren van de FIOD-ECD heeft verdachte het volgende verklaard. Hij heeft bekend dat hij niet alle omzet en personeelskosten op de kasstaten van [Bakkerij X] heeft vermeld. Hij heeft zelf de kasstaten ingevuld. De aangiften omzetbelasting zijn volgens verdachte niet juist opgemaakt nu hij bewust onjuiste gegevens daarvoor heeft aangeleverd bij zijn boekhouder. Verder heeft verdachte verklaard dat hij op 1 januari 2004 is gestart met de [Bakkerij X] te Utrecht en dat hij de bakkerij op 1 mei 2006 heeft verkocht.

Een in het dossier aanwezig uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel waaruit blijkt dat verdachte en zijn vrouw de vennoten zijn van [Bakkerij X].

De bij de belastingdienst te Utrecht ingediende aangiften omzetbelasting ten name van [Bakkerij X] (met kenmerk [nummer]) over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 30 juni 2004 alsmede het derde en vierde kwartaal van 2004.

Een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal waarin staat vermeld dat bij de belastingdienst aangiften omzetbelasting ten name van [Bakkerij X] (met kenmerk [nummer]) van het eerste, tweede en derde kwartaal van 2005 elektronisch zijn binnengekomen waarbij de aangifte over het derde kwartaal van 2005 bij de belastingdienst is binnengekomen op 17 mei 2006. Uit de documenten D49 tot en met D51, waar in dit verband de tenlastelegging naar verwijst, kan de rechtbank niet afleiden dat deze betrekking hebben op de kwartalen uit 2005.

Een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal waarin staat vermeld dat op 24 november 2005 ambtshalve een aanslag omzetbelasting over het derde kwartaal van 2005 is opgelegd aangezien [Bakkerij X] tot op die datum geen aangifte over het derde kwartaal van 2005 had ingediend. Op 17 mei 2006 heeft [Bakkerij X] via internet bezwaar aangetekend tegen de ambtshalve aanslag omzetbelasting over het derde kwartaal van 2005. Vervolgens is de aanslag omzetbelasting verminderd naar € 0,- op basis van de door [Bakkerij X] aangevoerde gegevens.

Een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal met daarin een beschrijving van de door verdachte opgemaakte “zwarte” kasboeken waarin aantekeningen betreffende de daadwerkelijke inkomsten en uitgaven van [Bakkerij X] werden aangetroffen. Uit deze kasboeken komt naar voren dat er in totaal € 232.305,- niet is aangegeven voor de omzetbelasting en dat er € 90.247,- aan zwart loon is uitbetaald.

Nadeelberekening van de belastingdienst over hoeveel omzetbelasting [Bakkerij X] aan de belastingdienst verschuldigd is.

Kasstaten van [Bakkerij X] over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met augustus 2005.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

Het ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling waaruit blijkt dat verdachte geen aangiften inkomstenbelasting over 2004 en 2005 heeft ingediend terwijl verdachte daartoe verplicht was. Op 1 september 2005 werd naar verdachte een aanmaning verstuurd waarin kenbaar werd gemaakt dat de belastingdienst de aangifte over 2004 uiterlijk 1 oktober 2005 diende te ontvangen. Op 23 juni 2006 is aangemaand tot het doen van aangifte over 2005 welke aangifte de belastingdienst uiterlijk 14 juli 2006 had moeten ontvangen. Tot op het moment van opmaken van voornoemd proces-verbaal, te weten 17 juli 2006, zijn deze aangiften inkomstenbelasting niet ingediend.

Nadeelberekening van de belastingdienst over hoeveel inkomstenbelasting [Bakkerij X] aan de belastingdienst verschuldigd is.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

Feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging: een bij de belastingwet voorziene aangifte opzettelijk onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon;

Ten aanzien van feit 2:

Feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging: het opzettelijk opmaken van een vals geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon;

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd

van 2 jaren;

- een werkstraf van 140 uren, te vervangen door 70 dagen hechtenis;

- een geldboete van € 60.000,-, te vervangen door 220 dagen hechtenis.

Namens verdachte heeft de raadsman naar voren gebracht dat er bij de strafmaat rekening mee moet worden gehouden dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor fiscale delicten. Voorts heeft hij erop gewezen dat verdachte een jonge beginnende buitenlandse ondernemer was en dat verdachte door zijn strafvervolging een les heeft geleerd voor de toekomst. Verdachte heeft een grote fiscale naheffing gekregen waardoor hij financieel in de problemen is gekomen. Een onvoorwaardelijke geldboete zou verdachte, gelet op zijn draagkracht, niet kunnen betalen. Verdachte is zeer geschokt door zijn arrestatie en de drie dagen die hij in beperkingen heeft vastgezeten. Hij ondervindt hiervan nog steeds psychische gevolgen waarvoor hij inmiddels professionele hulp heeft gezocht. Verdachte is hierdoor niet in staat om zijn werk op een normale manier te doen, in ieder geval zal een werkstraf hierdoor problemen opleveren. Gelet op deze omstandigheden waarbij er voorts nog rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een gezin heeft met jonge kinderen, heeft de raadsman bepleit om aan verdachte slechts een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van bijna twee jaar grote bedragen omzetbelasting en inkomstenbelasting ontdoken. Hij heeft daarbij welbewust inkomsten buiten de boekhouding gehouden door een valse kasboekhouding bij te houden. Daarnaast heeft verdachte een schaduwboekhouding gevoerd op basis waarvan door de belastingdienst is berekend dat de fiscus door verdachte is benadeeld voor een totaal bedrag van € 131.245,- (omzetbelasting en loonbelasting).

Verdachte heeft zichzelf met dit bedrag verrijkt ten koste van de gemeenschap. Dat verdachte als beginnende buitenlandse ondernemer uit onwetendheid heeft gehandeld acht de rechtbank niet aannemelijk. Integendeel, uit het feit dat verdachte een complete schaduwboekhouding bij hield blijkt dat hij precies wist waar hij mee bezig was.

Ter terechtzitting heeft verdachte zich, voor zover het betrof de bespreking van de feiten, op zijn zwijgrecht beroepen. Door zijn houding ter terechtzitting heeft de rechtbank de indruk gekregen dat verdachte de ernst van zijn handelwijze niet inziet. Ondanks zijn ter terechtzitting getoonde ontreddering, bleek verdachte wel in staat tot het afleggen van een duidelijke verklaring toen gesproken werd over zijn persoonlijke omstandigheden.

Gelet op met name de grote omvang van het benadelingsbedrag kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf zoals door de raadsman is bepleit.

Daar waar het gaat om een financieel delict is allereerst een forse geldboete op zijn plaats. Rekening houdend met de draagkracht van verdachte zal de rechtbank echter een lagere geldboete opleggen dan door de officier van justitie is geëist waarvan de helft voorwaardelijk. Het voorwaardelijke deel van de geldboete acht de rechtbank voldoende om verdachte ervan te weerhouden nog een keer strafbare feiten te plegen. Daarom is het naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk om hiernaast nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals door de officier van justitie is gevorderd. Ter compensatie van de, ten opzichte van de eis, sterk gematigde geldboete acht de rechtbank tevens noodzakelijk om aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen van langere duur dan geëist. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte tot de uitvoering hiervan niet in staat zou zijn.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank ten slotte nog gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.

8 oktober 2007, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor dergelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte alsmede een taakstraf als na te melden passend en geboden.

Beslag

Verbeurdverklaring:

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp dat aan verdachte toebehoort, te weten een geldbedrag van € 2.413,-, zal worden verbeurd verklaard, aangezien dit voorwerp geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde is verkregen.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 33, 33a, 51, 225 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 68 en 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals vermeld in bijlage III van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 100 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling.

Veroordeelt de verdachte voorts tot betaling van een GELDBOETE van € 30.000,- (dertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 180 dagen.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot € 15.000,- (vijftienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 105 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart verbeurd: een geldbedrag van € 2.413,- (tweeduizend vierhonderd en dertien euro).

Dit vonnis is gewezen door mrs C.W. Bianchi, P.M.E. Bernini en J. Ozinga, bijgestaan door mr. M.C. Grotenhuis als griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 december 2007.

Mr J. Ozinga is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.