Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0656

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
SBR 07-1222
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurtoeslag. Terugvordering van onverschuldigd betaalde huurtoeslag op grond van artikel 16 van de Awir. Er is geen aanvraag om huurtoeslag ingediend. Voorts is niet gebleken van een toekenningsbesluit of van een herzieningsbesluit. De wettelijke grondslag voor de terugvordering ontbreekt derhalve, aangezien de Awir geen andere grondslag voor terugvordering bevat. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/1222

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 6 december 2007

inzake

[A.B.],

wonende te Maarssen,

eiseres,

tegen

de Belastingdienst/Toeslagen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 april 2007 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 15 juli 2006 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder een bedrag van € 875,- aan onverschuldigd betaalde huurtoeslag van eiseres teruggevorderd.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 14 november 2007, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde [G.M.]. Namens verweerder zijn verschenen mr. F.L.M. Schütz en D. Burghardt, werkzaam bij de Belastingdienst/Toeslagen.

Overwegingen

Feiten

2.1 Eiseres heeft op 13 oktober 2005 een (digitale) aanvraag voor zorgtoeslag bij verweerder ingediend voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006.

2.2 In de periode december 2005 tot en met juni 2006 is aan eiseres een maandelijks bedrag van € 125,- aan huurtoeslag uitbetaald.

2.3 Bij brief van 14 januari 2006 heeft eiseres verweerder bericht dat zij geen aanvraag voor huurtoeslag over 2006 heeft ingediend en dat zij de uitbetaalde huurtoeslag als een gift beschouwt indien niet binnen 14 dagen een antwoord van verweerder is ontvangen.

2.4 Op 24 mei 2006 heeft eiseres een wijzigingsformulier voor huurtoeslag ingediend. Op dit formulier heeft eiseres aangegeven dat zij nooit huurtoeslag heeft aangevraagd, nu zij een woning in eigendom heeft.

2.5 Bij besluit van 15 juli 2006 heeft verweerder een bedrag van € 875,- aan onverschuldigd betaalde huurtoeslag van eiseres teruggevorderd. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.6 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

2.7 Eiseres heeft - samengevat - aangevoerd dat de door haar ontvangen huurtoeslag als een gift moet worden beschouwd. Hiertoe heeft eiseres verwezen naar haar brief van 14 januari 2006 waarin zij verweerder een termijn van twee weken heeft gegeven om te reageren. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat zij geen aanvraag om huurtoeslag heeft ingediend, omdat zij reeds jaren een woning in eigendom heeft. In dit verband heeft eiseres betoogd dat de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) in dit geval niet van toepassing is, aangezien zowel een aanvraag om huurtoeslag als een beschikking huurtoeslag van verweerder ontbreken. Tot slot heeft eiseres verwezen naar een recent arrest van de Hoge Raad en een uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een publiekrechtelijke rechtsverhouding tussen eiseres en verweerder, waardoor een beroep op een (privaatrechtelijke) gift of schenking in dit kader geen rol kan spelen. Huurtoeslag is een tegemoetkoming voor mensen die beschikken over een huurwoning en niet voor mensen met een koopwoning. Verweerder betreurt het dat aan eiseres ten onrechte huurtoeslag is toegekend. Dit laat volgens verweerder echter onverlet dat artikel 16, vierde en vijfde lid, van de Awir de mogelijkheid bieden het voorschot te herzien en terug te vorderen. Omdat ten onrechte betaalde huurtoeslag uit de openbare middelen afkomstig is, wordt deze - zo heeft verweerder aangegeven - altijd teruggevorderd. Indien een herziening van een op grond van artikel 14 van de Awir verstrekt voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, is de betrokkene volgens verweerder op grond van artikel 26 van de Awir het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het arrest van de Hoge Raad en de uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, geeft verweerder aan dat eiseres niet heeft aangegeven welke specifieke jurisprudentie het betreft. Tot slot heeft verweerder erop gewezen dat eiseres het teruggevorderde bedrag via een betalingsregeling kan voldoen.

Beoordeling van het geschil

2.8 In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden een bedrag van € 875,- aan onverschuldigd betaalde huurtoeslag van eiseres heeft teruggevorderd.

2.9 Artikel 14, eerste lid, van de Awir bepaalt dat een tegemoetkoming op aanvraag wordt toegekend door de Belastingdienst/Toeslagen.

Artikel 16, eerste lid, van de Awir bepaalt dat de Belastingdienst/Toeslagen, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot verleent tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kan herzien.

Het vijfde lid bepaalt dat een herziening van het voorschot kan leiden tot een terug te vorderen bedrag.

2.10 Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geen aanvraag om huurtoeslag bij verweerder heeft ingediend. De rechtbank stelt voorts vast dat - anders dan verweerder heeft gesteld - niet is gebleken van een door verweerder op 29 december 2005 genomen besluit waarbij aan eiseres (een voorschot op) huurtoeslag is toegekend. Verweerder heeft van dit besluit geen afschrift kunnen overleggen. Verweerder heeft wel verwezen naar een zich in de gedingstukken bevindende print uit het systeem waar uit de bewoordingen "neg aanslag (...) 1.500 (...) 29dec05" zou kunnen worden afgeleid dat op 29 december 2005 een toekenning heeft plaatsgevonden. Op basis van deze print kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet onomstotelijk worden vastgesteld dat sprake is geweest van een toekenning. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat voor zover van een dergelijk besluit al sprake zou zijn, in ieder geval door verweerder niet aannemelijk is gemaakt dat dit besluit op de juiste wijze aan eiseres bekend is gemaakt.

2.11 Vervolgens rijst de vraag of verweerder feitelijk onverschuldigd betaalde huurtoeslag, waaraan geen toekenningsbesluit ten grondslag ligt, kan herzien. Aan de beantwoording van deze vraag komt de rechtbank in het onderhavige geval niet toe, waartoe zij het volgende overweegt. Het primaire besluit van 15 juli 2006 tot terugvordering van het voorschot, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder gebaseerd op artikel 16 van de Awir. Uit artikel 16, vijfde lid, van de Awir volgt dat herziening van het voorschot een noodzakelijke voorwaarde vormt om tot terugvordering van het voorschot over te kunnen gaan. Van een herziening is de rechtbank echter niet gebleken. Daarbij wijst de rechtbank erop dat eiseres stelt dat zij geen herzieningsbesluit heeft ontvangen, zich onder de gedingstukken geen kopie bevindt van het herzieningsbesluit en verweerder ter zitting in dit verband heeft opgemerkt dat ook geen herzieningsbesluit kan worden overgelegd, nu door verweerder geen kopie is bewaard. Verder heeft verweerder ter zitting desgevraagd meegedeeld dat de overgelegde print uit het systeem met datum 19 juli 2006 slechts ziet op de terugvordering. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat nu van herziening van het voorschot niet is gebleken aan de terugvordering van het voorschot een wettelijke grondslag ontbreekt.

2.12 Het beroep is daarmee gegrond wegens strijd met de wet. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere uitkomst leiden dan de herroeping van het primaire besluit van 15 juli 2006, aangezien de Awir geen andere grondslag voor terugvordering van een voorschot bevat. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in deze zaak te voorzien door het primaire besluit van 15 juli 2006 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.13 Het voorgaande laat overigens onverlet dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres geen recht heeft op huurtoeslag, aangezien eiseres sinds 1975 een koopwoning heeft en zij ook geen aanvraag om huurtoeslag heeft ingediend. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat zij vanaf het moment dat zij huurtoeslag ontving, heeft gepoogd verweerder duidelijk te maken dat zij daar geen recht op heeft. Voorts heeft eiseres aangegeven dat de terugvordering haar onaangenaam heeft verrast. De lange duur van de procedure, de slechte communicatie door verweerder en het ontbreken van een betalingsregeling hebben bij eiseres geleid tot ergernis, waardoor zij thans niet bereid is de aan haar betaalde huursubsidie terug te betalen. Ter voorlichting van eiseres merkt de rechtbank in dit verband op dat de omstandigheid dat hiervoor is geoordeeld dat verweerder de terugvordering niet op de thans gebruikte wettelijke grondslag heeft kunnen baseren, niet uitsluit dat er een andere wettelijke grondslag bestaat om de onverschuldigd aan haar betaalde huurtoeslag terug te vorderen.

2.14 Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in beginsel aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Van dergelijke kosten is de rechtbank echter niet gebleken. De rechtbank overweegt in dit verband dat ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht alleen de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Hiervan is in het geval van eiseres geen sprake, nu zij zelf het beroep heeft ingediend en niet is gebleken dat haar gemachtigde [G.M.] beroepsmatig rechtsbijstand verleent.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

recht doende,

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 herroept het primaire besluit van 15 juli 2006,

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,

3.5 bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht ad € 39,- aan haar vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Y. Sneevliet en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2007.

De griffier: De rechter:

mr. K. de Waard mr. Y. Sneevliet

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Let wel:

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.