Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0434

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
18-12-2007
Zaaknummer
16/442909-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren, meermalen gepleegd. Voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden en taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer(s): 16/442909-07

Datum uitspraak: 18 december 2007

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

Raadsman: mr. P.H.L.M. Souren.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 december 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven.

Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 4 december 2007 toegestaan.

Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 september 2004 tot en met 13 februari 2007 te Bilthoven, gemeente De Bilt, meermalen – telkens – als ambtenaar opzettelijk een bedrag aan geld (in totaal 181.861,51 euro) toebehorend aan de gemeente De Bilt en welk geld hij in zijn bediening van [functie] bij de gemeente De Bilt onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ter terechtzitting is gebleken dat er ten aanzien van de bewezenverklaring geen punten van geschil bestaan tussen de verdediging en het openbaar ministerie.

Op 14 februari 2007 heeft de gemeentesecretaris van gemeente De Bilt aangifte gedaan van verduistering van gelden toebehorende aan die gemeente . Op 6 maart 2007 is de aangifte aangevuld . In de aangifte en aanvullende aangifte is respectievelijk melding gemaakt van elf vreemde betalingen die waren gedaan op rekeningnummer 2971432 en drie vreemde betalingen die waren gedaan op rekeningnummer 308418573. Intern onderzoek van de gemeente De Bilt leidde naar verdachte (zie noot 1).

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zich schuldig te hebben gemaakt aan verduistering van gelden van de gemeente De Bilt, terwijl hij daar in dienst was als ambtenaar en in die bediening bevoegd was te beschikken over die gelden voornoemd.

Verdachte heeft overigens ook bij de politie een bekennende verklaring ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit afgelegd . De bekennende verklaringen van verdachte worden ondersteund door geschriften, opgenomen als bijlagen van het in de voetnoot 3 genoemde proces-verbaal op de pagina’s 51, 59, 66, 74, 81, 99, 107, 116, 230, 240 en 242.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna 2 jaar schuldig gemaakt aan het meermalen verduisteren van geld, oplopende tot een totaal bedrag van € 181.861,51, waarbij verdachte in ernstige mate misbruik heeft gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen. De door verdachte verduisterde gelden werden aangewend voor de aanschaf van luxe goederen. Verdachte heeft door zijn handelen de financiële belangen van zijn werkgeefster, gemeente De Bilt, benadeeld en het vertrouwen van de samenleving in de overheid en haar ambtenaren geschaad.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 30 november 2007, opgemaakt door G. Mulder, reclasseringswerker.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en

- een werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Het bewezen verklaarde feit acht de rechtbank dusdanig ernstig dat dat het opleggen van een gevangenisstraf, zoals is geëist door de officier van justitie, rechtvaardigt. De rechtbank heeft bij haar overwegingen echter de persoonlijke omstandigheden van verdachte zwaar laten meewegen. Zo heeft verdachte een gezin dat financieel zwaar getroffen zal worden indien verdachte veroordeeld zal worden tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, op een moment dat hij op het persoonlijke vlak orde op zaken aan het stellen is. Daarnaast heeft verdachte een betalingsregeling afgesproken met de gemeente De Bilt, die in het gedrang komt ingeval van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank acht daarom, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een taakstraf als na te melden passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 14a, 14b, 14c, 14d, 359 van het Wetboek van Strafrecht .

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bij de bewezenverklaring is vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 9 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft: dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, ook indien dit inhoudt dat verdachte wordt behandeld bij de Symforagroep in Hilversum of De Waag, met opdracht aan de Reclassering Nederland de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Dit vonnis is gewezen door mrs G.A. Bos, J.K.J. van den Boom en C.W. Bianchi, bijgestaan door mr. L.M. Janssens-Kleijn als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2007.