Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0311

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-12-2007
Datum publicatie
17-12-2007
Zaaknummer
SBr 073419 en 073420
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bewoner belanghebbende bij besluit tot onttrekking aan het openbaar verkeer van op- en afritten rijksweg A2. Zienswijzen ten onrechte niet - ontvankelijk verklaard. Rechtsgevolgen in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 07/3419 en 07/3420

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 december 2007 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

[eiser],

wonende te Utrecht,

eiser,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 9 november 2007 met betrekking tot de onttrekking aan het openbaar verkeer van de bij het Rijk in beheer en onderhoud zijnde op- en afritten naar de rijksweg A2 van de afslag Utrecht Oog in Al nabij km. 59.9 in de gemeente Utrecht.

1.2 Het verzoek is op 7 december 2007, gelijktijdig met het verzoek van eiser met betrekking tot de onttrekking aan het openbaar verkeer van de bij de gemeente Utrecht in beheer en onderhoud zijnde toe- en afritten (SBR 07/2996), ter zitting behandeld, waar namens eiser is verschenen drs. C. van Oosten, werkzaam bij bureau rechtsbescherming Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Geerdink, advocaat te Den Haag.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (SBR 07/3419):

2.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt omdat de onttrekking van de op- en afritten niet leidt tot een bepaalbare wijziging van de verkeerssituatie in de wijk Oog in Al en mede, tengevolge daarvan, een verslechtering van de luchtkwaliteit. Verweerder stelt dat er geen rechtstreeks verband is tussen de werking van het besluit tot onttrekking aan de openbaarheid en de door eiser aangevoerde belangen.

2.4 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3:10, eerste lid, van de Awb, is de afdeling 3.4 van deze wet van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Awb kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren brengen.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij een administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder een belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.5 De op- en afritten van de rijksweg A2 verbinden de rijksweg A2 met de Vleutenseweg, een van de toegangswegen naar het centrum van de stad Utrecht. De Vleutenseweg ligt ten noorden van de afrit naar de wijk Oog in Al.

Eiser woont aan de in de wijk Oog in Al gelegen Brücknerlaan. Deze laan ligt parallel aan de Martin Luther Kinglaan, welke weg het verkeersplein Hooggelegen op de rijksweg A2 verbindt met de woonwijk Oog in Al en het centrum van de stad Utrecht. Tussen het perceel van eiser en de Martin Luther Kinglaan is een groenstrook van circa 30 meter aanwezig. Al het verkeer dat de rijksweg A2 ter plekke verlaat in de richting van het centrum rijdt over de Martin Luther Kinglaan. Pas voorbij het perceel van eiser kan het doorgaand verkeer zich via het 24 oktoberplein verspreiden.

Eiser stelt dat veel automobilisten op de rijksweg A2 die uit het zuiden komen met de bestemming (stad) Utrecht gebruik zullen gaan maken van de afslag bij de Martin Luther Kinglaan en niet, zoals verweerder veronderstelt, de 1,7 kilometer noordelijker gelegen afrit Lage Weide van de rijksweg A2, omdat men dan circa 3,5 kilometer moeten omrijden. Deze toename van verkeer heeft een direct gevolg op de kwaliteit van eisers leefomgeving.

2.6 De stelling van verweerder dat de eerdergenoemde uitspraak van de ABRS van 5 april 2006 onverkort van toepassing is in de situatie van eiser kan de voorzieningenrechter niet volgen. Het belang van eiser in de onderhavige procedure is niet op een lijn te stellen met het veel ruimere belang van de rechtspersoon die in die zaak opkwam tegen een uitwerkingsplan op grond van artikel 11 van de WRO. De voorzieningenrechter is, onder verwijzing naar onder meer de uitspraken van de ABRS van 30 november 2005, zaaknummer 2005022231 en van 8 februari 2006, zaaknummer 200505278, van oordeel dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de onttrekking van de onderhavige op- en afritten aan het openbaar verkeer voor eiser nadelige effecten door een toename van het verkeer op de Martin Luther Kinglaan met zich zal brengen. Eisers woning is gelegen in de directe omgeving van deze weg. Hieruit volgt dat eiser, los van de specifieke omvang van de verkeerstoename op de Martin Luther Kinglaan, een rechtstreeks, en bovendien voldoende van andere inwoners van Utrecht te onderscheiden, belang bij de onttrekking heeft en kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep van eiser is daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontvankelijk.

2.7 Het voorgaande brengt met zich dat verweerder bij het bestreden besluit de zienswijzen van eiser ten onrechte niet - ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is om deze reden gegrond en het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. De voorzieningenrechter ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

2.8 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wegenwet, kan een weg, die door het Rijk wordt onderhouden, aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een door Ons te nemen besluit.

Met het oog op de afweging van de bij het besluit behorende belangen heeft verweerder besloten toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb, zodat belanghebbenden zienswijzen konden indienen met betrekking tot het voorgenomen besluit tot onttrekking van de op- en afritten aan de openbaarheid.

2.9 Eiser voert aan dat verweerder de onderhavige weggedeelten niet aan het openbaar verkeer mocht onttrekken. De onttrekking van de onderhavige en van de bij de gemeente in eigendom zijnde weggedeelten leidt tot een bepaalbare wijziging van de verkeerssituatie in de wijk Oog in Al. De achtertuin van zijn woning grenst aan de Martin Luther Kinglaan die de toegangsweg is naar het knooppunt Hooggelegen A2. In 2006 waren er op deze weg dagelijks 35.000 motorvoertuigbewegingen. Uit de luchtkwaliteitrapportage van 12 november 2007 met betrekking tot de reconstructie van het 24 Oktoberplein blijkt dat in 2010 op de Martin Luther Kinglaan 60.500 motorvoertuigbewegingen zullen plaatsvinden zonder realisering van de fly-over en 62.000 indien de fly-over wel wordt gerealiseerd. De gemeente Utrecht geeft aan dat de toename van de verkeersbewegingen niet wordt veroorzaakt door de reconstructie van het 24 Oktoberplein, zodat de toename in verkeersbewegingen door iets anders moet worden veroorzaakt. In de procedure over het Majellaknooppunt heeft de gemeente Utrecht erkend dat er een direct verband bestaat tussen het opheffen van de toe- en afritten op de rijksweg A2 en een aanzienlijke toename van de belasting op de Martin Luther Kinglaan. Volgens eiser is er dan ook een directe relatie tussen het opheffen van de op- en afritten en de verkeerstoename op de Martin Luther Kinglaan. Met dit belang heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden.

2.10 Eisers betoog spitst zich er op toe dat verweerder de gevolgen van het besluit voor de luchtkwaliteit niet inzichtelijk heeft gemaakt. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat bij de vaststelling van het globale bestemmingsplan Leidsche Rijn Utrecht 1999 is uitgegaan van de afwikkeling van het autoverkeer met de bestaande stad via de Noordelijke Randweg Utrecht, de Spoorlaan, de Vleutenseweg en de Martin Luther Kinglaan. Tevens is in dit plan voorzien dat de Noordelijke Randweg Utrecht, de Spoorlaan en de Martin Luther Kinglaan rechtstreeks op de A2 zijn aangesloten. Daarbij is naast het verleggen en verbreden van de rijksweg A2 voorzien in het vervallen van de op- en afritten van de rijksweg A2. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat door TNO onderzoek is verricht naar de gevolgen van de realisering van het bestemmingplan op de luchtkwaliteit. Vastgesteld wordt voorts dat de uitwerkingsplannen A2 Wetering Zuid Spoorlijn en A2 Spoorlijn Hogeweide voorzien in verlegging van de rijksweg A2 en in een gedeeltelijke overkluizing in de vorm van gebouwde constructies over de weg heen, waardoor een wijziging in de regionale verkeersinfrastructuur noodzakelijk is en onder andere de aansluiting Utrecht West / Vleutenseweg komt te vervallen. Zowel het bestemmingsplan als de hiervoor genoemde uitwerkingsplannen zijn inmiddels onherroepelijk geworden.

2.11 De voorzieningenrechter is met eiser van oordeel dat uit het hiervoor genoemde bestemmingsplan en de daarop gebaseerde uitwerkingsplannen niet dwingend volgt dat de onderhavige op- en afritten aan de openbaarheid worden onttrokken. Het bestemmingsplan biedt immers slechts het kader voor toegestane planologische ontwikkelingen en kan deze niet dwingend voorschrijven. Dit kan ook worden afgeleid uit de meergenoemde uitspraak van de ABRS van 5 april 2006. Dit laat evenwel onverlet dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan (en de daarop gebaseerde uitwerkingsplannen) bij toetsing aan de eisen van luchtkwaliteit vooruit moet lopen op de realisering van de voorgenomen bestemming en de gevolgen daarvan voor de luchtkwaliteit. Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat het onderhavige besluit niet vereist dat nogmaals afzonderlijk onderzoek had moeten worden gedaan naar de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit.

2.12 De door eiser aangevoerde gronden kunnen daarom niet leiden tot het oordeel dat verweerder na afweging van de bij het besluit betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het onttrekken van de op- en afritten aan het openbaar verkeer. Om deze reden kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten.

2.13 De voorzieningenrechter zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand .

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (SBR 07/3420):

2.14 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist.

2.15 De voorzieningenrechter zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1) als kosten van verleende rechtsbijstand .

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep gegrond,

3.2 vernietigt het bestreden besluit,

3.3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven,

3.4 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- aan hem vergoedt;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- te betalen door de Staat der Nederlanden;

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.7 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- aan hem vergoedt;

3.8 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,- te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus vastgesteld door mr. drs. R. in ’t Veld en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2007.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. drs. H. Maaijen mr. drs. R. in ’t Veld

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Let wel

Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de voorzieningenrechter gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.