Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0272

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
14-12-2007
Zaaknummer
16/600731-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor diefstallen met geweld en afpersing tot gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600731-07

Datum uitspraak: 26 oktober 2007

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak

gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1980 te Curaçao (Nederlandse Antillen)

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Demersluis, H.J.E. Wenckebachweg 48 te Amsterdam.

Raadsvrouwe: mr. H.S.K. Jap A Joe, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 oktober 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. De inhoud daarvan is hier ingevoegd:

1.

hij op of omstreeks 27 juni 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een mobiele telefoon (Siemens) en/ of een zakje wiet, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of

vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die

[aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of

gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat verdachte die [aangever 1] de woorden heeft toegevoegd: "ga gewoon zitten,

anders heb je een probleem", althans woorden van gelijke dreigende aard en/ of

strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. Primair

hij op of omstreeks 29 juni 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

mobiele telefoon (Nokia), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd

van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [aangever 2], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of

welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte onverhoeds de

telefoon uit de handen van die [aangever 2] trachtte te trekken en/ of

(vervolgens) die [aangever 2] bij de jas heeft vastgegrepen en/ of (vervolgens)

een mes heeft gepakt en dat mes (dicht) bij de keel van die [aangever 2] heeft

gehouden;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 29 juni 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, met het oogmerk om zich en / of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [aangever 2] heeft

gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (Nokia), in elk geval van

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 2], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en / of welke bedreiging

met geweld hierin bestond(en) dat verdachte onverhoeds de telefoon uit de

handen van die [aangever 2] trachtte te trekken en/of (vervolgens) die [aangever 2]

bij de jas heeft vastgegrepen en/of (vervolgens) een mes heeft gepakt en dat

mes (dicht) bij de keel van die [aangever 2] heeft gehouden en/of tegen die

[aangever 2] zei: "geef je telefoon" of woorden van gelijke strekking;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 02 juli 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een camera en/ of een cameratas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever 3], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of

gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen die [aangever 3],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk

te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

die [aangever 3] meermalen, althans eenmaal, heeft geslagen en/ of (vervolgens)

die [aangever 3] heeft vastgepakt en op hem is gaan zitten en/ of (vervolgens)

pepperspray, althans een vloeistof, in de nek en/ of op de wang van die

[aangever 3] heeft gespoten;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld, namelijk dat

1:

hij op 27 juni 2007 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Siemens) en een zakje wiet toebehorende aan [aangever 1], welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen die

[aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte die [aangever 1] de woorden heeft toegevoegd: "ga gewoon zitten, anders heb je een probleem", althans woorden van gelijke dreigende aard en/ of strekking.

2 primair:

hij op 29 juni 2007 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Nokia) toebehorende aan [aangever 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte onverhoeds de telefoon uit de handen van die [aangever 2] trachtte te trekken en die [aangever 2] bij de jas heeft vastgegrepen en vervolgens een mes heeft gepakt en dat mes dicht bij de keel van die [aangever 2] heeft gehouden.

3:

hij op 02 juli 2007 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een camera en een cameratas toebehorende aan [aangever 3], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [aangever 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte die [aangever 3] heeft geslagen en vervolgens die [aangever 3] heeft vastgepakt en op hem is gaan zitten en pepperspray, althans een vloeistof, in de nek en op de wang van die [aangever] heeft gespoten.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de aangifte van [aangever 1] , de verklaring van getuige [getuige 1] en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op 29 juni 2007 in het Griftpark te Utrecht een jongen van achteren heeft vastgepakt, zijn jas heeft vastgehouden en zijn telefoon heeft afgepakt. Verdachte heeft ontkend dat hij hierbij een mes heeft gebruikt.

Zowel aangever [aangever 2] als getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de dader bij deze diefstal een mes dicht bij de keel, althans de punt van het lemmet in de richting van het lichaam van aangever, heeft gehouden. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de dader iets waarvan zij dacht dat het een mes was tegen de keel van aangever heeft gehouden.

Gelet op de hiervoor genoemde gedeeltelijk bekennende verklaring van verdachte, de aangifte van [aangever 2] en de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3], acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als hierboven is bewezenverklaard.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de aangifte van [aangever 3] en de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] én van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] .

Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat hij op 2 juli 2007 omstreeks 5.15 uur op het Vredenburg te Utrecht liep, toen een negroïde man, leeftijd tussen de 20 en 25 jaar, lengte tussen de 1.85m en 1.90m met korte dreadlocks (stompjes) op hem af kwam lopen. De man maakte een beweging met zijn armen en opeens voelde aangever een straal in zijn nek, waarvan hij dacht dat het pepperspray was. De man duwde en sloeg hem een paar keer. Aangever rende weg, gleed uit en viel met zijn buik op de grond. Toen hij zich omdraaide zag hij de man op hem afkomen. De man pakte hem vast aan zijn bovenlichaam en ging boven op hem zitten. Aangever zag dat de man zijn tas met camera van hem afpakte. De man liep vervolgens weg in de richting van de Drie Haringenstraat. In de politieauto voelde aangever pijn en een branderig gevoel in zijn nek en op zijn wang. Deze plekken waren rood.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben verklaard dat zij met een fotoprint van de camerabeelden van de op het Vredenburg op 2 juli 2007 omstreeks 5.20 uur plaatsgevonden beroving naar de afdeling Straatroofteam zijn gegaan en daar een recente foto te zien kregen van een man genaamd [verdachte] die door het straatroofteam was aangehouden. Voornoemde verbalisanten herkenden [verdachte] als de man op de fotoprint die de beroving zou hebben gepleegd op het Vredenburg te Utrecht.

De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben verklaard dat zij op 4 juli 2007 de camerabeelden van de op 2 juli 2007 omstreeks 5.15 uur op het Vredenburg gepleegde beroving hebben bekeken. Zij herkenden de hierop getoonde negroïde man ambtshalve als de man die op 2 juli 2007 om 21.45 uur was aangehouden in verband met een beroving op het Lucas Bolwerk en het Griftpark. Het betreft de verdachte [verdachte]. Tevens zagen de verbalisanten op de camerabeelden dat de genoemde verdachte een donkerkleurig tasje om zijn nek had hangen en een donkerkleurig shirt droeg met een afbeelding op de linker voorzijde. De verbalisanten zagen op 4 juli 2007 dat voornoemd tasje en shirt in de fouillering van verdachte [verdachte] zat.

De rechtbank is van oordeel, op basis van het signalement gegeven door aangever, de herkenning door de vier verbalisanten van verdachte én het aantreffen van het ten tijde van de beroving gedragen tasje en shirt in de fouillering van verdachte, dat het verdachte is die dit feit heeft gepleegd.

De rechtbank merkt voorts op dat de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij ten tijde van het feit sliep in de Sleep-Inn, niet aan het plegen van het feit in de weg hoeft te staan. Immers is uit telefonische navraag door de officier van justitie met [getuige 4] van de Sleep-Inn gebleken dat gasten van de Sleep-Inn op hun eigen verzoek al om 5 uur ’s-morgens het pand mogen verlaten.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2 primair en 3 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 primair en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van de feiten 2 primair en 3:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft onder invloed van cocaïne in een tijdsbestek van zes dagen drie diefstallen met geweld cq bedreiging met geweld gepleegd, waarbij hij niet heeft geschuwd wapens te gebruiken.

Verdachte heeft deze diefstallen enkel gepleegd om in zijn verslaving te kunnen voorzien en heeft in het geheel niet stilgestaan bij de impact van de feiten op de slachtoffers.

Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort gewelddadige feiten gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving en in het bijzonder bij de slachtoffers veroorzaken.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 juli 2007, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor geweld- en vermogensdelicten;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van Centrum Maliebaan Utrecht d.d. 16 augustus 2007, opgemaakt door dhr. L. Scheffers, reclasseringswerker;

- een omtrent verdachte opgemaakt pro justitia rapport d.d. 5 september 2007 van dr. A. van der Donk, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, inhoudende – zakelijk weergegeven – als conclusie en advies:

Betrokkene is Antilliaanse man die op zwakbegaafd tot laaggemiddeld intelligentieniveau functioneert en sinds een aantal jaren verslaafd is aan cocaïne. Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in vorm van een afhankelijkheid van cocaïne. Tevens is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis NAO. Ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten waren deze stoornissen aanwezig en beïnvloedden zij betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen.

De delicten zijn gepleegd gegeven betrokkenes persoonlijkheidsstoornis, de roes van

cocaïne en de drang om aan geld te komen om nieuwe drugs te kunnen kopen. Betrokkene heeft de ongeoorloofdheid van de hem ten laste gelegde feiten kunnen inzien, maar werd door zijn stoornissen in zijn wilsvrijheid beperkt. Derhalve kan hij verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. Gezien de persoonlijkheidsstoornis alsmede zijn verslaving moet de kans op herhaling van een soortgelijk delict bij ongewijzigde omstandigheden als hoog worden beschouwd.

Om de herhalingskans in de toekomst zoveel mogelijk te beperken wordt dan ook geadviseerd betrokkene in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf aan te melden voor het programma Triple-Ex, zoals dat aangeboden wordt bij Parnassia verslavingszorg te Den Haag.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar én de bijzondere voorwaarde van een behandeling bij Triple-Ex;

- gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] tot een bedrag van € 113,-- met de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 2 dagen hechtenis.

De rechtbank acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 3 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 113,-- wegens materiële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 3 bewezenverklaarde feit.

De materiële schade wordt begroot op € 113,--.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2 primair en 3 telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van DERTIG (30) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot ZES (6) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

• dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij Tripple Ex (Parnassia verslavingszorg) te Den Haag, welke behandeling onder meer een opname behelst voor een periode van maximaal de proeftijd van twee jaar;

• met opdracht aan voornoemde reclasseringsinstelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 3], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 113,-- (zegge honderddertien euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 113,-- (zegge honderddertien euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van twee (2) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mrs D.A.C. Koster, L.E. Verschoor-Bergsma en Y.A.T. Kruyer, bijgestaan door H.A.M. Blom als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 oktober 2007.