Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0257

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
14-12-2007
Zaaknummer
530187 UC 07-9006
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4881, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfsongeval. Schending zorgplicht werkgever. Voorzienbaar gevaar. Werknemer parkeert zijn vrachtauto op het bedrijfsterrein van de werkgever naast een muurtje, waarachter een zich een verlaagd terreingedeelte bevindt. Hij stapt op of naast het muurtje en valt naar beneden. De kantonrechter acht de werkgever aansprakelijk omdat die zich het gevaar had moeten realiseren en maatregelen had moeten nemen of instructies had moeten geven.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 530187 UC 07-9006 JS

vonnis d.d. 12 december 2007

inzake

[eiser], wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.D. Witteveen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTERNATIONAAL TRANSPORT GEBR. VAN DER LEE B.V.,

gevestigd te Hagestein,

verder ook te noemen Van der Lee,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M. Eijkelenboom.

Verloop van de procedure

[eiser] heeft een vordering ingesteld. Van der Lee heeft geantwoord op de vordering. [eiser] heeft voor repliek en Van der Lee heeft voor dupliek geconcludeerd. Hierna is uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten, zoals die blijken uit de niet of onvoldoende betwiste stellingen van partijen en de overgelegde en niet of onvoldoende betwiste producties.

1. [eiser] is op 21 juni 1999 bij Van der Lee in dienst getreden als vrachtwagenchauffeur. Van der Lee exploiteert onder andere een asfaltcentrale in Lelystad. [eiser] is op het terrein van de asfaltcentrale goed bekend.

2. Op 24 juni 2005 heeft [eiser] zijn vrachtwagen op het terrein geparkeerd naast een rand/muurtje met een hoogte 25 centimeter en een breedte van eveneens 25 centimeter.

3. Toen hij uit zijn vrachtwagen stapte is [eiser] op een ongeveer 1,5 meter lager gelegen gedeelte van het bedrijfsterrein dat zich aan de andere zijde van het muurtje bevindt, gevallen. Daarbij heeft hij rugletsel opgelopen.

4. Bij de ingang van het terrein staat een informatiebord, waarop onder andere is vermeld:

“P in de vakken”.

De vordering van [eiser]

[eiser] heeft gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat Van der Lee aansprakelijk is voor de gevolgen van het bedrijfsongeval en dat Van der Lee uit dien hoofde de schade dient te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

Tevens heeft [eiser] gevorderd dat Van der Lee zal worden veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke kosten

ad € 3.393,17, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening en dat Van der Lee zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Aan zijn vordering heeft [eiser] naast de hierboven vastgestelde feiten het volgende - samengevat - ten grondslag gelegd.

Op 24 juni 2005 heeft hij zijn vrachtauto naast het muurtje van 25 cm hoogte geparkeerd. Tussen de vrachtauto en het muurtje zat volgens hem nog ongeveer 50 cm. Bij het uitstappen is [eiser] over het muurtje gestruikeld en aan de andere zijde naar beneden gevallen.

Voor vrachtwagens zijn geen aangegeven parkeervakken. Geparkeerd wordt op eigen initiatief of in overleg met de shovelmachinist. [eiser] en zijn collega’s parkeerden regelmatig op deze plek.

[eiser] stelt dat Van der Lee in de op haar rustende zorgplicht tekort is geschoten, nu zij heeft nagelaten fysieke veiligheidsmaatregelen te treffen en ook niet, althans onvoldoende, heeft gewaarschuwd.

Het standpunt van Van der Lee

Van der Lee heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen. Zij heeft gesteld dat voor vrachtwagens wel aangewezen parkeervakken zijn, zodat op de betreffende plek niet hoefde te worden geparkeerd.

Verder stelt Van der Lee dat [eiser] zijn vrachtwagen zo dicht naast het muurtje heeft geparkeerd, dat hij niet meer tussen het muurtje en de vrachtauto kon staan, maar vermoedelijk op het muurtje is gaan staan, vervolgens daarvan is afgegleden en naar beneden is gevallen.

Volgens Van der Lee is er sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Bovendien gaat het om een ongeval dat zich ook in de privésfeer had kunnen voordoen. De zorgplicht van een werkgever gaat volgens Van der Lee niet zover dat die ook maatregelen moet treffen ter voorkoming van gevaren die samenhangen met alledaagse handelingen. Daarbij komt dat [eiser] een zeer ervaren werknemer is die bovendien goed bekend is met de situatie.

De beoordeling van de vorderingen

Tussen partijen staat vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de werkzaamheden door [eiser]. De vraag is dan of Van der Lee heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht zoals bedoeld in art. 7:658 BW.

Voor de beantwoording van die vraag is maatgevend het wettelijk uitgangspunt dat op de werkgever de verplichting rust om, kort gezegd, de arbeid en werkplek van de werknemer zodanig te organiseren dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geen schade lijdt. Deze veiligheidsverplichting wordt beperkt tot wat redelijkerwijs nodig is. Het gaat hier om een inspanningsverbintenis en niet om een resultaatverbintenis. Verder moet gewicht worden toegekend aan het gegeven dat het een ervaringsfeit is dat het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie leidt tot een vermindering van de ter voorkoming van ongelukken raadzame voorzichtigheid en dat dit in het bijzonder geldt in gevallen waarin aanzienlijke risico's zijn verbonden aan de door de werknemer verrichte werkzaamheden.

Tegen de achtergrond van deze regels wordt het volgende overwogen.

Van der Lee heeft niet betwist dat [eiser], evenals zijn collega’s, zijn vrachtauto met regelmaat parkeerde op het terrein naast het muurtje. Gesteld noch gebleken is, dat Van der Lee bezwaar heeft gehad tegen het parkeren op de bewuste plek, laat staan het parkeren aldaar verboden heeft. Aan de omstandigheid dat elders op het terrein mogelijk parkeerplaatsen aanwezig waren kan dan ook geen doorslaggevende betekenis worden gehecht.

Van der Lee heeft voorts betoogd dat een val bij het uitstappen uit een vrachtauto een zo alledaagse situatie is, dat de zorgplicht van de werkgever daar geen betrekking op heeft. Dit standpunt zou mogelijk juist kunnen zijn, indien sprake is van letsel als gevolg van het enkel uitstappen uit de vrachtauto, maar daar gaat het in deze zaak niet om.

[eiser] heeft immers gesteld dat de (informele) parkeerplek gevaarlijk is, omdat die aan de bestuurderskant wordt begrensd door een laag muurtje (door de expert van (de verzekeraar van) Van der Lee aangeduid als “een rand”), waarachter een ongeveer 1,5 meter lager gelegen terrein lag, zodat een val over of van het muurtje ernstige gevolgen kan hebben.

De kantonrechter acht een dergelijke situatie in beginsel gevaarlijk. Uit de foto’s die door [eiser] zijn overgelegd is af te leiden dat het muurtje kennelijk (mede) tot doel had te voorkomen dat (vracht)auto’s op het lager gelegen terrein zouden rijden. Van Van der Lee had dan ook mogen worden verwacht dat zij aandacht zou schenken aan deze situatie vanuit het perspectief dat chauffeurs achterwaarts uit hun vrachtauto stappen en zodoende valrisico lopen, omdat zij ofwel te dicht op het muurtje hebben geparkeerd en daarop stappen, dan wel bij het achteruitstappen hun evenwicht verliezen en over het muurtje vallen. Dat had Van der Lee moeten bewegen om daar maatregelen voor te nemen in fysieke zin (verhoging van het muurtje c.q. aanbrengen van een valbescherming) of het invoeren en handhaven van een parkeerverbod.

Nu Van der Lee dit heeft nagelaten is zij jegens [eiser] in de op haar rustende zorgplicht tekort geschoten.

Van der Lee heeft er nog op gewezen dat Van der Lee aan de passagierskant had kunnen uitstappen, maar dat verweer baat Van der Lee niet. Afgezien van het feit dat dit een betrekkelijk omslachtige werkwijze is, die in de dagelijkse praktijk niet gemakkelijk wordt aangehouden, is de veronachtzaming van een dergelijke handeling inherent aan de dagelijkse werksituatie van [eiser].

Dit leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] als volgt kunnen worden toegewezen. Van der Lee heeft ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente opgemerkt dat die onjuist is gevorderd, omdat op 24 juni 2005 nog niet alle schadeposten opeisbaar zijn, wat door [eiser] niet is bestreden. De kantonrechter zal de wettelijke rente dan ook toewijzen in na te melden zin.

Van der Lee heeft geen bezwaren geuit tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten zodat die ook voor toewijzing in aanmerking komen. [eiser] heeft echter niet gesteld dat hij deze kosten reeds aan zijn gemachtigde heeft voldaan, zodat de wettelijke rente over deze kosten niet toewijsbaar is.

Partijen hebben verder nog gedebatteerd over de vraag of de huidige (medische) situatie volledig aan het ongeval is toe te schrijven, maar dat staat los van de aansprakelijkheid en die vraag behoeft thans geen verdere bespreking, doch kan in de schadestaatprocedure aan de orde worden gesteld.

Als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij zal Van der Lee in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat Van der Lee aansprakelijk is voor de gevolgen van het aan [eiser] overkomen ongeval op 24 juni 2005 en dat Van der Lee gehouden is die schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf de dag dat de respectievelijke schadeposten opeisbaar zijn geworden tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Van der Lee om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 3.393,17 ten titel van buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt Van der Lee tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 790,31 waarin begrepen € 600,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 december 2007.