Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0034

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
24-12-2007
Zaaknummer
218678/HA ZA 06-2160
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep afvloeiingsregeling afgewezen, omdat beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 218678 / HA ZA 06-2160

Vonnis van 5 december 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.W. Janssens,

tegen

de naamloze vennootschap

'T ZUIDEROORD N.V.,

statutair gevestigd te Utrecht en kantoorhoudende te Hilversum,

gedaagde,

procureur mr. E.J.A. Vilé.

Partijen zullen hierna [eiser] en Zuideroord worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 november 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 5 februari 2007

- de conclusie van repliek, tevens wijziging van eis

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Zuideroord is een moedermaatschappij van een aantal vennootschappen, waaronder SHF Real Estate B.V. (verder: “SHF”). [eiser] is op 1 september 2000 in dienst getreden bij Zuiderschild B.V., welke arbeidsovereenkomst is overgegaan op SHF. Per 1 januari 2005 is [eiser] benoemd tot statutair directeur van Zuideroord.

2.2. Op 18 januari 2005 zijn Zuideroord en [eiser] een “afvloeiingsregeling statutair directeur overeengekomen” (verder: “de afvloeiingsregeling”), waarin onder meer het volgende is overeengekomen.

“1.1. Indien Zuideroord N.V. of [eiser] om welke reden dan ook tussentijds tot beëindiging c.q. opzegging van het dienstverband overgaat, anders dan door middel van een onverwijlde opzegging wegens een gelijktijdige medegedeelde dringende reden in de zin der wet, heeft [eiser] jegens de vennootschap aanspraak op een schadeloosstelling als hierna te noemen. Onder beëindiging in de vorige zinsnede wordt niet het van rechtswege eindigen van de dienstbetrekking op 65-jarige leeftijd bedoeld, maar wel mede begrepen een door de rechter uitgesproken ontbinding wegens gewichtige redenen in de zin van artikel 7:685 BW jo. artikel 2:241 BW ten verzoeke van de vennootschap of ten verzoeke van [eiser], indien die ontbinding wordt uitgesproken op grond van een verandering in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 lid 2 BW. Onder veranderde omstandigheden wordt mede begrepen het niet (meer) voor handen hebben van voor [eiser] passende werkzaamheden. Na te noemen schadevergoeding is eveneens verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst op initiatief van de vennootschap tussentijds wordt opgezegd en de oorzaak van de opzegging buiten [eiser] is gelegen, bijvoorbeeld in geval van liquidatie van de vennootschap (…). Uit hoofde van de hierboven bedoelde tussentijdse beëindiging c.q. opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zal de vennootschap aan [eiser] terzake van een schadevergoeding een bruto bedrag gelijk aan de uitkomst van de regeling “kantonrechters formule” zoals bekend verondersteld, uitgaande van de neutrale factor, aantal dienstjaren en leeftijd, één en ander zoals te doen gebruikelijk bij toepassing van de “kantonrechters formule”. In verband met het risico profiel van een statutair directeur zal de uitkomst worden verhoogd met 25%.

1.2. (…)

1.3. Onder inkomen wordt in dit verband verstaan het overeengekomen jaarsalaris, de van toepassing zijnde bonusregeling, uitgaande van het gemiddelde over de afgelopen drie jaren totaal uitgekeerde bonussen en de waarde van het privé gebruik van de auto, te stellen per jaar op het terzake voor de inkomensbelasting gewaarde bedrag. (…)”

2.3. Bij brief van 12 mei 2006 is [eiser] als werknemer van SHF op staande voet ontslagen. De grond voor dit ontslag luidt als volgt:

“U bent in het geheim, terwijl u in dienst bent van SHF, bezig met drie andere werknemers van SHF, een aan uw werkgever en de met haar gelieerde vennootschappen, concurrerend bedrijf op te richten. Hiervoor heeft u onder meer externe adviseurs geraadpleegd en een business plan opgesteld. Dit concurrerend bedrijf is direct in strijd met het bedrijfbelang van SHF en de met haar gelieerde vennootschappen. Bovendien brengt u hierdoor de continuïteit van SHF en de met haar gelieerde bedrijven in gevaar.

Bij de oprichting van dit concurrerende bedrijf heeft u reeds twee maal gesproken met de belangrijkste contractpartner van SHF, zijnde DVC in Veenendaal. Verder heeft u de oprichting van het concurrerend bedrijf meegedeeld aan twee werknemers van SHF.

Ook heeft u de laatste maanden opzettelijk subversieve acties ondernomen ten opzichte van SHF en de met haar gelieerde vennootschappen, onder meer door het niet uitvoeren van aan u gegeven opdrachten met betrekking tot de lopende projecten, alsmede het blokkeren van die projecten. Hierbij heeft u onder meer de belangrijke bestanden voor de projecten Olpe A en Dusseldorf B gewist uit het computerbestand.”

2.4. Op 1 juni 2006 is [eiser], met onmiddellijke ingang, ontslagen als statutair directeur van Zuideroord. In dit ontslag heeft [eiser] berust.

2.5. Nadat de nietigheid van het ontslag op staande voet als bedoeld onder 2.3. door [eiser] was ingeroepen, is in kort geding bepaald dat het loon van [eiser] door SHF doorbetaald moest worden.

2.6. Vóór de datum van het vonnis in kort geding had SHF al een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiser] ingediend, voor zover die nog bestond. Omdat de advocaat van [eiser] verhinderd was, is de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek tegen [eiser] aangehouden. De mondelinge behandeling van de ontbindingsverzoeken tegen drie andere werknemers van SHF, namelijk [werknemer 1], [werknemer 2] en [werknemer 3] heeft op 15 juni 2006 wel plaatsgevonden. In een beschikking van 29 juni 2006 heeft de kantonrechter in deze zaken de respectievelijke arbeidsovereenkomsten - zonder toekenning van een ontbindingsvergoeding - met ingang van 1 september 2006 ontbonden en daartoe is onder meer het volgende overwogen:

“Uit hetgeen partijen hebben gesteld en niet is weersproken, is voldoende komen vast te staan dat [werknemers 1, 2 en 3] voornemens waren hun dienstverband met SHF te beëindigen en over te gaan tot de oprichting van een eigen, met SHF concurrerend, bedrijf (…)

Door dit voornemen te delen met drie collega’s die gezamenlijk een doorslaggevend aandeel uitmaakten van SHF, geeft aan dat voornemen een bijzondere lading en is voor SHF uitermate bedreigend. In zoverre is begrijpelijk dat daardoor een ernstige vertrouwensbreuk tussen partijen is ontstaan. (…) De oorzaak van de vertrouwensbreuk dient aan beide partijen te worden toegerekend, in mindere mate aan SHF, gelet op haar reactie op serieuze klachten van [werknemers 1, 2 en 3], in meerdere mate aan [werknemers 1, 2 en 3] vanwege hun collectieve voornemen een eigen concurrerende onderneming op te richten (…).

Op gronden van billijkheid komt aan [werknemers 1, 2 en 3] geen vergoeding toe, waarbij mee heeft gewogen hetgeen reeds is overwogen ten aanzien van de wijziging in de omstandigheden en de beoordeling van de wederzijdse verwijten. (…)”

2.7. Na deze beschikking hebben SHF en [eiser] een minnelijke regeling getroffen, hetgeen heeft geresulteerd in een beschikking van rechtbank Amsterdam, sector kanton van 15 augustus 2006. In deze beschikking is de arbeidsovereenkomst tussen SHF en [eiser] ook - zonder toekenning van een ontbindingsvergoeding - met ingang van 1 september 2006 ontbonden.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - uitvoerbaar bij voorraad en na vermindering van eis - veroordeling van Zuideroord tot betaling van EUR 60.367,50 en buitengerechtelijke kosten van EUR 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 1 september 2006, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag van algehele betaling.

3.2. Zuideroord voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Stellingen van partijen

4.1. [eiser] baseert zijn hiervoor onder 3.1. omschreven vordering op de volgende stellingen. Rechtbank Amsterdam, sector kanton, heeft bij beschikking van 15 augustus 2006 de tussen [eiser] en SHF bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2006 ontbonden. Deze ontbinding heeft plaatsgevonden op grond van artikel 7:685 (gewichtige redenen). In het licht hiervan en met het oog op het bepaalde in de afvloeiingsregeling is Zuideroord aan [eiser] een schadevergoeding verschuldigd van EUR 60.367,50. Deze schadevergoeding is opgebouwd uit een bruto maandinkomen van EUR 8.049,00, inclusief bonus en de waarde van het privé gebruik van een auto, vermenigvuldigd met het aantal jaren dienstverband (6) en verhoogd met de overeengekomen correctiefactor (1,25) (EUR 8.049,00 x 6 x 1,25 = EUR 60.367,50).

4.2. Zuideroord heeft zich tegen de vordering van [eiser] onder meer verweerd met de volgende stellingen:

Primair

De afvloeiingsregeling is uitsluitend gebaseerd op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Zuideroord. Omdat die arbeidsovereenkomst nooit heeft bestaan, komt [eiser] geen beroep toe op de afvloeiingsregeling.

Subsidiair

De kern van de afvloeiingsregeling is, zoals uit de inhoud daarvan blijkt, dat [eiser] uitsluitend hieraan rechten kan ontlenen als hem met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen verwijt kan worden gemaakt. Nu het einde van de arbeidsovereenkomst aan [eiser] is te verwijten, heeft hij in redelijkheid geen recht op de overeengekomen afvloeiingsregeling.

Primair

4.3. Ter comparitie heeft de heer [directeur] (verder: “[directeur]), statutair directeur van Zuideroord, verklaard dat het in ieder geval zo is dat als de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en SHF zou zijn beëindigd op grond van een omstandigheid, die niet aan [eiser] te wijten zou zijn geweest, [eiser] recht had op de afvloeiingregeling. Dus ook in het geval hij niet met Zuideroord een arbeidsovereenkomst had, maar uitsluitend met SHF. Met inachtneming van deze verklaring volgt de rechtbank Zuideroord niet in haar - bij conclusie van dupliek ingenomen - stelling dat [directeur] ter comparitie uitsluitend een algemene mededeling over het recht op een afvloeiingsregeling heeft gedaan. [directeur] spreekt in zijn verklaring immers expliciet over “de afvloeiingsregeling” en het beroep dat [eiser] hierop kan doen bij een niet verwijtbare beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met SHF. [directeur] acht het bestaan van een arbeidovereenkomst tussen [eiser] en Zuideroord dus niet als een voorwaarde voor het recht van [eiser] op de afvloeiingsregeling. Het primaire verweer van Zuideroord wordt dan ook verworpen.

Subsidiar

4.4. Met betrekking tot het subsidiaire verweer van Zuideroord stelt de rechtbank voorop dat het bij de uitleg van contractuele bepalingen volgens vaste jurisprudentie aankomt op de zin die partijen daaraan over en weer in het licht van de omstandigheden van het geval mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien over en weer van elkaar mochten verwachten. In de afvloeiingsregeling is tussen partijen overeengekomen dat [eiser] daarop een beroep kan doen als de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, waaronder begrepen een verandering van omstandigheden, door de rechter wordt ontbonden in de zin van artikel 6:685 lid 2 BW (zie 2.2.). De rechtbank overweegt dat een verandering van omstandigheden alle mogelijke ontslaggronden omvat, derhalve ook een verstoorde arbeidsrelatie als gevolg van een verwijtbaar handelen/nalaten van de werknemer. De stelling van Zuideroord dat [eiser] geen recht op de afvloeiingregeling toekomt als de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (mede) aan de schuld van [eiser] te wijten is volgt in beginsel dus niet uit de tekst van deze regeling.

4.5. In het kader van het subsidiaire verweer heeft Zuideroord zich meer specifiek op het standpunt gesteld dat [eiser] - gegeven zijn verwijtbaar handelen - in redelijkheid geen recht op de overeengekomen afvloeiingsregeling toekomt (zie 3.10 conclusie van antwoord). De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat Zuideroord van mening is dat [eiser] geen rechten aan de afvloeiingsregeling kan ontlenen, omdat dit - gegeven de omstandigheden van het geval - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voor de beoordeling van dit verweer zijn de navolgende omstandigheden van belang:

1. [eiser], [werknemer 1], [werknemer 2] en [werknemer 3] (verder [eiser en werknemers 1,2 en 3]) vormden samen met [directeur] het kernteam, dat alle commerciële en financiële werkzaamheden binnen SHF en de daarmee gelieerde vennootschappen uitvoerden. Deze werkzaamheden hadden onder meer betrekking op het opzetten en beheren van zogenaamde vastgoedfondsen, waarin met name in Duitsland gekochte onroerende zaken werden ingebracht.

2. In de loop van april 2006 hebben [eiser en werknemers 1,2 en 3] activiteiten ondernomen ten behoeve van het (mogelijk) oprichten van een met SHF concurrerend bedrijf. In dat kader hebben [eiser en werknemers 1,2 en 3] op 18 en 27 april 2006 gesprekken gevoerd met DVC te Veenendaal, het emissiekantoor dat op exclusieve basis met SHF samenwerkte. Op 8 mei 2006 hebben [eiser en werknemers 1,2 en 3] ten behoeve van de financiering van de nieuw op te richten onderneming een gesprek gehad met Rabobank te Zeist, de vaste bankier van SHF. Daarnaast hebben van Diermen c.s. in de loop van april 2003 ten behoeve van de nieuw door hen op te richten onderneming een concept businessplan, een begroting, een kostenoverzicht, een liquiditeitsoverzicht en een concept balans en winst- en verliesrekening opgesteld. Ten slotte hebben [eiser en werknemers 1,2 en 3] zich toen door deskundigen laten adviseren over de fiscale en juridische opzet van de nieuwe vennootschap.

3. Per 1 september 2006 zijn [eiser en werknemers 1,2 en 3] het nieuwe, met SHF concurrerend, bedrijf begonnen.

4.6. Gegeven de hiervoor genoemde, door [eiser en werknemers 1,2 en 3] ondernomen, activiteiten kan - anders dan door [eiser] is gesteld - niet worden gezegd dat [eiser] en zijn drie directe collega’s zich slechts hebben georiënteerd op het oprichten van een nieuwe onderneming. De voorbereidende handelingen in april 2006 waren in een dusdanig vergevorderd stadium dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser en werknemers 1,2 en 3] toen al voornemens waren hun dienstverband met SHF in de toekomst te beëindigen en over te gaan tot de oprichting van een eigen, met SHF concurrerend, bedrijf, gelijk de kantonrechter in de ontbindingsprocedures in de zaken tegen [werknemer 1], [werknemer 2] en [werknemer 3] heeft overwogen (zie 2.3.). [eiser] heeft deze activiteiten niet alleen ondernomen op het moment dat hij in een arbeidsrechtelijke relatie tot SHF stond, maar ook gedurende de periode dat hij opereerde als statutair directeur van Zuideroord. De functie van statutair directeur brengt - in vergelijking met die van werknemer - extra verantwoordelijkheden en verplichtingen met zich, waaronder begrepen de verplichting om de belangen van de rechtspersoon waarvan hij statutair directeur is zo goed mogelijk te behartigen. Door plannen te ontwikkelen tot het oprichten van een met SHF concurrerende onderneming, terwijl hij statutair directeur van de moedermaatschappij van SHF was, heeft [eiser] ervoor gekozen zijn belangen boven de belangen van Zuideroord en SHF stellen. Deze conclusie klemt temeer, nu [eiser] de plannen tot het oprichten van de concurrerende vennootschap heeft ontwikkeld tezamen met drie andere kernleden van SHF. Door aldus te handelen heeft [eiser] doelbewust de spil uit de ondernemingenstructuur, waarvan hij statutair directeur was, willen halen. Dit is uiteindelijk ook gebeurd door het vertrek van [eiser en werknemers 1,2 en 3] bij SHF. Daar komt nog bij dat [eiser en werknemers 1,2 en 3] hun plannen tot het starten van een concurrerende onderneming hebben gedeeld met twee belangrijke relaties van Zuideroord/SHF, namelijk de huisbankier van SHF (de Rabobank) en het emissiekantoor dat op exclusieve basis voor SHF werkte (DVC). Deze handelwijze is strijdig met de belangen van SHF en Zuideroord. Met het oog op dit een en ander is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eiser] uit hoofde van zijn voormalig functie van bestuurder van Zuideroord een beroep op afvloeiingsregeling toekomt. De door [eiser] ingestelde vordering wordt dan ook afgewezen.

Proceskostenveroordeling

4.7. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Zuideroord worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 1.365,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 2.682,00 (3,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 4.047,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Zuideroord tot op heden begroot op EUR 4.047,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2007.

w.g. griffier w.g. rechter