Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2007:BB9813

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
11-12-2007
Zaaknummer
16/613008-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte terzake van art. 6 Wegenverkeerswet 1994

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/613008-06

Datum uitspraak: 4 december 2007

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum]1972 te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende [woonadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2007.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. De inhoud daarvan is hier ingevoegd:

1 primair:

hij op of omstreeks 07 juli 2006 te Elst, gemeente Rhenen, althans in het arrondissement Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Veenendaalsestraatweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, niet in staat te zijn het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, doch met het door hem bestuurde motorrijtuig (met groot snelheidsverschil) tegen de achterzijde van een in dezelfde richting rijdende personenauto (merk Opel, type Corsa) te rijden/botsen (waarna laatstgenoemde auto tegen een (rechts van de weg staande) boom tot stilstand is gekomen),

waardoor de bestuurder van genoemde Opel, genaamd [aangever], zwaar letsel, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

1 subsidiair:

hij op of omstreeks 07 juli 2006 te Elst, gemeente Rhenen, althans in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Veenendaalsestraatweg, niet in staat is geweest het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg te overzien en vrij was doch met het door hem bestuurde motorrijtuig (met groot snelheidsverschil) tegen de achterzijde van een in dezelfde richting rijdende personenauto (merk Opel, type Corsa) is gereden/gebotst (waarna laatstgenoemde auto tegen een boom tot stilstand is gekomen)

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 07 juli 2006 te Elst, gemeente Rhenen, althans in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Veenendaalsestraatweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [aangever]) letsel was toegebracht en hij deze [aangever] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder is vermeld, namelijk dat

1 primair:

hij op 07 juli 2006 te Elst, gemeente Rhenen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Veenendaalsestraatweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, niet in staat te zijn het door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, doch met het door hem bestuurde motorrijtuig met groot snelheidsverschil tegen de achterzijde van een in dezelfde richting rijdende personenauto merk Opel, type Corsa te rijden/botsen waarna laatstgenoemde auto tegen een rechts van de weg staande boom tot stilstand is gekomen, waardoor de bestuurder van genoemde Opel, genaamd [aangever], zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

2:

hij op 07 juli 2006 te Elst, gemeente Rhenen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Veenendaalsestraatweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander, te weten [aangever], letsel was toegebracht en hij deze [aangever] in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde:

Op 7 juli 2006 heeft er op de Veendaalsestraatweg te Elst, gemeente Rhenen een ongeval plaatsgevonden, waarbij verdachte als bestuurder van een zwarte personenauto, Alfa Romeo, het ongeluk heeft veroorzaakt . Als gevolg hiervan heeft [aangever] zodanig lichamelijk letsel opgelopen, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan .

De mate van schuld.

De officier van justitie heeft gerequireerd dat de verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden door met een groot snelheidsverschil tegen de auto van het slachtoffer aan te rijden, waardoor het slachtoffer tegen een boom tot stilstand is gekomen.

De verdachte heeft naar eigen zeggen met een snelheid van 90 tot 100 km per uur gereden, toen hij op het eind van de weg bij een bocht naar beneden zag, dat de auto van het slachtoffer remde. De verdachte heeft toen vol op de rem getrapt en heeft de auto van het slachtoffer voor zich geraakt.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de zwarte Alfa Romeo hem met een hoog snelheidsverschil inhaalde en heel snel van hem wegliep, terwijl de getuige nog steeds met een snelheid van 90 km per uur reed. Even later zag de getuige een grote rookpluim en zag een auto de berm aan de rechterzijde van de weg inschuiven, terwijl de zwarte Alfa Romeo een rare slingerende beweging maakte.

Het slachtoffer [aangever] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat het snelheidsverschil tussen de zwarte personenauto en hemzelf erg groot was. [aangever] reed op het moment dat de zwarte auto hem naderde al 80 a 90 km per uur. Daarbij heeft [aangever] verklaard dat hij een klap voelde en door die klap werd gelanceerd met zijn auto, waarbij zijn auto onbestuurbaar was geworden.

Op basis van bovenstaande verklaringen van [aangever] en [getuige 1], komt de rechtbank tot de overtuiging dat de verdachte met een aanmerkelijk hogere snelheid dan hij zelf verklaard heeft, heeft gereden op een weg waar 80 km per uur is toegestaan. Hoewel het ongeval zich heeft voorgedaan in de vroege ochtenduren, was er blijkens de verklaringen van de verdachte en de getuige sprake van in ieder geval meerdere tegenliggers, waardoor hij zijn snelheid had dienen aan te passen. Zelfs indien de verklaring van de verdachte dat het slachtoffer geremd heeft juist is, had hij derhalve hierop dienen te anticiperen.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat de verdachte met groot snelheidsverschil tegen de achterzijde van de auto van het slachtoffer is gereden/gebotst en zich derhalve zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, nadat hij de auto van het slachtoffer heeft geraakt op de trekhaak, zelf door is gerold en een slingerende beweging heeft gemaakt. Vervolgens heeft de verdachte gezien dat de auto van het slachtoffer naar voren schoot en over het gras is gehobbeld nadat hij die auto had geraakt. Voorts heeft de verdachte verklaard na het ongeval absoluut niet te zijn gestopt en niet achterom te hebben gekeken. Hij heeft zichzelf eerst door toedoen van zijn baas op 10 juli 2006 bij de politie gemeld.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, terwijl hij met een groot snelheidsverschil tegen de achterzijde van de auto van het slachtoffer is gereden/gebotst en vervolgens heeft gezien dat de auto van de weg is geraakt terwijl de weg werd geflankeerd door een rij bomen, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat er aan een ander letsel was toegebracht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 primair en 2 telkens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl aan een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.

Ten aanzien van de feit 2:

Overtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, omdat hij te laat was voor zijn werk, met een hogere snelheid dan was toegestaan over de Veenendaalsestraatweg te Elst gereden en is vervolgens achterop een voor hem rijdende Opel Corsa gebotst, waardoor de bestuurder van die Opel Corsa met zijn voertuig tegen een boom is gereden. Vervolgens is de verdachte niet gestopt, maar is gewoon doorgereden naar zijn werk. Verdachte heeft vervolgens het aansluitende weekend bij een vriendin verbleven, kennelijk zodat hij niet kon worden getraceerd. De verdachte heeft zich na het weekend enkel op aandringen van zijn werkgever bij het politiebureau gemeld.

Verdachte heeft door zijn handelwijze geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor wat hij heeft gedaan. Zoals ook blijkt uit de verklaring van het slachtoffer [aangever], is het enkel aan het geluk te wijten dat het slachtoffer geen zwaarder letsel heeft opgelopen.

De rechtbank rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij niet is gestopt om te kijken naar eventueel letsel van het slachtoffer en zijn identiteit niet heeft bekend gemaakt.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, na de aanrijding, heeft geprobeerd via een vriend zijn zwarte Alfa Romeo te laten repareren, om zo te voorkomen dat hij als veroorzaker van het ongeval kon worden getraceerd. De rechtbank houdt hiermee rekening in de strafmaat.

De rechtbank zal evenwel in het voordeel van de verdachte meewegen dat hij zeer is geschrokken van het feit en bij de politie schriftelijke excuses ten behoeve van het slachtoffer heeft laten opmaken. De rechtbank betreurt echter dat deze schriftelijke excuses het slachtoffer niet hebben bereikt, maar enkel aan het proces-verbaal zijn gehecht.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 november 2007, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het rijden onder invloed.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd-:

- een werkstraf voor de duur van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis;

- ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar terzake het onder 1 primair tenlastegelegde;

- ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar terzake het onder 2 tenlastegelegde;

- verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen Alfa Romeo.

De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden hoogte en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan nu de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het veroorzaken en verlaten van de plaats van een ongeval.

De rechtbank is van oordeel dat zij geen beslissing hoeft te nemen over de inbeslaggenomen Alfa Romeo, nu uit het dossier blijkt dat deze auto bij beslissing van de officier van justitie van 30 mei 2007, met bevestiging van Domeinen Regio Hoogeveen van 11 juni 2007, reeds is vernietigd.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en 2 telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van de feiten 1 primair en 2:

Veroordeelt de verdachte tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 90 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Veroordeelt de verdachte wegens het onder 1 primair bewezen verklaarde feit tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van ZES (6) maanden.

Veroordeelt de verdachte wegens het onder 2 bewezen verklaarde feit voorts tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van ACHTTIEN (18) maanden.

Bepaalt dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot TWAALF (12 maanden), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door mrs L.E. Verschoor-Bergsma, mr. A.G. Bakker en L. Bakker-Splinter, bijgestaan door H.A.M. Blom als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 december 2007.